Thema 1 — Observeren (week 1 & 2)
Wat is onderzoek doen?
| Type | Kenmerken | Data |
|---|---|---|
| Kwantitatief | Smalle vraagstelling, vaste richtlijnen, gesloten categorieën | Getallen |
| Kwalitatief | Brede vraagstelling, open en flexibel, inzicht zoeken | Teksten, foto's, verslagen |
| Mixed methods | Combinatie van beide in één onderzoek (niet hetzelfde als triangulatie) | Beide |
Wat is observatieonderzoek?
- In 't veld of in een experiment
- Direct of indirect (aanwezigheid of beeldmateriaal)
- Verhuld of onverhuld
- Participerend of niet-participerend
- Gestructureerd of niet-gestructureerd
Wanneer kiezen voor observatieonderzoek?
- Je wil antwoord op een 'hoe' of 'wat' vraag over feitelijk gedrag
- Je wil de onderzoeksgroep zo min mogelijk lastigvallen
- Je wil zelf waarnemen hoe het er daadwerkelijk aan toe gaat (niet de politiek correcte beschrijving)
- Je wil kijken wat er gebeurt in de natuurlijke setting
- Je wil zien of mensen echt doen wat ze zeggen dat ze doen
Twee typen uitgelicht
Participerende observatie
De onderzoeker neemt actief deel aan het onderzochte proces of de groep. Meer begrip voor de context, maar groter risico op subjectiviteit.
Niet-participerende observatie
De onderzoeker observeert van buitenaf, zonder deel te nemen. Meer objectief, maar minder diep begrip van de context.
Voordelen en nadelen
| Voordelen | Nadelen |
|---|---|
| Gedrag vaststellen waarvan respondent zich niet bewust is | Alleen regelmatig terugkerend gedrag is geschikt |
| Doet geen beroep op de respondent | Motieven zijn niet te observeren |
| Taal speelt geen rol | Tijdrovend en relatief duur |
| Bij verhuld observeren speelt sociale wenselijkheid geen rol | Toestemming nodig bij niet-anonieme observaties |
| Mogelijkheid om de echte setting te bestuderen | Observator kan onbewust gedrag beïnvloeden of interpreteren vanuit vooroordelen |
Risico's en hoe je ze voorkomt
- Observeer concreet gedrag — geen interpretaties, maar waarnemingen
- Standaardisatie — gebruik een turflijst of scoreformulier als meetprocedure
- Time sampling — observeer alleen tijdens afgebakende perioden
- Event sampling — noteer alles gedurende een specifieke gebeurtenis
- Herhaalbaarheid — opnamen maken of onderzoek herhalen bij dezelfde doelgroep
- Triangulatie — combineer met eerdere onderzoeksmethoden die elkaar valideren
Observeren vs. interpreteren
Methoden
Shadowing
Je observeert iemand tijdens een actie om zijn of haar gedrag te bestuderen. Je 'volgt' iemand om data te verzamelen over keuzes, routes, houding en interacties.
Turflijst / scoreformulier
Een gestructureerd formulier waarop je per categorie turfjes zet. Zorgt voor gestandaardiseerde, objectieve dataverzameling.
Stappenplan observeren
Voorbeelden van observatieonderwerpen (in FM/events-context)
Thema 2 — Zakelijk en visueel communiceren (week 3)
5 doelen van communicatie
- Informeren — de ander iets laten weten
- Overtuigen — de ander iets laten geloven
- Appelleren — de ander iets laten doen
- Instrueren — de ander iets laten kunnen
- Motiveren — de ander iets laten willen
Communicatieanalyse — kernboodschap
Concreet — gebruik woorden die het publiek kan 'zien'.
Nieuws — bevat iets dat lezers nog niet weten.
Actief — geen hulpwerkwoorden, actieve zinnen.
Kernzin en alineaondersteuning
Overbodige werkwoorden weglaten
| Werkwoord | Fout | Beter |
|---|---|---|
| zullen | We zullen de mogelijkheden gaan inventariseren. | We inventariseren de mogelijkheden. |
| gaan | Morgen gaan we kijken naar de problematiek. | Morgen kijken we naar de problematiek. |
| willen | Ik wil u graag uitnodigen voor ons jubileum. | Ik nodig u graag uit voor ons jubileum. |
| kunnen | Ik kan morgen naar je huisfeest komen. | Ik kom morgen naar je huisfeest. |
Typen alineaondersteuning en verbindingswoorden
| Type | Verbindingswoorden |
|---|---|
| Opsomming | ten eerste, ten tweede, vervolgens, daarnaast, bovendien, tot slot |
| Oorzaak | de oorzaak hiervan is, doordat, daardoor, omdat, namelijk |
| Gevolg | bijgevolg, hieruit volgt, dus, daarom |
| Reden | want, omdat, immers, namelijk, aangezien, vanwege |
| Voorbeeld | bijvoorbeeld, zoals, ter illustratie, dat blijkt uit |
| Voorwaarde | als, indien, wanneer, tenzij, mits |
| Tegenstelling | echter, maar, toch, enerzijds – anderzijds, daar staat tegenover |
| Vergelijking | evenals, eveneens, net als, in vergelijking met |
| Conclusie | kortom, samengevat, met andere woorden, concluderend |
| Tijd | daarna, eerst, intussen, nadat, vervolgens, tot nog toe |
Tekstmodel
Beeldtaal — 3 niveaus van beeldwaarneming
1. Gestalttheorie — perceptie
Hoe nemen we beelden visueel waar? Gestaltprincipes beschrijven hoe het oog patronen, groepen en figuren herkent (nabijheid, gelijkenis, sluiting, continuïteit).
2. Semiotiek — betekenis
De studie van tekens en symbolen en hun betekenis. Beelden communiceren op meerdere niveaus: het letterlijke (denotatie) en de bijbetekenislaag (connotatie).
3. Retorica — overtuigen
Ethos — uitstraling, geloofwaardigheid, deskundigheid.
Pathos — emotie, verbinden met het publiek.
Logos — feiten, logica, inhoud.
Elementen van goede beeldtaal
- Doel en doelgroep — duidelijk waarvoor en voor wie
- Kleurgebruik — past bij huisstijl, aantrekkelijk, consistent, goed leesbaar
- Lettertype — past bij huisstijl, aantrekkelijk, consistent
- Indeling — tekstblokken van gelijke omvang, logische uitlijning
- Taalgebruik — geen spelfouten, consistente opsommingen
- Balans — goede verhouding tekst en beeld
- Informatiedichtheid — niet te veel, niet te weinig
- Toegevoegde waarde — verduidelijkt iets, het doel wordt behaald
Thema 3 — Interviewen (week 4 & 5)
Wanneer kiezen voor interviewen?
- Je wil informatie van een specifieke groep mensen
- Het aantal respondenten is overzichtelijk — vuistregel ongeveer 10–25, afhankelijk van onderzoeksopzet en saturatie
- Je bent op zoek naar meningen, overtuigingen of handelswijzen
- Je bent benieuwd naar het 'waarom' en het 'hoe' (niet naar wat of hoeveel)
- Je wilt mensen persoonlijk bevragen
- Je wilt niet vastzitten aan een vast format
- Je bent op zoek naar het herkennen van patronen
- Je wilt niet generaliseren naar een hele groep
Open vs. gesloten interview
Open (ongestructureerd) interview
Start met een vaste open startvraag. Vervolgvragen hangen af van het antwoord van de respondent. Soms gebruik van een topiclijst. Veel ruimte voor persoonlijke inbreng.
Voorbeeld: "Hoe ervaart u het evenement?"
Gesloten (gestructureerd) interview
Vragen staan op voorhand vast. Respondent heeft enkele antwoordmogelijkheden. Weinig ruimte voor persoonlijke inbreng. Sterk gericht op een bepaalde richting.
Voorbeeld: "Is dit de eerste keer dat u dit evenement bezoekt?"
Face-to-face en focusgroep
LSD-techniek
Voorbereiding: probleemanalyse naar vraagstelling
Topiclijst opstellen
Dilemma's bij interviewen
- Interview is vaak een statisch spel van vraag-antwoord
- Belang van gegevensverzameling ligt alleen bij de onderzoeker
- Lastig om structuur te houden — gesprek gaat alle kanten op
- Uitwerken kost veel tijd: transcriberen en analyseren in labels
- Member check — goedkeuring van de respondent komt vaak pas achteraf
Post-it methode
Aanpak
Opbrengst
- Schema van trefwoorden (op post-its) die door de geïnterviewde in verband zijn gebracht
- Mondelinge toelichting van de geïnterviewde bij het schema
- Aantekeningen van de onderzoeker tijdens en na het interview
- Opname en eventuele uitwerking van het totale interview
Voordelen en nadelen
| Voordelen | Nadelen |
|---|---|
| Geen transcripten nodig | Vereist ervaring van de interviewer |
| Controlemiddel over inhoud tijdens het interview | Onderbrekingen halen vaart uit het gesprek |
| Betere essentie door analyse tijdens het interview | Duurt langer dan een 'normaal' interview |
| Structuur in het interview |
Thema 4 — Enquêteren (week 6 & 7)
Kwalitatief vs. kwantitatief (herhaling)
| Kwalitatief | Kwantitatief |
|---|---|
| Interviews | Vragenlijsten / enquêtes |
| Mondeling | Schriftelijk of mondeling |
| Inductief | Deductief |
| Respondent bepaalt antwoorden | Onderzoeker bepaalt antwoorden vooraf |
| Vraag naar 'WAAROM' | Vraag naar 'WAT' of 'HOEVEEL' |
| Open vragen | Gesloten vragen |
| Kleine 'n', patronen herkennen | Grote 'n', generaliseren |
Operationaliseren
Antwoordcategorieën
- Één keuze — respondent kiest één antwoord (bijv. leeftijdscategorie)
- Meerdere keuzes — respondent kan meerdere opties aanvinken
- Schaal (tegenstellingen) — respondent geeft positie aan op een schaal (bijv. mooi — lelijk)
- Open — respondent formuleert zelf een antwoord (gebruik spaarzaam bij enquêtes)
Meest gemaakte fouten bij enquêtes
- Suggestieve vragen — duw de respondent niet in een richting ("Vindt u ook niet dat…")
- Dubbele vragen — stel niet twee dingen tegelijk ("Vindt u de service en de prijs goed?")
- Dubbele ontkenningen — vermijd lastig te ontcijferen formulering ("Bent u het er niet mee eens dat…")
- Slechte antwoordopties — te weinig keuzes, niet dekkend, of tegenstrijdige opties
- Ontbrekende inleiding — respondent weet niet waar de enquête over gaat
- Verkeerde doelgroep — vragen of taal sluiten niet aan bij de respondenten
- Te veel open vragen — verwerking van data kost onnodig veel tijd
Verwerken van data
Presentatievormen
- Tabel — overzichtelijk voor meerdere variabelen naast elkaar
- Grafiek — visuele weergave van verdeling (staaf, cirkel, lijn)
Centrummaten
Geven een indicatie van het midden van de dataverzameling.
- Gemiddelde — som van alle waarden gedeeld door het aantal
- Mediaan — middelste waarde bij gesorteerde reeks
- Modus — meest voorkomende waarde
Validiteit en betrouwbaarheid
Validiteit borgen
- Gebruik een gevalideerd (bewezen) instrument
- Baseer de vragenlijst op eerder onderzoek
- Laat de enquêtevragen door iemand anders controleren
- Houd een proefenquête — begrijpt de respondent de vragen?
- Benader de juiste doelgroep met een representatieve steekproef
Wanneer is je onderzoek niet valide?
- Selecte steekproef (bijv. nationale vraag beantwoord met enquête op middelbare school)
- Tevredenheidsonderzoek uitgevoerd door de CEO
- Suggestieve vraagstellingen ("Waarom vindt u Nijmegen zo'n fijne stad?")
- Vragenlijst die niet meet wat je wilt weten
- Slechte operationalisatie van begrippen
Kwalitatief: heeft de onderzoeker niet teveel gestuurd? Is het onderzoek objectief en zijn de data goed vastgelegd en geanalyseerd?
Betrouwbaarheid borgen
- Grote steekproefomvang — hoe groter, hoe betrouwbaarder
- Testen en hertesten — herhaal het onderzoek
- Peer-examination — laat resultaten door iemand anders controleren
- Triangulatie — combineer meerdere onderzoeksmethoden
Wanneer is je onderzoek niet betrouwbaar?
- Onderzoek naar alle Nederlanders met slechts 20 respondenten
- Respondent weet het antwoord niet en vult maar wat in
- Te lange vragenlijst — respondenten haken af
- Iemand interviewen in aanwezigheid van anderen (sociaal wenselijke antwoorden)
Thema 5 — Steekproef en data-analyse
Steekproefgrootte bij enquêtes
Voor een representatieve steekproef geldt de standaardformule:
n = (1,96² × 0,5 × 0,5) / 0,05² = (3,84 × 0,25) / 0,0025 ≈ 385 respondenten.
Bij een eindige populatie corrigeer je: n_corr = n / (1 + (n−1)/N), waarbij N de totale populatie is. Voor een organisatie van 200 medewerkers wordt n_corr aanzienlijk lager.
Soorten steekproef
- Aselect (random) — elk lid van de populatie maakt evenveel kans. Best voor representativiteit.
- Selecte steekproef — onderzoeker kiest gericht. Sneller, maar niet generaliseerbaar.
- Gestratificeerd — populatie verdelen in groepen (strata: leeftijd, afdeling) en in elk stratum aselect trekken.
- Cluster — eerst clusters trekken (bijv. afdelingen), daarbinnen alle leden onderzoeken.
Kwantitatieve data-analyse
| Maat | Wat het zegt | Wanneer |
|---|---|---|
| Gemiddelde | Som / aantal | Symmetrische verdeling, geen uitschieters |
| Mediaan | Middelste waarde na sorteren | Bij uitschieters of scheve verdeling |
| Modus | Meest voorkomende waarde | Bij categorische data |
| Standaarddeviatie | Spreiding rond het gemiddelde | Hoe consistent zijn de antwoorden? |
| Frequentie % | Aandeel per categorie | Bij meerkeuzevragen |
Visualiseer met staafdiagrammen, histogrammen of boxplots. Excel of SPSS volstaan voor HBO-onderzoek.
Kwalitatieve data-analyse — coderen
Bij interviews en open vragen gebruik je drie analyserondes:
- Open coderen — fragment voor fragment label geven (één begrip of zin per code).
- Axiaal coderen — codes groeperen in thema's of categorieën die bij elkaar horen.
- Selectief coderen — kernthema's destilleren die antwoord geven op de onderzoeksvraag.
Tools: een Excel-codeboek volstaat; ATLAS.ti of NVivo zijn handig bij grote datasets. Belangrijk: leg het codeboek vast (welke code betekent wat), zodat een tweede onderzoeker dezelfde uitkomst zou krijgen — dat is je betrouwbaarheidsbewijs.
Triangulatie
- Methode-triangulatie — combineer interview + observatie + enquête.
- Bron-triangulatie — meerdere bronnen vergelijken (managers, medewerkers, klanten).
- Onderzoeker-triangulatie — twee onderzoekers analyseren onafhankelijk; vergelijk uitkomsten.
Wanneer meerdere methoden of bronnen wijzen op hetzelfde resultaat, neemt de geloofwaardigheid van je conclusie toe.