SAMENVATTING · 9 onderdelen · ±40 min lezen

Praktijkproject Workplace Management: studiesamenvatting

Het praktijkproject loopt over twee periodes: in P1 begrijp en ontdek je het vraagstuk, in P2 werk je een oplossing uit en borg je die. De rode draad is design thinking: je begint bij de mensen die het gebouw gebruiken (empathize), scherpt het probleem aan in een design brief (define), bedenkt en kiest ideeën samen met stakeholders (ideate) en gaat in P2 verder met prototype, test en implementatie. Onderzoek is daarbij een middel, geen doel: elke methode die je kiest moet de opdrachtgever verder helpen. Alles wat je doet komt samen in het huisvestingsveranderplan en het eindgesprek, waar je moet kunnen uitleggen waarom je elke keuze maakte.

Waar dit op gebaseerd is: De dia's van les 1.1 t/m 1.7, het team canvas, de teamrollen, de stakeholder map, het 5W1H-template, de design-brief-formats met toelichting, het feedback-canvas, de handout van les 1.4, het beoordelingsformulier 2026-2027 en de cursusinformatie op Brightspace, stand 7 oktober 2026.
Wat er (nog) niet in zit: De lessen na 1.7 en alle stof van periode 2 (prototype, test, implementatie, nudging, verandermanagement en het investeringsvoorstel) staan nog niet op Brightspace. Theorie over verandermanagement en financiële doorrekening zit hier dus niet in; in P2 lopen daarvoor de vakken Verandermanagement en Veranderingen doorgerekend parallel (overzicht in les 1.1).
🧭

Les 1.1 · Introductie, team en nieuwsgierigheid

Les 1.1, teamrollen, team canvas

Wat het project is

Je werkt in een projectgroep van vijf aan een huisvestingsvraagstuk van een opdrachtgever in de praktijk. Elke groep heeft een eigen opdrachtgever met een eigen vraag. Voorbeelden uit de les: een nieuw hybride werkplekconcept, een nieuwe indeling voor de centrale hal van een zorginstelling, een vlekkenplan en indelingsplan voor een nieuw gebouw, het optimaal benutten van een centrale hub of een huisvestingsplan voor een middelbare school. Het resultaat is een concrete oplossing op basis van een gedegen onderbouwing.

OnderdeelWat de dia zegt
Plaats in jaar 2Loopt over P1 en P2 (10 EC). Parallel: Huisvesting in P1 (10 EC), Verandermanagement en Veranderingen doorgerekend in P2 (elk 5 EC)
DuurTwee periodes van 9 weken, samen een half jaar
Elke weekEen lesblok van 4 lesuren (begeleiding, intervisie, workshops) en een praktijkdag van 8 lesuren bij de opdrachtgever, altijd op dinsdag
AanwezigheidAfspraak: je bent er, bij de les én op de praktijkdag
Studielast10 EC = 280 werkuren per persoon, ongeveer 20 uur per week
WerkwijzeVaste methodiek en stappenplan vanuit design thinking, met feedback op tussenresultaten

De planning van de praktijkdagen

WeekPeriode 1: begrijpen en ontdekkenWat je uitwerkt
W1Geen praktijkdagStart in de les
W2Empathize: kennismaking en toelichting opdrachtEerste inzichten, situatiefoto's, vraagstuk verhelderen
W3Empathize: meelopen en gesprekken met stakeholdersStakeholdermap, customer journey, persona's, opzet design brief
W4Define: fotosafari en observatiesConcept design brief
W5Define: presentatie en design briefDefinitieve design brief
W6Ideate: co-creatie of brainstormworkshopIdeeënbord
W7Ideate: de 3 beste oplossingen presenterenFeedback en gevolgen van de oplossingen
DaarnaHerfstvakantie en tentamenweken2 à 3 interviews bij vergelijkbare organisaties
WeekPeriode 2: verwezenlijkenWat je uitwerkt
W1Geen praktijkdag, zelfstandig werkLow-fidelity prototype
W2Prototype en test: feedback op het concept-prototypeDefinitief prototype
W3Prototype en test: presentatie definitief prototypePrototype en onderbouwing
W4-W6Gastcollege, implement: nudging toepassen en testen, oplossing toetsenNudgingresultaten, eindpresentatie
W7Eindpresentatie en afsluiting bij de opdrachtgeverHuisvestingsveranderplan
W8Inleveren huisvestingsveranderplan bij de HAN-docentenHuisvestingsplan
De twee planningsdia's in les 1.1 verschillen in P2 over de volgorde van gastcollege en nudging (week 4 of week 5). Check de actuele planning op Brightspace of bij je docent.

Team: rollen en team canvas

Met zeven rolkaarten ontdek je wat je kunt betekenen voor de groep. Iedereen rangschikt de kaarten van ‘past het meest’ naar ‘past het minst’, daarna kijk je samen welke rollen vertegenwoordigd zijn en verdeel je taken. Je hoeft geen projectleider te benoemen: de groep werkt vanuit gedeelde verantwoordelijkheid. Benoem wel een contactpersoon (naar opdrachtgever en docent) en een archivaris of beheerder (alle stukken op een centrale plek).

RolVerantwoordelijkheid in het kort
PlannerMaakt en bewaakt de planning, houdt team en project op schema
BeheerderLegt de voortgang bij elke stap vast, archiveert, maakt foto's
VerbinderVerbindt het team met gebruikers, experts en ervaringen
AntropoloogKadert het probleem, observeert nieuwsgierig, levert diepe inzichten
TolkZet bevindingen om in inzichten en voorkomt dat het team te snel naar een oplossing sprint
HordenloperHaalt belemmeringen weg, onderhandelt, vecht voor tijd, middelen en budget
VerhalenvertellerMaakt van het project een verhaal en communiceert het naar buiten

Het team canvas maakt doelen, verwachtingen en ieders inbreng duidelijk. In het midden staat de purpose (welke impact willen we maken en waarom). Daaromheen: mensen en rollen, gezamenlijke doelstellingen, persoonlijke doelen, waarden, behoeften en verwachtingen, regels en afspraken, sterktes en middelen, zwaktes en ontwikkelgebieden. Pak het canvas tijdens het project regelmatig erbij om te kijken of je nog on track bent. Het hoort als bijlage bij de design brief.

Creativiteit en nieuwsgierigheid

Een opdrachtgever verwacht een creatieve en praktisch toepasbare oplossing. Dat vraagt een out-of-the-box-benadering, en daarvoor moet je nieuwsgierig zijn: zonder dwang en zonder uitzicht op beloning op zoek gaan.

  1. Vragen stellen aan jezelf en de ander (oefening: vijf keer ‘waarom?’)
  2. Kennis achterhouden: inspelen op onwetendheid
  3. Verwachtingen verstoren: twijfel of verbazing oproepen
  4. Open houden: onvoorspelbaarheid of oneindigheid
  5. Urgentie: er speelt iets waarvoor een oplossing moet komen

Samen weet je meer (wisdom of the crowd), mits er diversiteit, onafhankelijkheid, decentralisatie en aggregatie is.

Eerste stappen richting de opdrachtgever

  • Verdiep je in de organisatie (noteer je bronnen), de contactpersoon, externe ontwikkelingen, de belangrijkste stakeholders (stakeholder canvas), de huisvesting en het vraagstuk
  • Formuleer vragen voor het eerste gesprek en maak een poster die je aan de docent pitcht
  • Stuur een professionele mail: stel jezelf en je teamleden voor, noem de hoofdcontactpersoon, zet iedereen in de cc, kies een duidelijk onderwerp, kondig het bezoek aan en vraag om planning en mijlpalen te bespreken
  • Na de eerste praktijkdag: een visuele presentatie van 10 minuten over organisatie en vraagstuk, zo dat iemand die de organisatie niet kent snapt waar je zit en wat je gaat doen
  • Spreek af dat je in week 5 de voortgang presenteert en dat je medewerkers mag bevragen en met ze mag meelopen
🧠

Les 1.2 · Design thinking en empathize

Les 1.2, stakeholder map template, 5W1H-template
Design thinkingEen mensgerichte innovatiemethode om problemen op te lossen. Je vertrekt niet vanuit technologie of harde cijfers, maar vanuit de werkelijke behoeften en ervaringen van de eindgebruiker. Het is een methode én een mindset: denkers die kunnen doen, dus geen vrijblijvende adviezen maar concrete oplossingen.
FaseKernWat je doet
1 EmpathizeLeef je in, ken de mensen voor wie je ontwerptOnderzoek naar ervaringen, gedrag, meningen, wensen en behoeften; pijnpunten en kansen in hun omgeving
2 DefineBepaal voor wie je ontwerpt en waarmee je hen helptHét pijnpunt vaststellen; focus houden (niet te breed of vaag); checken tegen het gebruikersprofiel
3 IdeateGenereer ideeën die het probleem oplossenEerst veel ideeën (divergeren), dan ordenen en de beste kiezen (convergeren)
4 PrototypeZet ideeën om in iets testbaarsSimpel beginnen, alleen bouwen wat je wilt testen, niet te gelikt; faal snel en leer veel
5 TestKrijg feedback van doelgroep en betrokkenenGebruikers in contact brengen met het prototype; verbeterpunten verzamelen voor een nieuwe versie

De fasen komen uit de Design Thinking Toolkit van het Maastricht UMC. Een uitgebreid schema in de les voegt na test nog implement en experiment toe, met pijlen terug naar eerdere fasen: je kunt en moet dus terug als een test of nieuw inzicht daarom vraagt.

Divergeren en convergeren

Divergeren is verkennen en kansen zoeken: breed, veel, zonder oordeel. Convergeren is keuzes maken en beslissingen nemen. Design thinking wisselt die twee steeds af.

Double Diamond

Eerste ruit: Discover en Define, de vraag ‘welke problemen zijn er?’, eindigt in het probleem. Tweede ruit: Develop en Deliver, de vraag ‘welke oplossingen zijn er?’, eindigt in de oplossing. Empathize en define vallen in de eerste ruit, ideate en prototype in de tweede.

Empathize: stakeholders

Wie zijn de belangrijkste betrokkenen, hoe zijn ze betrokken (wat is hun belang) en welke invloed hebben ze? Dat zet je op een stakeholder map: bovenaan het doel van het project, in het midden de gebruikers, daaromheen de interne stakeholders en buitenaan de externe stakeholders. Het template op Brightspace heeft drie ringen (A, B, C) met een legenda, een lijst stakeholders en een lijst relaties tussen stakeholders. De gebruikers uit het midden werk je uit in persona's.

Persona's

PersonaEen fictieve persoon wiens profiel de eigenschappen van een bestaande groep (potentiële) gebruikers in zich verenigt: sociale en demografische achtergrond, behoeften, verlangens, gewoonten, culturele achtergrond.
  • Wat: een levendige beschrijving van je doelgroep alsof het een echt persoon is; je maakt er 2 tot 4 op basis van je onderzoeksresultaten
  • Waarom: je leeft je in in verschillende soorten gebruikers, zodat je oplossing past bij hun situaties en behoeften
  • Hoe: inzichten uit interviews, observaties en ander onderzoek; welke soorten gebruikers kun je onderscheiden? Maak ze specifiek voor jouw probleem en pluk ze niet van internet. Onderscheid op wat relevant is: soms leeftijd of geslacht, soms vaardigheden, opleiding of werkstijl
  • Voor een werkomgeving vraag je: waar doen medewerkers hun werk, wat hebben ze daarbij nodig en wat verwachten ze van de omgeving en voorzieningen?
  • Geef persona's een naam, gezicht en leven, en test ze tegen je bevindingen

Voorbeeld uit de les

Twee persona's die intern mobiel zijn, dus op verschillende plekken in het gebouw werken: een senior financieel manager wiens werk vooral bestaat uit vergaderen, telefoneren en samenwerken, en een HR-assistent die administratief werk aan een bureau combineert met overleggen. Hun dagen zien er anders uit, dus hun journey ook.

Persona's valideren: zoek mensen die bij een persona passen, houd korte informele gesprekjes, bedenk een pitch om contact te leggen en vooraf je vragen, en pas daarna je persona's aan of voeg ze samen. Voor de praktijkdag in week 3 is de opdracht minimaal 10 gesprekjes.

Journey mapping

Per persona maak je een customer journey map (klantreis). Visualiseer je een werkdag van begin tot eind, dan heet het een medewerkerreis. Je laat zien hoe de journey verloopt, wat de touchpoints zijn en welke ervaringen er positief of negatief zijn.

FaseWat er gebeurt
OnderwegIemand is nog niet fysiek op de locatie
AankomstEerste contact met gebouw, omgeving of services
VerblijfDe persoon is aanwezig op de locatie
VertrekIemand gaat weg en heeft een laatste contact met het gebouw

Werken vanuit een probleem

  1. De opdrachtgever heeft een probleem.
  2. Maar is dat ook echt hét probleem?
  3. Waar ligt de oplossing?
  4. Waarmee ga je de opdrachtgever helpen, welk product lever je op?
  5. Hoe kom je dat te weten?
‘De lift is traag’ is een probleem dat om een technische oplossing vraagt. ‘Hoe kunnen we de ervaring van het wachten op de lift verbeteren?’ opent heel andere oplossingen. Het probleem goed herformuleren is volgens de les de echte uitdaging van design thinking.

5W1H en de start van de design brief

Met 5W1H verken je het vraagstuk: wat is de kern, wie hebben ermee te maken of er last van, waarom is het een probleem en waarom nu, waar doet het zich voor, wanneer, en hoe of waardoor is het ontstaan (en wat is al geprobeerd)? Je sluit af met een korte, krachtige vraagstelling waarin alle elementen zitten. Weet je iets nog niet, dan vraag je het op een volgende praktijkdag.

  1. Administratieve projectgegevens invullen
  2. De context verkennen: interne analyse, externe analyse, stakeholderanalyse en begripsduiding (wat weet je al over het onderwerp?)
  3. Het vraagstuk verkennen met 5W1H
  4. Het vraagstuk in een paar zinnen formuleren: wat wil de opdrachtgever bereiken?
🔍

Les 1.3 · Onderzoek en observeren

Les 1.3

De rol van onderzoek

Aan de vijf vragen uit les 1.2 voegt les 1.3 er één toe: wat moet je weten, welke inzichten ga je verzamelen? Daarvoor moet je dingen opzoeken of uitzoeken. Onderzoek is dus een belangrijk onderdeel van design thinking. Een schema in de les laat het verloop zien: ontdekken (van aanleiding naar inzicht in de probleemsituatie), definiëren (naar een probleemdefinitie), ontwikkelen (naar geteste mogelijke oplossingen) en implementeren (naar functionerende oplossingen). Het begin is rommelig en wordt steeds gerichter.

EisBetekenis
BruikbaarheidOnderzoek is voor een FM'er een middel, geen doel. Doe niets waar de opdrachtgever niets aan heeft
ValiditeitDoe de goede dingen: meet wat je wilt weten
BetrouwbaarheidDoe de dingen goed
HerhaalbaarheidWees transparant en beschrijf je aanpak zo dat een ander het kan herhalen

Van praktijkprobleem naar methode

StapVraagVoorbeeld uit de les
PraktijkprobleemWat is de aanleiding en situatie, wie is de organisatie?Organisatie X gaat verhuizen naar een nieuw kantoorgebouw
PraktijkvraagHoe kan organisatie X ...?Hoe kan organisatie X de werkomgeving in haar nieuwe gebouw inrichten?
KennisvragenWat moet ik weten om het probleem op te lossen?Wat zijn de wensen en eisen van de gebruikers voor de werkomgeving in het nieuwe gebouw?
Opzoeken en/of uitzoekenWaar vind ik die kennis of wat moet ik doen?Bronnen zoeken, observaties, groepsinterviews met bepaalde gebruikers, een enquête onder alle gebruikers

Opzoeken doe je via Google en (vak)literatuur. Uitzoeken doe je zelf: kijken (observeren), vragen (interviewen) en bevragen (enquêteren).

Zeven tips voor de empathize-fase

  • Doe deskresearch: bij een complex probleem moet je het eerst goed doorgronden
  • Interview betrokkenen: deskresearch alleen is niet genoeg
  • Interview ter plaatse: op de plek zelf zie je details die je telefonisch mist en voelt de geïnterviewde zich comfortabeler
  • Vraag flink door: mensen liegen niet snel bewust, maar laten belangrijke informatie weg, zeker als die negatief op henzelf afstraalt
  • Observeer: wat voor betrokkenen doodnormaal is, kan jou op het spoor van een oplossing zetten
  • Ervaar het zelf: doorloop de handelingen van de doelgroep en leg vast wat je opvalt
  • Noteer alleen feiten: geen meningen of aannames, met tijd, datum en locatie, en vraag vooraf toestemming voor beeld of geluid

Bronnen gebruik je om van te leren, om je te laten inspireren en om experts te vinden die je kunt interviewen. De les noemt als vindplaatsen onder meer de site van FMN en het magazine van Smart WP.

Observeren

Observatieonderzoek kies je als taal een probleem is, als je mensen zo min mogelijk wilt storen, als je de echte praktijk wilt zien in plaats van de politiek correcte beschrijving, of als je wilt zien of mensen echt doen wat ze zeggen.

  • Gestructureerd of ongestructureerd
  • Participerend of niet-participerend
  • Direct of indirect
  • Verhuld of onverhuld
  • Benadering: kwantiteit observeren (aantallen) of gedrag observeren (wat doet iemand)
  • Altijd: ethiek, wat kan wel en wat niet

Voordelen

  • Gedrag objectief vast te leggen, zonder last van sociale wenselijkheid of selectief geheugen
  • Onbewust of routinematig gedrag wordt zichtbaar
  • Vergelijkingsmateriaal tussen wat je hoort en wat je ziet
  • Unieke gegevens die je via andere methoden niet krijgt

Nadelen

  • Duur
  • Tijdrovend
  • Observer effect
  • Observatorbias
  • Motieven voor gedrag zijn niet te observeren
Risico's: observeren zonder doel, subjectiviteit (op zoek naar je eigen gelijk), een verkeerd gekozen doelgroep of moment, interpretatieve in plaats van observatieve notities, en een methode die niet gestandaardiseerd en dus niet transparant is. Wees concreet: geen ‘soms’ of ‘vaak’, maar classificeerbaar en geoperationaliseerd.
StapWat je doet
1 VoorbereidingBepaal wat je wel en niet observeert, hoe lang en hoe je je rol combineert met die van deelnemer; maak zo nodig een coderingsschema; zorg voor een eenduidige introductie en vraag toestemming
2 UitvoeringMaak een observatieschema (welke informatie en hoe); observeer de vastgestelde periode en maak zo veel mogelijk bruikbare notities; pas zo nodig je coderingsschema aan
3 AfrondingStop bij het verzadigingspunt; reflecteer, vul aan en analyseer; deel je bevindingen met de deelnemers, bijvoorbeeld in een focusgroep of per mail

Rapporteren: leg vast met opnamen, veldnotities en een logboek, en noteer datum, locatie, betrokkenen, situatie en afwijkende factoren. In het rapport beschrijf je je aanpak gedetailleerd, verwijs je in de resultaten naar concrete observaties en aantallen, en zet je datafiles, analyseplan, turflijst en observatieoverzichten in de bijlage.

Bijzondere vormen

VormWat het is
ShadowingIemand ‘achtervolgen’ tijdens een actie: keuzes, routes, houding, met wie iemand omgaat, hoe een taak wordt uitgevoerd. Bijvoorbeeld meelopen op een verpleegafdeling
Day in the lifeEen hele dag van begin tot eind meelopen, bijvoorbeeld met een arts
FotosafariData verzamelen met foto's van omgeving, situatie, gedrag of gewoonten (ook: photovoice, snapshotmethode). Liefst maken respondenten de foto's zelf, want de gebruiker is de expert. Analyse met een beoordelingskader, per foto, daarna gebundeld in een overzicht

Opdracht voor de praktijkdag: onderzoek de touchpoints uit je journey maps met een observatievorm die past (traditioneel, shadowing, day in the life of fotosafari), maak een observatieplan en -schema, voer het uit en verwerk de resultaten in de design brief.

Design brief uitbreiden

Je had al het waarom (uitgangspunten en doelen) en het wat (deliverables). Nu komt het hoe: hoe komen de resultaten tot stand, en welke randvoorwaarden of design criteria gelden (MoSCoW). Concreet: open eindjes oplossen, relevante bronnen zoeken, het vraagstuk als hoe-kan-vraag formuleren, kennisvragen opstellen, per kennisvraag een methode kiezen en de design criteria bepalen.

Vooruitblik

Aan het eind van periode 1 bezoek je als groep twee of drie vergelijkbare organisaties. Je interviewt daar iemand en laat je rondleiden, dus geen online afspraak. Bedenk welke organisaties interessant zijn en geef ze door aan je docent.

✍️

Les 1.4 · Zakelijk schrijven, AI en presenteren

Les 1.4 en handout 1.4

Doel van de les: een goede probleemanalyse schrijven en de design brief verbeteren, met vijf criteria voor zakelijk schrijven, AI als schrijfhulp, oefeningen en peerfeedback. Een prettig leesbare, begrijpelijke tekst is in het werkveld belangrijk.

SABKESFocusConcreet volgens de handout
S · Structuur en samenhangLogische opbouw binnen en tussen alinea'sElke alinea sluit aan op de vorige; signaalwoorden geven structuur, maar te veel leest als AI-tekst
A · Alinea'sLeesbaar en scanbaar voor een opdrachtgeverMaximaal 5 tot 7 zinnen, één onderwerp, kernzin bovenaan, inhoudelijke kopjes
B · BronnenOnderbouwd schrijvenBron verwerken in de tekst (vooral bij interne en externe analyse en literatuurverkenning), juiste APA, ook persoonlijke communicatie
KE · Korte en efficiënte zinnenHelder en krachtigMaximaal 15 tot 20 woorden per zin, actieve zinnen, geen ‘het is belangrijk om te vermelden dat’
S · Spelling en leestekensProfessionaliteitSpelling, grammatica, leestekens, hoofdletters en consistente termen

AI: wel doen

  • AI pas na je eerste versie gebruiken
  • Per onderdeel werken, niet het hele document
  • Altijd controleren of de inhoud klopt
  • In de prompt zeggen dat AI geen woorden of inhoud toevoegt
  • In je eigen woorden rapporteren
  • AI-gebruik verantwoorden volgens APA

AI: niet doen

  • Hele stukken blind overnemen
  • Vage prompts (‘maak beter’)
  • AI laten bedenken wat je zelf niet begrijpt of weet
  • Prompten dat AI je stuk ‘professioneler’ schrijft

APA bij AI. Alleen spelling en structuur verbeterd: vermeld dat ChatGPT daarvoor is gebruikt, met (OpenAI, 2025). Inhoud laten genereren, bijvoorbeeld bij het formuleren van onderzoeksvragen: verwijs in de tekst en geef de prompt of zet de volledige chat in een bijlage. In de bronnenlijst: Ontwikkelaar. (jaar). Naam AI-tool (Versie) [Generatieve AI]. URL.

Let op wat je uploadt: bedrijfsgegevens zonder toestemming, namen en foto's horen niet zomaar in een AI-tool. Niet-verantwoord AI-gebruik valt onder de sanctieladder van de examencommissie (Insite, jouw opleiding).

AI-taal herkennen en verbeteren

Herkenningstekens: vage woorden (factoren, aspecten, elementen), geen concrete context (wie, waar, wanneer), overdreven formeel taalgebruik, geen voorbeelden, alles klinkt netjes maar niet echt, steeds dezelfde zinsbouw met opsommingen van moeilijke begrippen, weinig inhoud.

Van vaag naar concreet (voorbeeld uit de les)

  • Slecht: ‘In deze paragraaf wordt besproken wat de belangrijkste aspecten zijn van het probleem. Er zijn verschillende factoren die invloed hebben op de huidige situatie.’
  • Beter: ‘De interne communicatie binnen de organisatie is onvoldoende. Medewerkers ontvangen weinig duidelijke informatie over veranderingen, waardoor zij zich minder betrokken voelen.’ Met een bron: persoonlijke communicatie met een medewerker, met datum.
  • Het verschil: een kernzin met een concrete bewering, oorzaak en gevolg, en een bron.

Sterke prompt: begin met de instructie om helder, concreet en professioneel te schrijven zonder standaardzinnen, specifiek voor deze praktijkopdracht, en geen woorden toe te voegen (of ze te markeren). Voeg altijd het doel, de SABKES-criteria waarop je wilt verbeteren en je eigen tekst toe. Vraag eerst om feedback, niet meteen om een verbeterde tekst.

AI-check voor jezelf: kan ik dit concreter maken? Zou ik dit hardop zo zeggen? Verwijs ik naar mijn specifieke organisatie en vraagstuk?

Peerfeedback geef je met het feedbackformulier uit de handout, per onderdeel van de design brief en per SABKES-criterium plus natuurlijk taalgebruik, en uitdrukkelijk zonder AI. Daarna verwerk je de AI-feedback en de peerfeedback in je eigen tekst. De les sluit af met het voorbereiden van de presentatie bij de opdrachtgever in week 5, waarin je de design brief en de probleemanalyse presenteert; daarna lever je de design brief in.

💡

Les 1.5 · Ideate en brainstormen

Les 1.5 en Feedback Design Brief Canvas

Feedback verwerken in de design brief

Met het Feedback Design Brief Canvas verwerk je de docentfeedback in vijf blokken: wat was de feedback, wat betekent die voor de design brief, wat passen we concreet aan, wat blijft onduidelijk, en wat is de belangrijkste verbetering (before/after). Na verwerking is de basis voor onderdeel A van het huisvestingsveranderplan voor ongeveer 80% klaar.

  • Verwerk de ontvangen feedback
  • Voeg nieuwe inzichten en gevonden modellen toe
  • Werk de verantwoording verder uit
  • Zorg dat het huisvestingsplan één integraal document wordt
  • Let op structuur, opmaak en leesbaarheid

Drie criteria voor ideeën

CriteriumCirkelVraag
WenselijkPeople (desirable)Voorziet het idee in de behoeften van gebruikers?
HaalbaarTech (feasible)Kan het technisch gerealiseerd worden?
LevensvatbaarBusiness (viable)Is het commercieel aantrekkelijk en rendabel, past het bij missie en doelen?
BrainstormenEen techniek waarbij een individu of groep snel veel nieuwe ideeën genereert over een onderwerp, probleem of vraagstuk.

Ben jij een divergeer-persoon (breed, creatief, veel ideeën, ‘wat als ...?’) of een convergeer-persoon (logisch, selecteren, kiezen, haalbaarheid)? Een team heeft balans nodig.

  1. Leg uit welk probleem moet worden opgelost: formuleer de vraagstelling
  2. Leg de nadruk op kwantiteit (divergeren)
  3. Noteer alle ideeën
  4. Zorg dat de ideeën van alle deelnemers gehoord worden
  5. Voorkom kritiek
  6. Houd het kort: 15 tot 30 minuten geeft focus
  7. Houd het klein: maximaal 10 mensen

Voorbereiding: post-its, markers in verschillende kleuren, papier, een flip-over of whiteboard, een grote muur, een fototoestel, één duidelijk doel per sessie, afspraken over wie wat doet, genoeg tijd van de deelnemers, de juiste en gevarieerde deelnemers, en een voorbereide techniek.

Het grootste voordeel is co-creatie: stakeholders ontwerpen en bepalen mee. Gebruik je stakeholderanalyse om te bepalen wie je uitnodigt.

Brainstormtechnieken

TechniekHoe het werkt
Disney-methodeKamerprincipe: 1 ideeën zonder grenzen, 2 coördineren en uitstippelen, 3 kritische zweetkamer, plus de toeschouwer
World CaféDeelnemers over tafels in één ruimte, per tafel een ander onderwerp, een vaste groepsleider noteert in een mindmap, na een afgesproken tijd wisselen; aan het eind één grote mindmap. Gericht op dialoog
635-methode6 personen, elk een vel met 18 vakjes (3 x 6), 3 ideeën per ronde, vel doorgeven: 108 ideeën in 18 minuten
Alle zintuigenPer zintuig (zicht, geur, tast, smaak, gehoor) 20 minuten, minimaal 5 ideeën per deelnemer, daarna combineren
Delphi-methodeAnonieme vragenlijst, samenvatten, samenvatting rondsturen voor individuele brainstorm en beoordeling, eventueel herhalen, eindresultaat presenteren
IdeeënboomKernwoorden in de stam, individuele associaties als takken, één voor één delen, samen kiezen welke takken blijven, daarna vrij associëren

Bij de World Café-dia staat ook een algemene afweging voor groepsgesprekken (Baarda, 2024): het voordeel is dat het relatief weinig tijd kost en dat deelnemers elkaar op ideeën brengen; het nadeel is dat groepsprocessen gaan spelen, zoals dominante deelnemers waardoor anderen hun mening niet durven te geven. Daarom moet een ervaren gespreksleider het leiden.

De brainstorm bij de opdrachtgever

VraagWaar je op let
AanpakWelke methode, hoe organiseer je de sessie?
VraagWelke centrale vraag beantwoord je? Kijk kritisch naar je vraagstelling
BenodigdhedenPost-its, stiften, papier
BetrouwbaarheidHoe voorkom je sociaal wenselijke antwoorden?
ValiditeitHoe zorg je dat je echt meet wat je wilt weten?
OpnameMag je opnemen, hoe regel je toestemming?
ResultatenHoe verzamel, orden en neem je de ideeën mee naar de volgende les?
Reflecteer na elke brainstorm: is iedereen aan het woord geweest, werkte de opstelling, wat deed de facilitator goed, was er sociaal wenselijk gedrag, werden ideeën ‘meegekletst’ of beïnvloed, en heb je gemeten wat je wilde weten?
🎯

Les 1.6 · Convergeren: kiezen en uitwerken

Les 1.6

Na het divergeren in de brainstorm ga je convergeren. Reflecteer eerst op de sessie: wat ging goed, wat kon beter, hoeveel ideeën zijn er, wat is het resultaat en hoe tevreden ben je? Pak dan de resultaten erbij en leg ze naast de probleemdefinitie, de hoofdvraag en de design criteria uit de design brief. Doel: per groep de drie beste ideeën bepalen.

How-Now-Wow-Ciao-matrix

Je verdeelt alle brainstormideeën over vier vakken. Op de dia staat moeilijkheid op de verticale as: boven moeilijk, onder makkelijk. How en Wow, de innovatieve ideeën, staan rechts.

VakPlekSoort idee
HowRechtsboven: moeilijkFuturistische ideeën en echte gamechangers. Maar hoe?
WowRechtsonder: makkelijkInnovatieve ideeën, echte doorbraken, en ook nog makkelijk te realiseren
NowLinksonder: makkelijkNiet echt spannend, wel makkelijk te realiseren met voldoende draagvlak, effect en weinig risico
CiaoLinksbovenNiet origineel én het gaat niet werken: ciao
Wow is innovatief én makkelijk te realiseren, How is innovatief maar moeilijk, Now is makkelijk maar niet spannend, Ciao valt af. In de pitch in de les presenteer je de How-, Now- en Wow-ideeën.

Pitchen en stemmen

In de les presenteert elke groep kort de organisatie, de context en de onderzoeksvraag en daarna de How-, Now- en Wow-ideeën. Het publiek stemt via Mentimeter op de drie beste oplossingen.

CommunicatieanalyseVraag
DoelgroepWie is de doelgroep en hoe houd je daar rekening mee?
Communicatief doelInformeren en adviseren, overtuigen, instrueren of motiveren?
KwaliteitZijn de drie ideeën goed beargumenteerd en aantrekkelijk gepresenteerd voor de opdrachtgever?
PraktischHoe lang, hoe sta je opgesteld, wat draag je, wie presenteert wat, welke hulpmiddelen, is bronvermelding nodig voor beelden of informatie?

De pitch voor de opdrachtgever

  1. Start met de huisvestingsvraagstelling en de context
  2. Presenteer alle resultaten van de brainstormsessie
  3. Licht kort toe wat daaruit naar voren kwam
  4. Presenteer de drie geselecteerde beste ideeën
  5. Keuzemoment: bepaal in overleg met de opdrachtgever één idee
  6. Presenteer de vervolgstappen

Gebruik de huisstijl van de organisatie, leg uit welke methode je gebruikte en waarom, en zorg voor interactie zodat de opdrachtgever meedenkt. Op de praktijkdag toets je de haalbaarheid van de drie ideeën bij de opdrachtgever en de belangrijkste stakeholders.

Werk de drie ideeën uit tot concrete, onderbouwde conceptvarianten, en schrijf daarna op waarom het gekozen concept het best past bij het project en het vraagstuk. Die onderbouwing heb je later nodig voor deelproduct B, en het beoordelingsformulier vraagt er expliciet om.

De keuze vormt de basis voor de volgende fase: een eerste tastbaar model van het meest geschikte idee, het prototype.

🎤

Les 1.7 · Interviewen en focusgroepen

Les 1.7

Doel: je bezoekt in week 8 als groep twee of drie vergelijkbare organisaties, interviewt er iemand en laat je rondleiden om ideeën op te doen. In periode 2 spreek je ook mensen in je eigen organisatie, één op één of in een groep.

InterviewEen persoonlijk gesprek waarin meestal één persoon vragen stelt aan een of meer anderen die vooral antwoorden. Face-to-face kun je toelichten, doorvragen bij onduidelijke of onvolledige antwoorden en non-verbale reacties zien. De onderzoeker bepaalt het onderwerp en kiest de respondenten.

Wanneer een interview?

  • Informatie van een specifieke, overzichtelijke groep (niet groter dan 25 personen)
  • Op zoek naar meningen, overtuigingen, handelwijzen
  • Benieuwd naar het waarom en hoe, niet naar wat of hoeveel
  • Persoonlijk bevragen, niet vastzitten aan een vast format
  • Patronen herkennen, niet generaliseren naar een hele groep

Wat heb je nodig?

  • Open houding en nieuwsgierigheid, en een open respondent
  • Een doel: weten waarnaar je zoekt
  • Een topiclijst en eventueel een protocol of script
  • Nauwkeurig geselecteerde respondenten (theoretical sampling)
  • Voorbereiding op de achtergrond van de respondent
  • Bij voorkeur een opname
Soort interviewKenmerk
Informeel (wandelgangen)Informatie on the go, weinig tijd, goed luisteren en doorvragen, geen opname, meteen daarna aantekeningen
Volledig ongestructureerdEén goede beginvraag, daarna luisteren, samenvatten, doorvragen
Half-gestructureerdInterview guide met onderwerpen en soms een paar richtinggevende open vragen, veel LSD
Gedeeltelijk gestructureerdInterview guide met onderwerpen én een lijst concrete vragen, deels gesloten met antwoordcategorieën
Geheel gestructureerdVragenlijst met vooral gesloten vragen en antwoordcategorieën

Dilemma's: een interview is vaak een statisch spel van vraag en antwoord, het belang ligt vooral bij de interviewer, structuur houden is lastig, uitwerken kost veel tijd (afluisteren, transcriberen, labelen), en de member check (goedkeuring door de respondent) komt vaak laat of niet.

Veelgemaakte foutWaarom een probleemZo voorkom je het
Te veel gesloten vragenBeperkt diepgang en nuanceOpen vragen, focus op thema's
Onlogische volgordeGesprek wordt onrustig en verwarrendOnderwerpen vooraf logisch ordenen
Te strak vasthouden aan vragenRemt spontane inzichtenRuimte laten om af te wijken
Onduidelijke formuleringenMisinterpretatie door respondentenVragen testen in een proefinterview
Verkeerde interviewvormOngeschikte dataAanpak afstemmen op je doel, niet onnodig gestructureerd

Onderzoekscyclus bij interviewen

FaseWat je doet
VoorbereidingWat wil ik weten (onderzoeksvragen)? Literatuur: welke theoretische concepten en wat hebben anderen al uitgezocht? Topiclijst en interviewvragen
UitvoeringAfname en opname van het interview
UitwerkingSamenvatting of transcript, analyse op de topics, resultaten. De antwoorden op je vragen zijn je conclusies

Voorbeeld uit de les

  • Vraag: welke factoren bepalen hoe middelbare scholieren hun kleding kiezen? Je interviewt 20 leerlingen.
  • Uit literatuur en een expert komen zes topics: merk, seizoen, soort kledingstuk, kleur, materiaal, sociale invloeden.
  • Protocol: toelichting op het interview, algemene vragen, vragen per topic, een afsluitende open vraag (‘is er nog iets wat ik vergeten ben?’), bedanken.
  • Uitwerking optie 1: transcriberen en coderen (bijvoorbeeld met kleuren per topic). Optie 2: afluisteren en per topic letterlijk noteren of samenvatten.
  • Analysetabel: topics als rijen, respondenten als kolommen, en een kolom samenvatting met overeenkomsten en verschillen. Die kolom wordt ‘resultaten van de interviews’ in je verslag.

Wandelgangengesprekken leg je ook vast: met wie, wanneer, in welke situatie en wat het opleverde.

  1. Bedenk wat je ook alweer wilt weten en wat je wilt zien en vragen
  2. Verdiep je in de persoon en de organisatie
  3. Zoek de belangrijke concepten op; AI mag helpen zoeken, maar raadpleeg de oorspronkelijke bronnen
  4. Maak een topiclijst
  5. Maak een interviewprotocol
  6. Formuleer de interviewvragen

Groepen interviewen

KenmerkGroepsinterviewFocusgroep
CommunicatierichtingVooral tussen onderzoeker en deelnemerVooral tussen de deelnemers onderling
Rol onderzoekerInterviewer: stelt vragen, controleertModerator of facilitator: begeleidt, stimuleert de discussie
DoelSnel en efficiënt individuele meningen verzamelenDieperliggende motivaties en groepsdynamiek achterhalen
SamenstellingKan divers zijnVaak homogeen: deelnemers delen kenmerken

Een focusgroep bestaat uit 6 tot 12 mensen die over het onderwerp veel kunnen zeggen. Je zet hem in om thema's te verkennen waarover nog weinig bekend is, om ideeën en suggesties te ontwikkelen (bijvoorbeeld bij een nieuw werkplekconcept) en om gedrag of opinies te doorgronden. Je bevraagt de groep, niet het individu.

FaseWerkwijze focusgroep
VoorbereidingBij voorkeur met meerdere begeleiders (inhoudelijk en notulist), goede locatie en tafelopstelling, min of meer gestructureerde vragenlijst met een volgorde die je mag loslaten
BeginIntroductie is cruciaal, verwachtingen managen, samen het doel bepalen
MiddenStart met eenvoudige, positieve en algemene vragen, geef iedereen de kans
EindePositief afronden als alles voldoende is uitgediept, eventueel een vervolgsessie
VerwerkingNotulen, audio of video, post-its en flip-overs; deel de uitkomsten en vervolgstappen met de deelnemers
📋

De design brief: opbouw en toelichting

Formats design brief les 1.2 en 1.3, handout 1.4

De design brief is een kort document met alles wat het designteam nodig heeft om het project te realiseren. Het is een communicatiemiddel dat het waarom, wat en hoe vastlegt, en het is work in progress: je werkt hem steeds bij. Analyse-uitwerkingen zet je in bijlagen. Na de feedback in les 1.5 is hij de basis voor onderdeel A van het huisvestingsveranderplan.

OnderdeelWat erin hoort
1 Algemene projectgegevensOpdrachtgevende organisatie, contactpersoon opdrachtgever (naam, functie, mail), projectgroepsleden, contactpersoon projectgroep, begeleidende docent
2.1 Vraagstuk opdrachtgeverKort en bondig de oorspronkelijke vraag of uitdaging
2.2 Interne analyseSterktes, zwaktes en kenmerken van de organisatie die invloed hebben op het vraagstuk
2.3 Externe analyseOntwikkelingen in de omgeving die invloed hebben op het vraagstuk
2.4 StakeholdersBelangrijkste interne en externe belanghebbenden met hun rol of invloed
2.5 Customer journeyDe journeys van de verschillende persona's
2.6 LiteratuurTheoretische inzichten, modellen en best practices om het probleem te begrijpen en op te lossen
3.1 Probleemanalyse (5W1H)Wie heeft het probleem, wat is het precies, waarom is het een probleem, wanneer en waar treedt het op, hoe is het ontstaan of hoe groot is de impact
3.2 ProjectdoelstellingWat opdrachtgever en groep aan het eind bereikt willen hebben, zo SMART mogelijk
3.3 DeliverablesWat je concreet oplevert, bijvoorbeeld een indelingsplan, meubilairtoolkit of nieuwe werkomgeving
3.4 Design criteria (MoSCoW)Waar de oplossing aan moet voldoen: must, should, could, would
4.1 PraktijkvraagOverkoepelende vraag die begint met ‘Hoe kan ...’
4.2 KennisvragenDeelvragen om de kennis te krijgen die nodig is voor de oplossing en de deliverables
4.3 OnderzoeksmethodenHoe je de data verzamelt die de kennisvragen beantwoordt
5 ProjectplanningPer fase (empathize, define, ideate, prototype, test, deliver) de activiteiten en een deadline
6 Overige aspectenWat de groep verder relevant vindt
7 BijlagenTeam canvas, interne en externe analyse, stakeholderanalyse, persona's, customer journeys, 5W1H-template en andere relevante bijlagen

MoSCoW in de design brief

PrioriteitBetekenis volgens het format
MustEisen waaraan móét worden voldaan voor een effectieve en werkbare innovatie
ShouldHoge prioriteit, maar niet per se vereist voor een werkbare innovatie
CouldEen optie als er tijd over is
WouldGeen prioriteit, kan in de toekomst nog eens worden bekeken

Een voorbeeldpagina uit de toolkit van het MUMC beschrijft de ontwerpuitdaging met vijf W's: wie (de doelgroep en de beoogde voordelen), wat (het probleem zo scherp mogelijk, zonder al in oplossingen te schrijven), waarom (waarom de innovatie belangrijk is voor de doelgroep), waar (de context waarin de innovatie gebruikt wordt) en wanneer (de grove tijdlijn). Een scherpe samenvatting geeft focus en kaders, haalt ruis weg met de opdrachtgever en helpt eisen van wensen te onderscheiden.

Let op: in de toolkit staat bij het ‘wat’ dat je het probleem zo scherp mogelijk beschrijft en vermijdt om in termen van oplossingen te schrijven. De oplossing komt pas in ideate.

Waar de peerfeedback op let

  • Per onderdeel: wat is goed en bruikbaar, en welke tips zijn er voor verbetering
  • SABKES: verbanden tussen alinea's, kernzin en één onderwerp, bronnen en APA, bondige actieve zinnen, correcte spelling
  • Natuurlijk taalgebruik: klinkt het passend voor een opdrachtgever, zonder vage, overdreven formele of standaard AI-formuleringen?
🏁

Leeruitkomsten en wat het eindproduct moet bevatten

Cursusinformatie, les 1.1, beoordelingsformulier 2026-2027

De doelen in gewone taal (les 1.1)

  1. Je schrijft een veranderplan voor een huisvestingsvraagstuk
  2. op basis van een gedegen onderbouwing (onderzoek en analyses);
  3. je werkt actief aan een verandertraject en houdt rekening met de belangen van stakeholders;
  4. je raakt bekend met verandermanagement, projectmanagement en werken aan gedragsverandering;
  5. je werkt samen met stakeholders en overtuigt ze van je plannen;
  6. je doet verbetervoorstellen voor de toekomst die bijdragen aan de doelen van de organisatie.

De officiële leeruitkomsten

LUKIn het kortWaar getoetst
2.1Veranderplan op basis van gedegen analyse, overtuigend presenterenRapportage (c)
2.2Projectleider: communiceren via mijlpalen en deliverables, sturen op tijd, geld en kwaliteit, inlevingsvermogenRapportage (c) en eindgesprek
2.3Deskundig in verandermanagement, projectmanagement, procesanalyse en gedragsbeïnvloeding in FMRapportage (a, c)
3.2Met diverse stakeholders samenwerken naar een afgestemd doel, oog voor morele belangen, cultuur en diversiteitRapportage (a, b) en eindgesprek
3.3Betrokkenen overtuigen met oog voor organisatiedynamiek, gesprekstechnieken, belang van de ander, gedragssignalenRapportage (c) en eindgesprek
4.2Organisatie- en sociaal-sensitief in analyse, oplossing en communicatieRapportage (c) en eindgesprek
5.1Investerings- en verbetervoorstellen op de lange termijn beoordelenRapportage (c)

Wat het huisvestingsveranderplan moet bevatten

OnderdeelInhoud volgens het beoordelingsformulier
a. Analyse en probleemdefinitie (empathize, define)Hoe je design thinking gebruikte en waarom; systematische contextanalyse met passende modellen en methoden (interviews, persona's, stakeholders, journeys, canvassen, modellen uit lean); verantwoording van methoden; passende theorie over FM en huisvesting, verandermanagement en gedragsbeïnvloeding; projectdoelstelling met managementvraag (hoe kan ...) en kennisvragen; ontwerpuitdaging met modellen zoals 5W1H en MoSCoW
b. Oplossingsontwerp (ideate, prototype, test)2 tot 3 onderbouwde conceptvarianten, één uitgewerkt; motivatie waarom dat concept het best past; hoe je stakeholders betrok bij varianten en keuze; prototype getest als pilot of anders, met stakeholders; feedback verkregen en gebruikt om het prototype te verbeteren; verantwoording van methoden
c. Implementatie en impact (implement)Hoe het geoptimaliseerde prototype een duurzame oplossing voor de lange termijn wordt; consequenties voor mens, organisatie en maatschappij in een implementatieplanning met mijlpalen, een communicatieplan voor stakeholders, randvoorwaarden en risico's; onderbouwing met verandermanagementtheorie; investeringsvoorstel met de financiële impact

Daarnaast geldt uit les 1.1: het eindverslag laat zien wat je voor de opdrachtgever hebt gemaakt, hoe je dat hebt gedaan en waarom het relevant is voor het vraagstuk. In het eindgesprek onderbouw je het eindresultaat en verantwoord je het groepsproces.

De cursusbeschrijving spreekt over drie oplossingsrichtingen, het beoordelingsformulier over 2 tot 3 conceptvarianten. In les 1.6 werk je met drie ideeën. Werk er dus drie uit; dan zit je aan beide kanten goed.
De onderdelen a, b en c moeten elk voldoende zijn, en het verslag moet door de knock-outs komen: checklist taal, een verzorgde eindpresentatie voor de opdrachtgever en een getekende verklaring dat het eigen werk is. Zie de pagina Toetsing voor de niveaus per criterium.