P1 les 1 · Het project opzetten en de organisatie begrijpen
Periode 1, les 1 en vakoverzichtJe werkt een half jaar (10 EC, 14 weken) met een team van maximaal vijf studenten aan een echte procesverbetering voor een externe opdrachtgever. Eén dag per week (dinsdag) werk je op locatie, daarnaast heb je les op de HAN en werk je ook op andere momenten aan het project. Eindproducten in periode 2: een verbeteradvies/overdrachtsdocument, een eindpresentatie en een persoonlijk portfolio.
DMAGIC en de tijdlijn
| Fase | Periode | Waar gaat het om? |
|---|---|---|
| Define | P1, sprint 1 (wk 1-3) | Opdracht, scope, klantwaarde |
| Measure | P1, sprint 2 (wk 4-5) | Current state, data, meetplan |
| Analyze | P1, wk 6-7 | Oorzaken, prioriteiten |
| Generate | P2, sprint 3 (wk 1-2) | Verbeterideeën, ontwerpcriteria |
| Improve | P2, wk 3-4 | Oplossing, implementatie |
| Control | P2, sprint 4 en afronding | Borging, overdracht |
Het vak in getallen: 14 weken, 4 sprints van drie weken, 6 DMAGIC-fases, 3 reviews bij de opdrachtgever (P1 week 4 en 7, P2 week 4) en 4 retrospectives (P1 week 4 en 7, P2 week 4 en 7). Week 7 van elke periode is afronding.
Beheersing: GOTIK
Geld (wat kost het, zitten we op budget?), Organisatie (wie doet wat?), Tijd (halen we de deadlines?), Informatie (wie wil wat weten?) en Kwaliteit (leveren we wat de opdrachtgever wil?). Communicatie met de opdrachtgever is daarbij essentieel.
Deel 2: procesverbetering begint bij de organisatie
De centrale vraag is niet 'wat kan efficiënter?' maar 'wat wil deze organisatie bereiken en hoe helpt dit proces daarbij?'. FM ondersteunt het primaire proces, dus een facilitair proces is altijd op maat van de organisatie. Een receptie in een ziekenhuis draait om veiligheid en rust, op een kantoor om snelheid en bereikbaarheid. Procesmanagement is meer dan efficiëntie: naast snelheid, kosten, taakverdeling en foutkans tellen ook klantgerichtheid, beleving, betrouwbaarheid, veiligheid, gastvrijheid, duurzaamheid en samenwerking.
| Stap | Van organisatiemissie naar facilitaire missie |
|---|---|
| 1. Begrijp de organisatie | Missie, visie, strategische speerpunten, kernwaarden |
| 2. Bepaal de betekenis | Wat vraagt de organisatierichting van FM? |
| 3. Formuleer FM-accenten | Bijvoorbeeld servicegericht, veilig, duurzaam |
| 4. Koppel aan processen | Past het proces bij die accenten en doelen? |
Het eerste bezoek
Zoek vooraf uit wat voor organisatie het is, wie de klanten zijn, welke missie, visie en kernwaarden zichtbaar zijn en wat er speelt (website, jaarverslag, beleidsstukken, nieuws, social media). Stel context-, proces-, stakeholder- en verwachtingsvragen. Kom om te begrijpen, niet om te beoordelen: toon respect voor de expertise van medewerkers, kom niet direct met oplossingen en vraag toestemming voor aantekeningen of opnames. Je bent te gast in een bestaande werkomgeving.
Persoonlijke ontwikkeling
Je beschrijft je startpunt (wat neem je mee uit jaar 1, welke rol neem je meestal in, welke feedback kreeg je vaker) en formuleert twee concrete leerdoelen die zichtbaar zijn in gedrag. Met je projectgroep vul je het teamcanvas in (mensen en rollen, doelen, waarden, regels en afspraken, sterktes en zwaktes, purpose).
Wat lever je deze week op?
- Ingericht scrumboard met rolverdeling (Product Owner en Scrum Master)
- Missie-visievertaling met drie facilitaire kernwoorden
- Bezoekvoorbereiding: 5 vragen voor de opdrachtgever, 5 observatiepunten, 3 aandachtspunten omgang medewerkers, 3 gedragsregels
- Startpunt portfolio (ongeveer ½ tot 1 A4) met twee leerdoelen en het teamcanvas
- Werkdag week 2: kennismaking opdrachtgever en medewerkers, FM Tech-enquête mondeling afnemen bij de facilitair manager
P1 les 2 · Van missie en visie naar KSF's, klantwaarde en kwaliteit
Periode 1, les 2Deze les vormt één keten van strategische richting naar meetbare kwaliteit: missie en visie, toegevoegde waarde, KSF's, klantwaarde, stakeholders en kwaliteit. Doel: een onderbouwde projectfocus kiezen.
Begin met het probleem helder krijgen via 5x W + 2x H (wat, waarom, waar, wanneer, wie, hoe, hoeveel) en zet de user story en product backlog op het scrumboard.
De elf mogelijke toegevoegde waarden: productiviteit verhogen, kosten verlagen, risico's beheersen, waardestijging, flexibiliteit verhogen, cultuur ondersteunen, imago ondersteunen, innovatie stimuleren, tevredenheid verhogen, duurzaamheid en healing environment (zorg).
De piramide: van missie naar KPI
| Laag | Vraag |
|---|---|
| Missie | Waarom bestaan we? |
| Visie | Waar willen we naartoe? |
| KSF's | Waarin moeten we uitblinken? |
| Doelstellingen | Wat gaan we concreet bereiken? |
| KPI's | Hoe meten we succes? |
Stakeholders
Breng eerst alle belanghebbenden in beeld (opdrachtgever, klant en gebruiker, interne organisatie, leveranciers en partners) met wie, belang en vraag. Prioriteer daarna met de macht-belangmatrix.
| Laag belang | Hoog belang | |
|---|---|---|
| Hoge macht | Tevreden houden (toezichthouder, budgetbewaker) | Nauw betrekken (opdrachtgever, directie) |
| Lage macht | Monitoren | Informeren (gebruikers zoals medewerkers en studenten) |
Kwaliteit, SERVQUAL en GAP-model
| SERVQUAL | Betekenis | FM-voorbeeld |
|---|---|---|
| Reliability | Doet consistent wat beloofd is | Schoonmaak altijd op het afgesproken tijdstip |
| Assurance | Kennis en vertrouwen | Receptionist geeft professioneel advies |
| Tangibles | Zichtbare zaken | Moderne, goed onderhouden faciliteiten |
| Empathy | Aandacht voor de klant | Helpdesk neemt klacht serieus en volgt op |
| Responsiveness | Bereidheid en snelheid | Storing snel opgelost |
| Gap | Wat gaat mis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| 1 | Management weet niet wat de klant verwacht | Studenten willen stilteruimtes, FM investeert in kantine |
| 2 | Klantwens niet vertaald naar normen | Geen maximale responstijd vastgesteld |
| 3 | Standaard niet uitgevoerd | Protocol dagelijks, realiteit 3x per week |
| 4 | Belofte niet waargemaakt | 'Morgen gefixt', duurt 3 dagen |
| 5 | Ervaring lager dan verwachting | Gevolg van gap 1 t/m 4 |
Praktijkvoorbeeld hogeschool
Missie 'studenten voorbereiden op een succesvolle loopbaan', visie 'meest studentgerichte hogeschool van de regio'. KSF's: beschikbaarheid studieruimtes, gastvrije snelle service. Klantwaarde: stilteruimtes (tangibles), snelle storingsafhandeling (responsiviteit), klachten serieus nemen (empathie). Gaps: gap 1 (kantine tegenover stilteruimtes) en gap 3 (protocol dagelijks, realiteit 3x per week).
Wat lever je deze week op?
- Minimaal 3 KSF's uit missie en visie, met argumentatie
- Klantwaarde met SERVQUAL als checklist, minimaal één gap met voorbeeld
- Projectfocus in één zin
- Werkdag week 3: meelopen in het hele proces, gesprek over kwaliteit met de leidinggevende, gesprekken met interne klanten over klantwaarde; procesbeschrijving en stakeholdermap uitwerken
P1 les 3 · Proces afbakenen, KPI's en procesbeschrijving
Periode 1, les 3 en de oefenspellen procesbeschrijvingAfbakenen
Leg vier dingen vast: het doel, het beginpunt (de trigger: wat heeft de klant nodig om te starten?), het eindpunt (wanneer is de klant klaar gediend?) en de klantwaarde; het doel volgt altijd uit die klantwaarde. Hetzelfde proces kan een ander doel hebben (schoonmaak in een ziekenhuis: infectiepreventie; op een hogeschool: prettige leeromgeving; in een fabriek: productie veilig en storingsvrij) of een andere scope doordat een andere afdeling verantwoordelijk is.
| Te smal | Te breed | Goed afgebakend |
|---|---|---|
| Alleen 'storing uitvoeren': mist context | 'Alles van facility management': onbeheersbaar | Van melding binnenkomen tot bevestiging aan de melder |
Vier procesniveaus
| Niveau | Wat | Voorbeeld |
|---|---|---|
| 1 Hoofdproces (hoogover) | Begin tot eind, max. 7 hoofdstappen; samenhang en doorlooptijd | Facilitaire dienstverlening |
| 2 Deelproces (flowchart) | Stappen en beslissingen; de logica, niet de uitvoering | Storingsafhandeling |
| 3 Werkproces (activiteiten) | Handelingen (werkwoorden); hier ontstaan wachttijd en variatie | Melding registreren en prioriteren |
| 4 Handeling (SOP) | Hoe één handeling precies gaat; consistentie en inwerken | Melding invoeren in systeem |
KPI's
Een KPI is een meetbare indicator (getal, percentage, score) die laat zien hoe goed het proces presteert op wat voor de klant het belangrijkst is. Hij krijgt pas betekenis met een norm. KPI's objectiveren (nulmeting), brengen focus aan en maken sturen en borgen mogelijk. De keten: klantwaarde (snelle storingsafhandeling), KSF (storingen snel oplossen), KPI (% opgelost binnen 8 uur, target 90%).
| KSF | KPI | |
|---|---|---|
| Aard | Kwalitatief, richtinggevend, uit missie en visie | Meetbare indicator plus norm, continu gemeten |
| Voorbeeld | Snelle en correcte responstijd op serviceverzoeken | Gemiddelde oplostijd 3,5 uur (target onder 4 uur) |
Een goede KPI is SMART. Format: '[Wat] is [hoeveelheid] [wanneer], gemeten door [methode], verantwoordelijk: [wie].'
Deel 2: het proces visueel beschrijven
Visualiseren geeft inzicht (wie doet wat), maakt verspilling zichtbaar (Lean-principe 2: identificeer de waardestroom), schept een gemeenschappelijke taal en is de basis voor verbetering. Doe het op de Gemba met de mensen die het werk doen, bijvoorbeeld in een brownpaper-sessie. BPMN-basissymbolen: startevent, eindevent, activiteit, beslissing (ruit), flow (pijl) en swimlane.
| Tool | Focus | Kies als je wilt weten... |
|---|---|---|
| Flowchart | Volgorde en beslismomenten | hoe het proces logisch in elkaar zit |
| Swimlane | Verloop en verantwoordelijkheden | wie welke stap uitvoert |
| Customer journey map | Beleving van de gebruiker | hoe de klant het ervaart |
| Service blueprint | Klantreis plus backstage | hoe klantervaring en interne processen samenhangen |
| Spaghettidiagram | Fysieke looproutes | of er te veel loopbewegingen zijn |
Leren van de oefenspellen
Swimlane storingsmelding (BPMN-spel)
Vier banen: melder (signaleert storing, meldt), servicedesk (registreert, controleert info, vraagt bij 'info compleet? nee' aanvullende info en gaat terug, bepaalt prioriteit, zet bij 'spoed? ja' direct door), facilitair coördinator (beoordeelt en wijst toe, kiest technische dienst of externe leverancier) en uitvoerder (voert herstel uit, meldt gereed). De servicedesk controleert en informeert en sluit de melding. Les: elke stap hoort in de baan van wie hem uitvoert, en een 'nee' bij een beslissing leidt tot een lus terug.
Schoonmaakprocessen op twee niveaus
Het spel 'dagelijkse schoonmaak' is het activiteitenniveau (planning ontvangen, inspecteren, afval, oppervlakken, sanitair, vloer, controle tegen de schoonmaaknorm, registreren, volgende ruimte). Het spel 'toilet en voorportaal' zit op handelingsniveau, met vier logische regels: voorbereiding, veiligheid (waarschuwingsbord plaatsen vóór je water gebruikt en pas weghalen als alles droog en klaar is), van schoon naar vuil (wastafel vóór toilet, tegen kruisbesmetting) en dweilen als laatste fysieke stap richting uitgang; registreren als allerlaatste stap.
Spaghettidiagram: ziekenhuismagazijn
In fase 1 liggen veelgebruikte 'snellopers' (zoals handschoenen en wondverband) achterin, waardoor de medewerker lange routes loopt. Door de snellopers vooraan te leggen en via batch picking (alles verzamelen, dan sorteren) te verzamelen in plaats van per order heen en weer te lopen, verdwijnt de transport- en bewegingsverspilling.
Wat lever je deze week op?
- Opdracht 1: procesnaam, beginpunt, eindpunt, gekozen niveau en 5 à 10 globale stappen
- Opdracht 2: tabel klantwaarde, KSF, KPI (SMART)
- Een visuele procesbeschrijving (in de les van het proces van een ander groepje)
- Werkdag week 4: review met de opdrachtgever (go/no go), brownpaper-sessie met medewerkers over de current state, sprint 2 ontwerpen
P1 les 4 · Procesbeschrijving digitaliseren en het meetplan
Periode 1, les 4 en invulformat meetplanDeel 1: van brownpaper naar Miro
Je digitaliseert de brownpaper om hem te bewaren, samen aan te werken en te analyseren. Werkwijze in vier stappen: board en template (flowchart of swimlane) klaarzetten in een 'current state'-frame, stickies overtypen (verdeel het werk), vervangen door BPMN-symbolen in swimlanes per rol, en live presenteren in presentation mode. Maak drie frames: current state, knelpunten (minimaal drie rode stickies) en verbeterideeën. Gebruik je schoolaccount en deel met can edit (groep), can comment (docent, opdrachtgever) of can view.
Deel 2: waarom meten?
- Feiten in plaats van onderbuikgevoel
- Een nulmeting (baseline) waarmee je later effect bewijst
- Scherpere probleemafbakening doordat je precies formuleert wat je meet
Soorten metingen
| Tijd | Betekenis | Voorbeeld uit de les |
|---|---|---|
| Doorlooptijd (lead time) | Begin tot eind, inclusief wacht- en ligmomenten | Melding indienen tot afmelding afgehandeld |
| Bewerkingstijd (cyclustijd) | Netto tijd die aan het werk wordt besteed | Monteur is 25 minuten bezig met de reparatie |
| Wachttijd | Case ligt stil tussen stappen: verspilling | Melding staat 2 dagen in de wachtrij |
Instrumenten voor tijdmetingen: stopwatch (korte bewerkingstijden), tijdkaart (medewerker registreert zelf), logdata uit het FMIS (doorlooptijden automatisch berekenen), tijdstudie (elke stap meerdere keren klokken) en multi-momentopname (hoeveel procent van de tijd gaat naar welke activiteit). PCE = waarde-toevoegende tijd gedeeld door totale doorlooptijd, maal 100%. Kwaliteitsmetingen: First Pass Yield (checklist/inspectielijst), on-time delivery, klanttevredenheid (enquête, NPS, rapportcijfer, SERVQUAL), mystery guest en klachtenregistratie (defect rate). Data is kwantitatief (getallen) of kwalitatief (woorden); het meetniveau (nominaal, ordinaal, interval, ratio) bepaalt welke analyse kan.
Het meetplan in 7 stappen
- Meetwaarden bepalen: 1 à 3 uitkomstmaten (Y) en invloedsvariabelen (X)
- Operationele definitie (U-D-M)
- Meetprocedure: wie, wanneer, welk instrument, hoe registreren, waar opslaan
- Eenheid vastleggen (meng nooit werkdagen en kalenderdagen)
- Steekproef: continue data minimaal 30, discrete data minimaal 100; aselect, systematisch of gestratificeerd, geen convenience
- Verantwoordelijkheden en planning: week 4 finaliseren en pilot, week 5 meten, week 6 opschonen en analyseren
- Analysedoel: wat wil je weten en welke grafiek of analyse gebruik je?
Voorbeeld uit het invulformat
KSF korte wachttijd. Unit: een lunchbezoek. Defect: wachttijd langer dan 4 minuten. Metric: wachttijd in minuten. Methode: stopwatch tijdens de lunchpiek, vastgelegd in Excel (bezoeker 1 t/m 75, kolom tijd en kolom opmerkingen). Steekproef: elke 10e bezoeker tussen 12:00 en 13:30 op dinsdag en donderdag gedurende 2 weken. Het format vraagt per KPI ook: waarom relevant (koppeling klantwaarde), analysedoel, wie meet wanneer, en hoe je zorgt dat iedereen precies hetzelfde meet.
Retrospective sprint 1
Je sluit de sprint af met de zeestermethode (blijven, meer, minder, beginnen, stoppen), kiest maximaal twee teamacties en geeft elkaar top en tip. Legt vast in het teamformat (foto zeester, samenvatting, 2 actiepunten) en het individuele format (welke feedback kreeg ik, wat zegt dit over mijn gedrag, wat probeer ik uit, waar wil ik opnieuw feedback op?).
Wat lever je deze week op?
- Een deelbare Miro-link met de digitale procesbeschrijving en knelpunten
- Een ingevuld meetplan als tabel (minimaal 3 KPI's met U-D-M, methode, steekproef en analysedoel)
- Team- en individueel format retrospective sprint 1
- Werkdag week 5: metingen voorbereiden en uitvoeren, eerste dataverwerking (werk met versies)
P1 les 5 · Metingen uitwerken
Periode 1, les 5Van ruwe meetgegevens naar een feitelijk onderbouwd procesbeeld: van 'wij denken dat het beter kan' naar 'de gemiddelde wachttijd is 6 minuten en piekt tot 10 minuten'. Controleer eerst of iedereen zich aan de U-D-M-definitie hield; corrigeer of verwijder afwijkende data.
Van losse metingen naar één dataset
- Bijeenbrengen: papier, Excel, FMIS-logs, enquêtes en observaties op één plek
- Structureren: 1 rij = 1 meting; kolommen voor nummer, datum/tijd, waarde en contextfactoren (X)
- Eenheden uniformeren
- Opschonen: fouten verwijderen, uitschieters valideren, ontbrekende waarden markeren
De juiste grafiek bij je vraag
| Grafiek | Beantwoordt |
|---|---|
| Run chart | Verandert het over tijd? |
| Histogram | Hoe is het verdeeld? |
| Pareto | Waar zit de meeste pijn (80/20)? |
| Boxplot | Verschillen groepen (teams, dagen, locaties)? |
| Scatterplot | Hangen X en Y samen? |
Beschrijvende statistiek: gemiddelde, mediaan (robuust bij uitschieters), modus, range en standaarddeviatie (laag = consistent proces). PCE-voorbeeld: 2 uur bewerking op 40 uur doorlooptijd = 5% PCE, dus 95% verspilling.
Data terug op je procesflow
| Visualisatie | Wat noteer je erop? |
|---|---|
| Flowchart | Tijdsduur en foutpercentage per stap |
| Swimlane | Overdrachten met de meeste wachttijd of fouten |
| Journey map | Tevredenheidsscores bij contactmomenten |
| Service blueprint | Tijds- en kwaliteitsdata frontstage en backstage |
| Spaghettidiagram | Aantal bewegingen en afstand per ronde |
Markeer de bottlenecks: daar komt de Analyze-fase op uit. Bijstellen van het meetplan is normaal: te weinig metingen, een definitie die niet eenduidig was, een ontbrekende variabele (bijvoorbeeld hoeveel klanten in de rij stonden) of onbetrouwbare systeemdata.
Praktijkcasus lunchservice
Gemiddelde wachttijd 6 minuten (piek 10 minuten rond 12:35), beschikbaarheid na 12:45 nog 60%, 25% van de gerechten onder 65°C. Het team bouwde een Excel-dataset met drie tabbladen, corrigeerde 2 typefouten, sloot 1 onvolledige enquête uit, maakte run chart, histogram en Pareto en markeerde de bottleneck bij uitgiftebalie en aanvullen voorraad.
Wat lever je deze week op?
- Eén opgeschoonde dataset
- Twee visualisaties: een tijdsbeeld en een vergelijking of rangschikking
- Procesflow met cijfers en gemarkeerde bottlenecks
- 1 à 2 concrete aanpassingen van het meetplan
- Werkdag week 6: metingen evalueren en bijstellen (zo dat oude en nieuwe data combineerbaar blijven), verder meten, uitwerken
P1 les 6 · Procesanalyse: van data naar oorzaken
Periode 1, les 6 en oefenspel 10 procesverspillingen| Soort | Voorbeeld | Actie |
|---|---|---|
| VA (waarde-toevoegend) | Technicus vervangt kapotte lamp | Behouden |
| BNVA (noodzakelijk, geen klantwaarde) | Storing registreren in het FMIS | Vereenvoudigen |
| NVA (verspilling) | Monteur wacht 10 minuten op een sleutel | Elimineren |
De 10 verspillingen in FM-processen
De eerste acht komen uit de Lean-traditie van Toyota; nummer 9 (onnodige administratie) en 10 (niet-ergonomisch werken) zijn FM-specifieke aanvullingen. Gebruik de lijst als checklist per processtap.
| Verspilling | Situatie uit het oefenspel (storingsproces) |
|---|---|
| Overproductie | Uit voorzorg werkplekken en vergaderruimtes gereedmaken zonder vraag |
| Wachten | Monteur wacht 45 minuten op de beheerder met de ruimtesleutel |
| Transport | Kapot armatuur wordt naar het hoofdkantoor 15 km verderop gereden ter goedkeuring |
| Overbewerking | Ruimte ongevraagd veel grondiger nagelopen en afgewerkt dan nodig |
| Voorraad | 500 tl-buizen 'voor het geval dat' die ruimte innemen en verouderen |
| Beweging | Monteur loopt heen en weer omdat gereedschap en sleutels niet op één plek liggen |
| Fouten en herstel | Verkeerd lokaalnummer na hernummering, werkbon terug ter correctie |
| Onbenut talent | Goed verbeteridee van de monteur, er gebeurt niets mee |
| Administratie | Digitale melding wordt 'voor de zekerheid' nog in een Excel-lijst overgetypt |
| Niet-ergonomisch | Met gedraaide rug werken en zwaar tillen zonder rolsteiger |
Knelpunt, oorzaak, prioriteit
Stap 1: leg meetresultaten naast de procesbeschrijving en markeer uitschieters; de bottleneck is de stap die de meeste vertraging veroorzaakt (in het voorbeeld 'toewijzen' met 120 minuten). Vergelijk op de Gemba wat je ziet met wat je data zegt. Stap 2: zoek oorzaken met Ishikawa (breedte, 6 M's: mens, methode, materiaal, machine, meting, milieu) en 5x waarom (diepte, tot een beïnvloedbare oorzaak). Stap 3: prioriteer met Pareto (80/20).
Casus storingsmeldingen
Kantoorgebouw met 400 werkplekken, doorlooptijd 5 werkdagen bij een norm van 3. Gevonden verspillingen: wachten (toewijzing duurt 2 dagen door papieren goedkeuring), onnodige administratie (melding op papier én digitaal ingevoerd), fouten en herstelwerk (terugkoppeling overgeslagen, melder belt terug). 5x waarom: papieren goedkeuring, goedkeuring niet ingericht in het FMIS, niet meegenomen bij implementatie, geen standaardprocedure bij systeeminrichting. Kernoorzaak: ontbrekende digitale workflow, niet de drukke manager.
Wat lever je deze week op?
- Procesbeschrijving met elke stap gelabeld VA, BNVA of NVA
- Minimaal 3 verspillingen
- Ishikawa en 5x waarom voor het grootste knelpunt: een root-cause-analyse als basis voor de tussenrapportage
- Werkdag week 7: review met de opdrachtgever, tussenrapportage opstellen en overdragen
P1 les 7 · Conclusie analysefase en retrospective sprint 2
Periode 1, les 7Geen nieuwe theorie, wel terughalen, afwegen en kiezen. Je bundelt de inzichten uit Define, Measure en Analyze tot onderbouwde kernproblemen: van beschrijven naar begrijpen, van meten naar duiden, van symptoom naar oorzaak, van losse signalen naar kernproblemen.
5x waarom bij de receptie
Lange wachtrijen, omdat medewerkers namen handmatig opzoeken, omdat het toegangssysteem hapert, omdat de koppeling met de bezoekersapp uitvalt, omdat een update niet automatisch wordt doorgevoerd, omdat er geen eigenaar of vast onderhoudsmoment is. Het kernprobleem is technisch onderhoud, niet 'te weinig personeel'.
Een goed kernprobleem
| Kenmerk | Voorbeeld |
|---|---|
| Specifiek en feitelijk, waar mogelijk met cijfers | Dossiers raken zoek; gemiddeld 4 uur per week verloren met zoeken |
| Gerelateerd aan klantwaarde | Raakt kwaliteit, beleving, veiligheid of efficiëntie |
| Herleidbaar tot oorzaken | Tickets blijven openstaan door dubbele registratie in twee systemen |
Welk knelpunt wordt kernprobleem? Toets aan vijf criteria: impact op klantwaarde, omvang en frequentie, oorzakelijkheid (oorzaak of symptoom), haalbaarheid binnen de scope en urgentie voor de opdrachtgever.
Voorbeeld: schoonmaak om 06:00 uur
Vergaderruimtes worden om 06:00 klaargezet voor meetings die pas 's middags starten; apparatuur, licht en klimaat staan onnodig vroeg aan. Kernprobleem: inefficiënte planning leidt tot onnodig werk en verspilling van middelen. Onderbouwd met de verspillingen wachten en overbewerking, de klantwaardecriteria en observatie plus planning- en energiedata. Passende verbeterfocus: efficiëntie.
| Verbeterfocus | Past bij |
|---|---|
| Efficiëntie | Snelheid, doorlooptijd, dubbel werk |
| Kwaliteit | Fouten reduceren, voorspelbaarheid, service |
| Beleving | Klanttevredenheid, gastvrijheid, ervaring |
Retrospective sprint 2
Nieuw: je kijkt eerst terug op de afspraken van de vorige retrospective (welke teamacties, wat lukte, wat bleef liggen; welk gedrag wilde ik uitproberen en wat heb ik ermee gedaan). Zo wordt ontwikkeling over meerdere sprints zichtbaar. Daarna zeester, maximaal twee teamacties en top en tip. Check of je actie nog bij je leerdoel past; bijstellen hoort bij ontwikkeling.
Wat lever je deze week op?
- 2 à 3 kernproblemen op A3 of Miro, met onderbouwing en gekozen verbeterfocus
- Tussenrapportage en tussenpresentatie bij de opdrachtgever
- Retrospective-formats sprint 2
- Werkdag P2 week 1: opstarten met de tussenrapportage, inchecken bij stakeholders, sprint 3 ontwerpen
P2 les 1 · Terugblik en verbeterrichtingen (Generate)
Periode 2, les 1Periode 1 ging over begrijpen: je weet wát er misgaat en waarom. Nu begint verbeteren in de Generate-fase. Verbeteren raakt mensen: of je advies landt, hangt af van cultuur, weerstand en draagvlak, niet alleen van hoe slim je oplossing is.
De menselijke kant is de motor: Kaizen (continu verbeteren als gewoonte), Gemba (daar zie je de kansen) en mensen (verspil nooit hun creatieve potentieel; vraag de receptionist, schoonmaker of technicus naar hun grootste ergernis).
Ideeën genereren
- Brainstormen: diverse blik (verschillende afdelingen), voed de sessie met klantfeedback, KPI's en ergernissen, geen idee te gek
- Omdenken vanuit klantwaarde: niet 'hoe verwerken wij meldingen sneller?' maar 'wat heeft de melder eigenlijk nodig?'
- Verbeteren met richting: toets aan missie, visie, strategie en de 11 facilitaire toegevoegde waarden (meervoudige waardecreatie)
| Weinig moeite | Veel moeite | |
|---|---|---|
| Veel impact | Quick wins | Structurele verbeteringen |
| Weinig impact | Fill-ins | Niet doen |
Lean als inspiratie: twee pijlers
Snelheid: laat het werk stromen
- Just in Time
- Flow
- Pull/Kanban
- Heijunka (pieken spreiden)
- Bottleneck/TOC
- 5S
Kwaliteit: bouw het goed in
- Jidoka
- Stop de lijn
- Poka-Yoke (fout kan niet gemaakt worden)
- Standaardisatie
- 5S
FM Tech (FMIS/servicedesk, sensoren en IoT, slim reserveren, dashboards) kan een verbeterrichting zijn, maar technologie is een middel, geen doel: toets steeds aan klantwaarde en strategie.
Voorbeeld facilitaire servicedesk
Meldingen blijven liggen bij één coördinator: doorlooptijd 6,5 dag, gebruikers verwachten binnen 2 dagen een reactie. Lenzen: klantwaarde (weten dat je melding is opgepakt), flow/pull (Kanban-bord nieuw, opgepakt, opgelost), bottleneck (de coördinator), Poka-Yoke (verplichte velden). Longlist: quick win verplichte velden plus automatische ontvangstbevestiging, structureel automatische routering plus meldingenbord.
Wat lever je deze week op?
- Longlist van minimaal 10 verbeterideeën, getoetst aan klantwaarde, FM-waarden en missie/visie/strategie
- Ingevulde impact/effort-matrix met minstens één quick win en één structurele verbetering
- 3 à 5 ontwerpeisen
- Werkdag week 2: brainstormsessies met medewerkers én met interne klanten voorbereiden, houden en de opbrengst digitaliseren
P2 les 2 · Van verbeterrichtingen naar gekozen ontwerp
Periode 2, les 2Een longlist is nog geen advies: de opdrachtgever wil een doordachte, onderbouwde keuze. Deze les is het scharnierpunt: van ideeën naar één samenhangend toekomstbeeld en een gekozen oplossing.
| Vorm | Kenmerk |
|---|---|
| Future-state map | Volledige waardestroom na verbetering, met tijden en informatiestromen |
| Service blueprint | Frontstage en backstage gescheiden; sterk voor beleving |
| Verbeterde flow | Aangepaste flowchart of swimlane: wat is geschrapt, samengevoegd of verplaatst |
Vergelijk richtingen op vier dimensies: haalbaarheid (80/20), impact (KKT-driehoek: kwaliteit, kosten, tijd), risico (eenvoud is een deugd) en aansluiting op de context (cultuur, systemen, bedoeling), die het vaakst wordt vergeten.
Voorbeeld storingsmeldingen
Een melding is gemiddeld 5 dagen onderweg terwijl het herstel minder dan een uur kost. Verspilling: 3x overtypen in 3 systemen en wachten in een gedeelde mailbox. Future state: één digitaal formulier dat direct in het FMIS landt, FIFO, akkoordstap geschrapt voor kleine storingen. Resultaat in het ontwerp: van 5 dagen naar minder dan 1 dag.
Kiezen met de PUGH-matrix
Kies niet op gevoel of op de hardste stem, maar navolgbaar en gedragen. Vijf stappen: representatieve groep (team plus stakeholders), maximaal 6 criteria met weging, baseline (huidige situatie) krijgt overal 0, scoor elk alternatief van min 2 tot plus 2 ten opzichte van de baseline, tel score maal gewicht op.
| Criterium | Weging | Optie A | Optie B | Optie C |
|---|---|---|---|---|
| Doorlooptijd | 5 | +2 | +1 | 0 |
| Invoeringskosten | 3 | -1 | 0 | -1 |
| Gebruiksgemak melder | 4 | +2 | +1 | +1 |
| Implementatierisico | 2 | -1 | 0 | -1 |
| Gewogen totaal | 13 | 9 | 0 |
Onderbouw de winnaar vanuit drie perspectieven: opdrachtgever (missie, KSF's, KPI's, kosten, imago), gebruiker (sneller, duidelijker, prettiger, betrouwbaarder) en proces (minder verspilling, betere flow, minder variatie). Dek het risico af met een pilot (klein testen in de echte omgeving), een simulatie of een gefaseerde invoering.
Wat lever je deze week op?
- Getekende future state van je eigen proces in een bewust gekozen vorm
- Ingevulde PUGH-matrix plus onderbouwde keuze met één risico en een pilotvoorstel
- Werkdag week 3: PUGH-matrix invullen met betrokken medewerkers (het blijft jullie advies; afwijkingen onderbouw je), implementatie bespreken, eerste schets implementatieplan
P2 les 3 · Veranderaanpak en draagvlak
Periode 2, les 3Een goed idee is nog geen verandering: een verbetering bestaat pas als mensen anders gaan werken. Verandering loopt langs ratio (feiten en cijfers) en gevoel (vertrouwen en betrokkenheid). Twee vaste succesfactoren: de mensen betrekken die het moeten doen en zichtbare betrokkenheid van het management.
Stap 1 t/m 4: van stakeholders naar draagvlak
- Wie heeft belang? Stakeholders (let op het rimpeleffect) met rollen sponsor, proceseigenaar, uitvoerders en gebruikers, geplaatst in de belang-invloed-grid
- Weerstand is normaal: 'mensen zijn dol op verandering als het hun eigen idee is'. Oorzaken: verlies aan controle, onzekerheid, overvallen worden, twijfel over kunnen, eerst meer werk, gezichtsverlies
- 20-60-20: voorstanders, onbesliste middengroep, tegenstanders. Laat voorstanders scoren met een quick win, dan volgt de middengroep
- Kotter-light: urgentie (eigen cijfers), coalitie (sponsor en ambassadeurs), communicatie (vaak, in twee richtingen), betrokkenheid (rollen en zichtbare quick wins)
Voorbeeld meldingensysteem
Een facility manager wil alle meldingen via één digitaal systeem. Baliemedewerkers vrezen verlies van persoonlijk contact (weerstand), de technische dienst ziet extra registratie als meer werk, de FM-manager is enthousiast (ideale sponsor) en ICT moet koppelen (vooraf raadplegen). Kotter-light: start met een pilot op één afdeling en maak het snelle succes zichtbaar.
Deel 2: wie weet, doet of besluit? RACI
Onduidelijke rollen geven dubbel werk, naar elkaar wijzen en beslissingen die blijven liggen. Leg per activiteit de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden vast.
| Rol | Betekenis |
|---|---|
| R Responsible | Voert het werk uit |
| A Accountable | Keurt goed, eindverantwoordelijk: altijd precies één |
| C Consulted | Vooraf om advies gevraagd (dialoog) |
| I Informed | Achteraf geïnformeerd (mededeling) |
| Activiteit | FM-manager | Studentteam | ICT | Balie | Gebruikers |
|---|---|---|---|---|---|
| Systeem inrichten | A | C | R | C | I |
| Werkinstructies opstellen | A | R | C | C | I |
| Baliemedewerkers trainen | A | R | C | R | I |
| Pilot op één afdeling | A | R | C | R | I |
| KPI's monitoren en bijsturen | A/R | R | I | C | I |
Wat lever je deze week op?
- Stakeholder- en communicatieplan (eerste versie): grid, weerstand met oorzaak, twee Kotter-light-acties
- RACI op hoofdlijnen voor 4 à 6 hoofdactiviteiten van de implementatie
- Werkdag week 4: review met de opdrachtgever, implementatieplan definitief uitwerken, sprint 4 ontwerpen
P2 les 4 · Implementatie en risico's
Periode 2, les 4 en format retrospective aanvulling stageEen advies dat niet wordt ingevoerd, levert de opdrachtgever niets op. Implementeren is het invoeren van de gekozen oplossing in het bestaande proces; in het implementatieplan staan alle activiteiten en wie, wat en wanneer in actie komt. Discipline is doorslaggevend.
Zes bouwstenen van het implementatieplan
| Bouwsteen | Toelichting |
|---|---|
| Activiteiten | Hoofd- en subacties, inclusief training, werkinstructies en begeleiding |
| Mijlpalen | Controleerbare ijkmomenten: training afgerond, pilot gestart, go/no-go |
| Verantwoordelijkheden | RACI, één Accountable per resultaat |
| Middelen | Mensen, budget, systemen, tijd; kritieke resources op naam |
| Randvoorwaarden | Wat moet kloppen vóór de start, zoals een werkende koppeling |
| Succescriteria | SMART, gekoppeld aan de KPI's uit periode 1 |
Bewaak afhankelijkheden en reken terug vanaf de wensdatum. Succescriterium zwak: 'medewerkers gebruiken het portaal beter'; sterk: 'binnen 8 weken wordt 80% van de meldingen via het nieuwe portaal ingediend'. Creëer eigenaarschap met Catchball: laat betrokkenen het plan aanvullen.
Casus self-service meldportaal
Activiteiten: portaal inrichten, categorieën en SLA's, werkinstructie, training, communicatie. Mijlpalen: testomgeving gereed, pilot gestart, go/no-go, organisatiebreed live. RACI: coördinator Accountable, FMIS-beheerder Responsible, ICT Consulted. Succescriteria: minimaal 80% meldingen via portaal, doorlooptijd 20% lager, tevredenheid minstens gelijk.
Deel 2: risico's beheersen met FMEA-light
Een plan dat alleen het ideale scenario beschrijft, is naïef. FMEA (Failure Mode and Effect Analysis, oorspronkelijk van NASA) spoort potentiële fouten op vóórdat ze optreden. Kernvraag per stap: wat zou hier fout kunnen gaan?
| Processtap | Wat kan fout gaan? | E | K | D | RPN | Maatregel |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Melding indienen | Gebruiker blijft bellen | 3 | 5 | 2 | 30 | Telefoonlijn afbouwen en communicatie |
| Categoriseren | Verkeerde categorie | 4 | 3 | 4 | 48 | Minder, heldere categorieën plus check |
| Toewijzen | FMIS-koppeling valt uit | 5 | 2 | 5 | 50 | Fallback-mailbox en monitoring/alert |
Niet de vaakst voorkomende fout krijgt prioriteit, maar de combinatie van ernst, kans en detectie. Maatregelen verlagen vooral kans en detectie; de ernst blijft meestal gelijk. Een OCAP is een vooraf klaarliggend noodplan met triggers.
| Invoeringsstrategie | Risico (oplopend) |
|---|---|
| Pilot: klein testen in de echte omgeving | 1 (laagst) |
| Gefaseerd: afdeling per afdeling | 2 |
| Schaduwdraaien: oud en nieuw naast elkaar | 3 |
| Big-bang: in één keer over, snel | 4 (hoogst) |
Randvoorwaarden voor een goede pilot: plan, datacollectieplan, communicatie, training, uitvoering volgens plan en evaluatie tegen de doelen. Te risicovol of te duur? Gebruik een simulatie.
Retrospective en eerste stap richting stage
Na de zeester en top en tip verken je wat je zoekt in een stageplek: welke plekken spreken je wel en niet aan en waarom, welke twijfels heb je, welke begeleiding vind je prettig, welke kwaliteiten zet je in en wat wil je verder ontwikkelen? Leg het vast in het format 'retrospective aanvulling stage'; het is input voor portfoliodeel 4.
Wat lever je deze week op?
- Concept-implementatieplan met de zes bouwstenen
- FMEA-light met top-3 risico's, maatregelen en verantwoordelijken, plus onderbouwde invoeringsstrategie
- Team- en individueel retrospective-format met stageoriëntatie
- Werkdag week 5: borgingsplan zelfstandig uitwerken, losse eindjes bijwerken
P2 les 5 · Borging en eigenaarschap (Control)
Periode 2, les 5| Bouwsteen | Wat leg je vast? | Voorbeeld storingsmeldingen |
|---|---|---|
| Standaardisatie | SOP/werkafspraak plus visueel management (5S: standhouden) | Korte SOP zichtbaar bij de servicedesk |
| KPI-opvolging | 1 à 2 KPI's met norm en ingrijpgrens, vast ritme | Doorlooptijd maximaal 4 dagen, minimaal 90% via centraal meldpunt |
| Eigenaarschap | Wie bewaakt dit na ons vertrek (naam of rol)? | Teamleider Facilitair wordt proceseigenaar |
| Evaluatiemomenten | Vast moment plus PDCA-ritme | Maandelijks de 2 KPI's in het teamoverleg, SOP bijstellen |
| Overdracht | Inhoud van het overdrachtsdossier, actief overgedragen | Dossier mondeling toegelicht |
| Lessons learned | Belangrijkste les uit het project | Draagvlak bij de servicedesk was beslissend |
Context van het voorbeeld: bij een zorginstelling kwamen meldingen via vijf kanalen binnen, raakten kwijt en de doorlooptijd liep op tot 11 dagen. Met één centraal digitaal meldpunt en een vaste afhandelvolgorde daalde die in de pilot naar 3 dagen. Zonder borging zou de afdeling binnen enkele maanden terug zijn bij de gele briefjes.
Wat lever je deze week op?
- Concept-borgingsparagraaf: ingevuld werkformat met de zes bouwstenen (één-op-één over te nemen in het eindadvies)
- Werkdag week 6: overdrachtsdocument opstellen en afstemmen met de opdrachtgever; alle benoemde stakeholders kennen hun rol
P2 les 6 · Overdracht en lessons learned
Periode 2, les 6Het vertrek van het team is het kwetsbaarste moment: zodra de aandacht verslapt, sluipt variatie terug. Kernregel: het project is pas af als de proceseigenaar het kan overnemen, niet als het rapport klaar is.
Het overdrachtsdossier
- Werkstandaard: SOP of EPL (visuele werkinstructie van één A4)
- Borgingsplan: KPI's, normen en evaluatieritme
- Eigenaarschap: wie is proceseigenaar, met welke afspraken
- Projectdocumentatie: analyse, current state en future state
- Losse eindjes en lessons learned
De overdracht maak je formeel in een overdrachtsgesprek of Tollgate met de belanghebbenden: korte samenvatting (storyboard), wat ging goed en fout, toets aan de succescriteria, formeel overdragen. Daarna verankeren (processen en procedures bijwerken) en toegankelijk archiveren. Zes stappen: documenteer, projectafsluiting, toets succes, draag over, veranker en archiveer, borg de lessen.
Lessons learned
In Lean gaat elke geleerde les terug de standaard in: observeren, verbeteren, vastleggen. Beslissingen gelden alleen voor de toekomst, dus het rendement is voor de opdrachtgever, het volgende team en je eigen stage. Vraag: wat ging goed, wat liep stroef, welke aanname klopte niet, wat is de belangrijkste les (best practice?) en voor wie is hij waardevol?
Voorbeeld vergaderzalen
Verbetering: één reserveringsformat, een vaste gereedmaak-checklist en een deadline voor cateringaanvragen. Overdracht: coördinator Facilitair wordt proceseigenaar, dossier met SOP, checklist en KPI's, Tollgate met opdrachtgever en zaalteam. Lessen: de checklist werd direct omarmd; cateringaanvragen kwamen te laat (opgelost via afspraak met de keuken); de aanname 'iedereen reserveert digitaal' klopte niet. Best practice: betrek keuken én receptie vanaf het begin.
Wat lever je deze week op?
- Een (eerste) compleet overdrachtsdossier in het werkformat: proceseigenaar, werkstandaard, borgingsplan, documentatie, losse eindjes, overdrachtsgesprek (datum en deelnemers)
- Lessons learned in het format: wat ging goed of kon beter, concrete les, voor wie, best practice?
- Werkdag week 7: overdrachtsdocument definitief, echt overdragen (gesprek of presentatie), stakeholders bedanken en netjes afscheid nemen
P2 les 7 · Afronding van het project
Periode 2, les 7 en format retrospective sprint 4Vandaag documenteren en overdragen, niet presenteren: de eindpresentatie volgt daarna. Control betekent dat het verbeterde proces betrouwbaar, voorspelbaar en herhaalbaar blijft; één keer goed werken is toeval. Afronden valt samen met de Act-stap van PDCA: werk de standaardwerkvoorschriften bij en zorg dat iedereen ze volgt.
| Einddossier | Controlevraag |
|---|---|
| Volledig | Is elke claim onderbouwd met data, observatie of bron? Ontbreekt een bijlage? |
| Consistent | Sluiten probleem, knelpunten, oplossing en plan logisch op elkaar aan? |
| Toegankelijk | Begrijpt de proceseigenaar het dossier zelfstandig? |
De overdracht volgt een tienstappenplan van voorbereiden op afsluiting tot afsluiting voltooien, met de Tollgate als scharnier: het moment waarop je met opdrachtgever en docent vaststelt dat het werk klaar is en de verantwoordelijkheid overgaat. Lessons learned gaan over de aanpak; de retrospective gaat over de samenwerking (wat hebben we gedaan, wat had beter gekund, wat nemen we mee) en voedt je portfolio.
Borgingskaart (één pagina per verbetering)
- Proces en afbakening: begin, eind, leverancier en klant
- Proceseigenaar: wie is na de overdracht verantwoordelijk en bevoegd?
- KPI 1 en KPI 2 met norm, bijvoorbeeld gemiddelde doorlooptijd en % binnen de norm
- Hoe geborgd: SOP, dagstart of visueel bord
- Losse eindjes: aankoop, training of besluit
Voorbeeld meldproces zorginstelling
Eén digitaal meldpunt in plaats van vier kanalen. Borgen met een mini-SOP, meten met twee KPI's op het visuele bord, overdragen via een Tollgate met het hoofd Facilitair Bedrijf (losse eindje: software), leren met de les 'betrek de werkvloer vanaf week 1'.
Het retrospective-format van sprint 4 vraagt daarnaast: welke situaties wil ik in mijn portfolio gebruiken, wat zegt dit over mijn leerdoelen richting stage, en na de eindpresentatie: welke feedback kreeg het team en wat zegt die over mijn bijdrage?
Wat lever je deze week op?
- Concept-overdrachtspakket: einddossier-check (checklist plus actielijst), borgingskaart, overdrachtsplan met 3 lessons learned en 3 retro-uitkomsten
- Retrospective-format sprint 4, aan te vullen na de eindpresentatie
- Daarna: eindpresentatie bij de opdrachtgever en overhandiging van de documenten
Scrum en samenwerken door het hele project
Les 1, retrospective-dia's in les 4, 7 en P2 les 4, formats retrospectivesScrum-light geeft ritme, transparantie en frequente afstemming met de opdrachtgever. Het bord is opgebouwd van grof naar fijn: product backlog, sprint backlog, taken die van to do naar doing naar done gaan.
| Element | Wat het is |
|---|---|
| User story | 'Als [stakeholder] wil ik [functionaliteit], om [reden].' Basis voor de product backlog |
| Product backlog | Alle te leveren items, geprioriteerd door de Product Owner; nooit af |
| Sprint backlog | Items voor deze sprint, opgedeeld in taken met eigen deadlines |
| Definition of done | Wanneer is het af, in welke vorm, hoe ziet het eruit? |
| Scrumboard | To do, doing (met verantwoordelijke), done, plus een kaart voor belemmeringen |
| Rol | Taak |
|---|---|
| Product Owner | Maximaliseert waarde, onderhoudt contact met de opdrachtgever, bepaalt als enige de prioriteit |
| Scrum Master | Bewaakt het proces, ruimt belemmeringen op, begeleidt review en retro; geen projectleider |
| Scrumteam | Zelfsturend en multidisciplinair; verdeelt zelf de taken |
| Bijeenkomst | Kernvraag | Met wie |
|---|---|---|
| Sprintplanning | Wat doen we deze sprint en wie doet wat? | Team (PO geeft sprintdoel) |
| Daily stand-up | Wat is af, waar ben ik mee bezig, welke belemmeringen? | Team, minimaal 3x per week, max. 15 min |
| Sprintreview | Wat hebben we opgeleverd, go/no go? | Mét opdrachtgever |
| Retrospective | Hoe werken we volgende sprint beter samen? | Zonder opdrachtgever, max. 1 uur |
De retrospective als leerlijn
Elke retrospective volgt de zeester (blijven, meer, minder, beginnen, stoppen), eindigt met maximaal twee teamacties en bevat een top en tip per teamlid. Vanaf de tweede retro kijk je eerst terug op de vorige afspraken. Bruikbare feedback is concreet en op gedrag gericht: 'ik merkte dat je de planning niet deelde, waardoor het voor mij onduidelijk was wat jouw voortgang was' in plaats van 'jij communiceert slecht'.
| Format | Inhoud |
|---|---|
| Teamverslag | Foto zeester, samenvatting (5-8 zinnen), inzichten, max. 2 actiepunten (wat, wanneer, wie bewaakt) |
| Individuele verwerking | Welke feedback kreeg ik, wat zegt dit over mijn gedrag, wat probeer ik uit, waar wil ik feedback op, past dit nog bij mijn leerdoel? |
| Aanvulling P2 week 4 | Zes vragen over stageoriëntatie |
| Sprint 4 | Situaties voor het portfolio, leerdoelen richting stage, aanvulling na de eindpresentatie |
Presentatievaardigheden (trainingen 1.5, 1.6, 2.5 en 2.6)
Trainingen presentatievaardigheden BMVier trainingen bereiden je voor op de adviespresentatie. Je werkt met een buddy, liefst niet uit je eigen projectgroep, die je feedback geeft. Volgens de trainingen telt de vorm (professioneel en overtuigend presenteren) voor 20% en de inhoud voor 80%; dat sluit aan op de vijf rubriccriteria van elk 20%.
| Training | Thema | Opdracht |
|---|---|---|
| 1.5 | Welk type presentator ben jij? Houding, spreekangst | SWOT meenemen; presentatie van 2 minuten zonder ppt met begin, kern en slot; huiswerk: 4-5 minuten over de eerste DMAGIC-fases |
| 1.6 | Presentaties oefenen en feedback, visualiseren | Max. 5 minuten presenteren, buddy vult feedbackkaartje in; buddy-feedback bij de review in week 7 |
| 2.5 | Structuur adviespresentatie, aansluiten op doelgroep, visualiseren | Concept adviespresentatie volgens PROA |
| 2.6 | Generale repetitie | Eindpresentatie oefenen met feedback |
Tips tegen spreekangst: oefenen, zorg dat je de inhoud echt snapt, leg direct contact met het publiek, probeer fysiek te ontspannen en focus op de inhoud.
Structuur: inleiding, kern, slot met PROA
| Onderdeel | Projectfase | Vraag |
|---|---|---|
| Probleem | Define en Measure | Wat is het probleem? |
| Risico | Measure | Wat is de omvang van het probleem? |
| Oorzaak | Analyze | Wat is de oorzaak? |
| Advies | Generate, Improve en Control | Welke mogelijkheden nemen de oorzaken weg, hoe implementeer je het, hoe houd je grip op de resultaten? |
Overtuigend en goed gevisualiseerd
- Eén boodschap per slide
- Onderbouw adviespunten met data (eigen onderzoek of literatuur) en in afstemming met stakeholders
- Denk vanuit de beslisser: wat heeft die nodig om ja te zeggen en wat maakt dat de opdrachtgever wil investeren?
- Visuals ontlasten het denken, ze versieren niet; beperk visuele ruis
- Show, don't tell: laat een knelpunt zien in een swimlane of flowchart in plaats van het uit te schrijven
- Tools: Canva, Draw.io, PowerPoint; swimlane, flowchart, organogram; tabellen en figuren volgens APA
Aansluiten op de ontvanger: wat wil hij, wat weet hij al, wat zijn zijn belangen en wat heeft hij nodig (wie beslist, meer focus op financiën of juist op argumenten)?