Introductie: huisvesting als onderdeel van FM
Les 1.1Huisvesting is een onderdeel van Workplace Management (WPM) in het tweede jaar, naast het praktijkproject, verandermanagement en veranderingen doorgerekend. Het vak bouwt voort op het onderdeel huisvesting uit Basis van FM in de propedeuse en gaat vooraf aan Corporate Vastgoedmanagement in jaar 4. Je kruipt in de rol van huisvestingsadviseur: je moet de taal spreken van de gebruikers én van de partijen die bouwen.
Wat je na het vak moet kunnen (leeruitkomsten)
| Leeruitkomst | Kern |
|---|---|
| Inhoud | Huisvestingsvraagstukken analyseren, bestaande huisvesting analyseren en nieuwe huisvesting en diensten ontwerpen die waarde creëren voor stakeholders; hun behoeften achterhalen. |
| Wereldburgerschap | Maatschappelijke aspecten meenemen, de impact op duurzaamheid (milieu en mens) motiveren en keuzes onderbouwen met waarde die verder gaat dan geld. |
| Business management | Huisvestingsbeslissingen financieel motiveren en verantwoorden. |
Wat bepaalt hoe een gebouw eruitziet?
De les noemt de belangrijkste kenmerken van gebouwen. De keuze voor elk kenmerk hangt af van de organisatie, haar activiteiten en de branche (een zorginstelling heeft andere gebouwtypes dan een kantoororganisatie).
| Kenmerk | Voorbeelden |
|---|---|
| Locatie | Stadslocatie, snelweglocatie, campuslocatie |
| Gebouw | Constructie en structuur, omvang in m2 |
| Gebouwinstallaties | Werktuigbouwkundig (water, warmte, ventilatie, koeling), elektrotechnisch (alles op stroom: stopcontact, lift, roltrap, computers), overige (wifi, brandvoorzieningen, toegangscontrole) |
| Gebouwafwerking | Waarmee het gebouw is afgewerkt |
| Inrichting | Meubilair |
| Financiering | Van wie is het gebouw en wat is het waard |
| Gebruiksaspecten en diensten | Hoe het gebouw gebruikt wordt, gebouwgebonden facilitaire diensten |
Een gebouw is meer dan een stapel stenen
De les gebruikt het schema input, throughput, output, outcome. Input zijn materialen, mensen, geld en bouwplannen; throughput zijn de activiteiten om het gebouw te bouwen; output is het gebouw. De vraag is wat de outcome is: wat levert dat gebouw de organisatie en haar mensen op? Daar draait het vak om.
De huisvestingscyclus
| Fase | Wat er gebeurt |
|---|---|
| 1. Startpunt: initiatieffase | Er is een aanleiding om te (ver)bouwen of te verhuizen. Wat is de context, wie ga je huisvesten, is er al een gebouw en is dat geschikt? |
| 2. Programma van eisen | De behoeften worden vertaald naar eisen: huisvestingsvisie, werkplekconcept, functionele, ruimtelijke en technische eisen, facilitaire aspecten. |
| 3. Ruimtelijke uitwerking | Eisen worden een ontwerp: ruimtestaat, vlekkenplan, wanden- en inrichtingsplan. |
| 4. Beheer en exploitatie | Het gebouw wordt gebruikt, beheerd en onderhouden (onder meer met een MJOP). |
Het is een cyclus: verandert de situatie, dan begint het proces opnieuw. De opbouw van de cursus volgt deze fasen.
Wat doet een FM'er bij huisvesting?
Uit het artikel bij de les: een facility manager werkt zowel operationeel (continuïteit, storingen oplossen, leveranciers aansturen) als strategisch (beleid, huisvestingsstrategie, verduurzaming van de vastgoedportefeuille, aansluiting op de bedrijfsdoelen). Bij huisvesting en verhuizingen is de FM'er de centrale regisseur:
- ruimtebehoefte inventariseren en een programma van eisen opstellen;
- geschikte locaties of gebouwen selecteren en beoordelen;
- inrichting, verbouwing of aanpassing aansturen;
- de fysieke verhuizing coördineren, inclusief ICT en meubilair;
- communiceren met medewerkers over planning en nieuwe werkomgeving;
- het proces evalueren en leerpunten vastleggen.
De vacatures bij de les laten zien welke competenties daarbij horen: stakeholdermanagement, businesscases en scenario's opstellen, ervaring met werkplekconcepten zoals activiteitgericht werken (AGW), contractmanagement en het bewaken van een MJOP.
De casus
Het portfolio werkt aan een fictieve casus: je bent consultant voor de facility manager van een woningcorporatie die een bestaand gebouw heeft gekocht. In dat gebouw komen het kantoor en woonunits. Week 1 levert de contextanalyse: missie, visie en strategie, doelgroepen, werkzaamheden in het kantoor, bezoekers en maatschappelijke en externe ontwikkelingen.
Organisatiegericht huisvesten
Les 1.2Organisatiegericht huisvesten kijkt naar huisvesting als bedrijfsmiddel: wat moet het gebouw bijdragen aan de doelen van de organisatie? Deze les levert de begrippen die het hele vak terugkomen: huisvestingscomponenten, impact, toegevoegde waarde, prestatievelden, hoofdprocessen en stakeholders.
Aanleiding: de initiatieffase
Er is altijd een aanleiding om te (ver)bouwen, bijvoorbeeld ruimtegebrek of ruimteoverschot, het aflopen van een huurcontract, een reorganisatie of fusie, een slechte locatie, een verouderd gebouw of te hoge kosten.
Zes huisvestingscomponenten
| Component | Wat valt eronder |
|---|---|
| Locaties | De plek met bereikbaarheid, zichtbaarheid en omgeving; ook het grondoppervlak met omvang en bodemcondities. Sterk bepalend voor waarde en kosten. |
| Gebouwen | Fysieke constructies waarin mensen beschermd tegen buitencondities activiteiten uitvoeren. Lagen: draagstructuur (casco), gevels, technische installaties en binnenwanden. |
| Interieur | Alle vaste en losse inrichting en afwerking: balies, keukens, meubilair, planten, kunst, vloer- en wandafwerking, fietsenrekken. |
| Financieringsvormen | Juridische mogelijkheden om vastgoed en inrichting te verwerven en de kosten te dragen. |
| Gebruiksprincipes | Hoe mensen de huisvesting gebruiken: openingstijden, gedragsregels (clean desk), werkplekconcept, reserveren. |
| Gebouwgebonden facilitaire diensten | Diensten die nodig zijn om het gebouw te kunnen gebruiken: schoonmaak, beveiliging, groen, onderhoud. |
Impact van huisvesting
Huisvesting heeft direct impact op vier gebieden: mensen, proces en product, maatschappij en economie. Daarnaast werken die gebieden op elkaar door (indirecte impact): impact op mensen beïnvloedt proces en product, proces en product beïnvloeden de economische impact, en maatschappelijke impact werkt door op mensen en op de economie.
Voorbeeld uit de les
Een ingenieursbureau richtte een monumentaal gebouw zo in dat medewerkers elkaar ontmoeten: koffiecorners ver uit elkaar, overdekte binnentuinen als ontmoetingsplek, geen persoonlijke kamers. Dat is impact op mensen (beleving, trots) die doorwerkt op samenwerking (proces). Een gebouw kan ook negatieve impact hebben, bijvoorbeeld een slecht binnenklimaat dat tot klachten en verzuim leidt.
Twaalf toegevoegde waarden van huisvesting
| Groep | Toegevoegde waarde | Voorbeelden van de bijdrage |
|---|---|---|
| Mensen | Tevredenheid | Behoeften van medewerkers, klanten en bezoekers vervullen: aantrekkelijke locatie, comfortabel interieur, gezond binnenklimaat, balans tussen communicatie, concentratie en privacy |
| Mensen | Imago | Gebouw inzetten voor branding en corporate identity, bijvoorbeeld zichtbare duurzaamheid of een gastvrije sfeer |
| Mensen | Cultuur | Stijl afstemmen op kernwaarden, samenwerking stimuleren, statussymbolen vermijden |
| Mensen | Gezondheid en veiligheid | Rustige werkplekken, beweging stimuleren, ergonomie, gezond binnenklimaat, daglicht, bhv |
| Proces en product | Productiviteit | Activiteitgerelateerde werkplekken, korte looplijnen, goede ICT, keuzevrijheid thuis of op kantoor |
| Proces en product | Aanpasbaarheid | Constructie, installaties en inbouw loskoppelen, modulair bouwen, flexibele werkplekken, mix van huur en eigendom |
| Proces en product | Innovatie en creativiteit | Inspirerende inrichting, formele en informele overlegplekken, stilteplekken |
| Proces en product | Risico | Veiligheids-, gezondheids- en financiële risico's beheersen: brandpreventie, toegangsbeheer, courant vastgoed |
| Economie | Kosten | Investerings- en exploitatiekosten verlagen, efficiënt ruimtegebruik, werkplekken delen, energie besparen |
| Economie | Waarde van vastgoed | Slimme locatiekeuze, planmatig onderhoud, renovatie en herbestemming |
| Maatschappij | Duurzaamheid | Energiebesparing, milieuvriendelijke materialen, circulair bouwen, minder afval |
| Maatschappij | Maatschappelijk verantwoord ondernemen (CSR) | Gezonde werkomgeving, rekening houden met de omgeving, gebruikers en omwonenden betrekken, lokale werkgelegenheid |
Van toegevoegde waarde naar huisvestingsvisie
De huisvestingsvisie volgt uit de organisatie: missie (waarom bestaan we?), visie (wat willen we zijn?), kernwaarden (waar geloven we in?) en strategie (wat moeten we doen?). De vraag daaronder is: wat hebben we daarvoor nodig, en welke rol speelt de huisvesting daarin? Je kiest welke toegevoegde waarden de huisvesting moet leveren en vertaalt dat naar een visie.
Huisvestingskosten en de markt
Huisvestingskosten (huur- en servicekosten van vastgoed) zijn gemiddeld 5 tot 15% van de bedrijfskosten; personeelskosten zijn in de meeste branches veel groter. Kijk bij huisvestingskeuzes daarom niet alleen naar de huisvestingskosten, maar ook naar wat het gebouw bijdraagt aan mensen en productiviteit. De les laat ook zien dat vraag en aanbod veranderen; de dia zet daarvoor coworking spaces en managed spaces naast elkaar.
Vier prestatievelden
| Prestatieveld | Waar gaat het om | Voorbeelden van prestatie-indicatoren |
|---|---|---|
| Technisch | Bouwtechnische en bouwfysische kwaliteit | Staat van constructie, gevel en installaties |
| Functioneel | Praktische bruikbaarheid | Bereikbaarheid en parkeren, toegankelijkheid, doelmatigheid, flexibiliteit, veiligheid, ruimtelijke oriëntatie, privacy en sociaal contact, fysiek comfort |
| Esthetisch | Architectonische kwaliteit, uitstraling, identiteit, herkenbaarheid | Beeldkwaliteit, orde en complexiteit, representativiteit, betekenis, cultuurhistorische waarde |
| Financieel-economisch | Kosten en waarde | Investerings-, exploitatie-, facilitaire en energiekosten per m2 |
Prestatie-indicatoren voor de huisvesting zelf zijn bijvoorbeeld de bezettingsgraad, het aantal m2 bvo of fno per medewerker of werkplek, het aantal werkplekken per medewerker (flexfactor), energieverbruik en CO2-uitstoot per m2, BREEAM-scores en kosten per m2.
Maatschappelijk verantwoord huisvesten
- energiereductie en bewust energiegebruik, van het gas af;
- een veilige en gezonde werkomgeving;
- lokale leveranciers, bijvoorbeeld voor gebouwbeheer;
- efficiënt gebruik van natuurlijke bronnen en zero waste (ver)bouwen;
- minder gebouwen;
- CO2-reductie bij bouwen én bij exploitatie en beheer.
Vier hoofdprocessen van huisvestingsmanagement
| Hoofdproces | Wat |
|---|---|
| Huisvestingsstrategie ontwikkelen | Bepalen welke huisvesting de organisatie nodig heeft, nu en in de toekomst |
| Muteren | De huisvesting veranderen, zoals nieuwbouw, verbouw of verhuizing (in dit vak: bouwfasen, bestek, aanbesteding en contractvormen, week 5) |
| Exploiteren en beheren | De bestaande huisvesting gebruiken, beheren en onderhouden (in dit vak: MJOP, week 6 en 7) |
| Huisvestingsmanagement organiseren | Het kader eromheen: wie doet wat, hoe is het georganiseerd |
Huisvesten is een continu proces: verandert de situatie, dan stel je de strategie of de mutatie bij.
Stakeholders: spelers en speelveld
Rond huisvestingsmanagement (HVM) liggen drie ringen. Binnenin de ondersteunende staf waar HVM deel van is. Daaromheen de interne stakeholders: interne gebruikers, topmanagement en middenkader. Buitenom de externe stakeholders: externe gebruikers, maatschappelijke spelers, externe partners en externe financiers.
Tekeningen en plattegronden lezen
Les 1.3Als FM'er werk je veel met bouwtekeningen. Lezen betekent bouwkundige elementen en ruimtes herkennen. Interpreteren gaat verder: je ziet of een gebouw goed is ingedeeld en of ruimtes geschikt zijn voor hun doel. Dat laatste is voor een FM'er het belangrijkst.
Waarom tekeningen?
- Communicatie tussen ontwerpers, uitvoerders en opdrachtgevers.
- Uniformiteit door vaste symbolen.
- Relatie met gebouwgebruik: grootte bepalen, het gebouw indelen, inrichtingsmogelijkheden bekijken.
Schaal
| Schaal | 1 cm op tekening is | Toepassing |
|---|---|---|
| 1:10.000 / 1:5.000 / 1:2.000 | 100 m / 50 m / 20 m | Stedenbouwkundige tekeningen |
| 1:1.000 | 10 m | Stedenbouwkundige en situatietekeningen |
| 1:500 | 5 m | Situatietekeningen |
| 1:200 | 2 m | Grote gebouwen, overzichtstekeningen |
| 1:100 | 1 m | Gebouwen |
| 1:50 | 50 cm | Kleine gebouwen, fragmenten |
| 1:20 | 20 cm | Fragmenten van gebouwen |
| 1:10 | 10 cm | Meubels, kasten, details |
| 1:5 en 1:1 | 5 cm en 1 cm | Details |
De schaal bepaalt wat en hoeveel je kunt laten zien. Hoe kleiner het getal achter de dubbele punt, hoe meer je inzoomt en hoe meer detail.
Rekenvoorbeeld
- Op een plattegrond 1:100 meet een kamer 4,5 cm. In werkelijkheid: 4,5 x 100 cm = 450 cm = 4,5 m.
- Maten op bouwtekeningen staan meestal in millimeters: 7644 op een tekening is 7,644 m.
Acht soorten tekeningen
| Soort | Wat laat het zien |
|---|---|
| 1. Schetsontwerp | De eerste ideeën en experimenten, onderdeel van het creatieve proces |
| 2. Artist impression | Indruk van het nog te bouwen gebouw, een presentatie- of 'verkoopplaatje' |
| 3. Kadastrale tekening | Grootte van kavels, plek van de bebouwing, erfgrenzen, basis voor eigendom van grond |
| 4. Situatietekening | Eén bouwproject: kavel, plek van het gebouw, erfgrenzen, ligging t.o.v. andere gebouwen en de zon (noordpijl) |
| 5. Gevelaanzicht | Het aanzicht van een gevel, met hoogtematen en draairichtingen van ramen en deuren |
| 6. Plattegrond | Horizontale doorsnede op 1 m boven de vloer |
| 7. Verticale doorsnede | Inkijk in het gebouw en niveauverschillen, aangegeven met een doorsnedelijn op de plattegrond |
| 8. Detailtekening | Hoe onderdelen precies zijn opgebouwd en op elkaar aansluiten |
De plattegrond
Een plattegrond is een horizontale doorsnede op 1 m boven de vloer. Wat lager dan 1 m ligt teken je met een doorgetrokken lijn, wat hoger ligt (bijvoorbeeld een vlizotrapluik in het plafond) met een gestreepte lijn. Op een plattegrond zie je muren, trappen, deuren met draairichting, ramen, inbouwkasten, afmetingen, stramienmaten en vaste inrichting.
Voordeel van stramienmaten: onderdelen passen standaard, en ruimtes zijn makkelijk in te delen. Volgens de syllabus gebruiken kantoren vaak 1,80 of 3,60 m, HAN-lesgebouwen vaak 7,20 x 7,20 m.
Hoogtematen en draairichtingen
Draairichtingen van ramen en deuren worden met lijnen in een driehoek getekend: een doorgetrokken lijn betekent naar buiten draaien, een gestippelde lijn naar binnen. Zo onderscheid je bijvoorbeeld een draairaam naar buiten, een valraam naar binnen en een draaikiepraam naar binnen.
Veelgemaakte fouten bij bouwtekeningen
- Onnauwkeurige of ontbrekende afmetingen, of doorlopende maten waarin fouten zich opstapelen.
- Een onjuiste schaal, waardoor op de bouwplaats verkeerd wordt gelezen.
- De werkelijkheid niet controleren: bij een verbouwing de bestaande situatie niet nameten.
Uit de oefening vakantiewoning Renesse
- Vierkantjes met een kruis op de plattegrond zijn funderingspalen.
- 'mk' in de hal is de meterkast.
- 'MV' bij toilet en badkamer staat voor mechanische ventilatie.
- '2100+vl' betekent dat het dak daar 2,10 m boven de verdiepingsvloer ligt.
- Een symbool met een letter bij een lijn verwijst naar een verticale doorsnede; kaders zoals 'V1' verwijzen naar een detailtekening.
- BVO, GO en VO: bruto vloeroppervlak (alles), gebruiksoppervlak (wat gebruikt kan worden) en verblijfsoppervlak (waar men verblijft, zoals woon- en slaapkamers, niet badkamer, toilet of meterkast).
Inleiding in de bouwkunde
Les 2.1Een FM'er hoeft niet te bouwen, maar moet wel weten hoe een gebouw in elkaar zit: wat je kunt weghalen, wat je kunt verbouwen en wat dat betekent voor beheer en onderhoud. Naast de dia's is de Syllabus Bouwkundige Begrippen tentamenstof: alle vetgedrukte begrippen daarin worden getoetst. Ze staan allemaal in de begrippenlijst op deze site.
Opbouw van een gebouw
| Deel | Functie |
|---|---|
| Fundering (onder de grond) | Het gewicht van het bouwwerk overbrengen op de draagkrachtige ondergrond (zand) |
| Opbouw of casco | De draagconstructie: vloeren, dragende en niet-dragende muren, kolommen, trappen, liften en schachten. Brengt de belasting over op de fundering. |
| Afbouw of afwerking | Alles wat het gebouw afmaakt en bruikbaar maakt |
| Dak | Afsluiting en bescherming bovenop |
Fundering
De diepte van de draagkrachtige laag bepaalt het type fundering:
Fundering op staal
- Draagkrachtige laag niet diep
- Fundering direct op het zand, als strokenfundering
- Volgens de syllabus bodem binnen 80 tot 300 cm onder peil draagkrachtig
- Op de dia: vaste grond op 2 à 3 m
Fundering op palen
- Draagkrachtige laag dieper dan ongeveer 2 m
- Palen brengen de last naar de diepere zandlaag
- Op de dia: vaste grond op 15 à 30 m
- Palen worden daarna op gelijke hoogte gebracht (koppensnellen)
Welke fundering nodig is, blijkt uit grondonderzoek: sonderen (weerstand van de grond meten) en boringen (grondmonsters nemen). De dia's tonen ook wat er misgaat als de bodem verandert: verzakkingen door de aanleg van een metrotunnel en door gaswinning.
Wapening
Beton kan geen trekkrachten opvangen en breekt dan; staal wel, het kan een beetje meebuigen. Daarom krijgt beton wapening. Die wordt traditioneel in het werk aangebracht of zit al in fabrieksvloeren (breedplaatvloeren, kanaalplaatvloeren).
Waarom de wapening in een latei onderin zit
Een balk op twee steunpunten buigt onder belasting door. Bovenin wordt het materiaal samengedrukt (drukzone), onderin uit elkaar getrokken (trekzone). Beton kan druk goed hebben maar trek niet, dus komt het staal onderin. Een latei van staal (bijvoorbeeld een L-profiel) heeft geen wapening nodig.
Vloeren
| Hoofdgroep | Kenmerk |
|---|---|
| Houten balklaagvloer | Balken met vloerdelen of platen |
| Gewapende betonvloer | In het werk gestort (beton = water, zand, cement en grind, eventueel met wapening) |
| Systeemvloer | Prefab, bijvoorbeeld kanaalplaatvloer of breedplaatvloer |
Vier bouwvormen voor muren
| Bouwvorm | Muren worden... | Voorbeeld |
|---|---|---|
| 1. Stapelbouw | gemetseld | Baksteen of kalkzandsteen; schoon metselwerk in het zicht, vuil metselwerk uit het zicht |
| 2. Montagebouw | gemonteerd uit prefab delen | Prefab betonnen gevelpanelen, bakstenen in prefab gevelpanelen |
| 3. Gietbouw | gestort in een bekisting | Tunnelbekisting voor woningbouw |
| 4. Skeletbouw | in een skelet geplaatst | Staalskelet, houtskelet, betonskelet |
Muren
Buitenmuren zijn meestal dragend; binnenmuren kunnen dragend of niet-dragend zijn. Buitenmuren zijn vaak spouwmuren: buitenspouwblad, spouw, isolatie (altijd tegen het binnenspouwblad), binnenspouwblad, verbonden met spouwankers. Open stootvoegen ventileren de spouw.
De dia's tonen het effect van isolatie: zonder isolatie zakt de temperatuur geleidelijk door de hele muur, met isolatie zit vrijwel de hele temperatuurval in de isolatielaag en blijft het binnenblad warm.
| Begrip | Betekenis |
|---|---|
| Steensmuur | Zo dik als een steen lang is, ongeveer 20 cm |
| Halfsteensmuur | Zo dik als een halve steen, ongeveer 10 cm |
| Stapelverband | Geen overlapping tussen de lagen |
| Halfsteensverband | Halve steen overlapping |
| Klezoorverband | Een kwart steen overlapping |
Openingen in muren worden ondersteund door een latei (beton, staal of hout) of een gemetselde boog. Dilatatievoegen vangen werking, zetting en krimp op, horizontaal en verticaal.
Niet-dragende wanden
- Metal-stud wand: stalen frame met (gips)platen en isolatie, ter plekke gemaakt.
- Systeemwand: uit de fabriek, geplaatst door de leverancier; gesloten, transparant of semi-transparant.
Voor een FM'er zijn dit de wanden die je bij een herindeling kunt verplaatsen. Dragende muren niet, of alleen met constructieve maatregelen.
Daken
Schuin dak
- Gordingen (de bovenste: nokgording) dragen het dakbeschot
- Muurplaat bovenop de muur
- Dakbeschot, isolatie met dampdoorlatende waterdichte folie, tengels, panlatten, dakpannen
- Spanten dragen de dakschilden
Plat dak (van boven naar beneden)
- Dakbedekking (bijvoorbeeld bitumen)
- Isolatieplaten
- Dakbeschot (multiplex)
- Balklaag
- Plafondconstructie
- Afschot om water af te voeren
Stevigheid: belasting
| Permanente belasting | Variabele belasting |
|---|---|
| Eigen gewicht | Wind |
| Waterdruk | Sneeuw |
| Gronddruk | Mensen |
| Apparaten |
Gebouwanalyse op basis van tekeningen en inspectie
Les 2.2In les 2.2 pas je tekeningen lezen en bouwkunde toe op een echt gebouw. Je bestudeert de tekeningen, maakt een inspectieformat en bezoekt het gebouw. Doel: ontdekken welke mogelijkheden en beperkingen het gebouw heeft voor een nieuwe functie (in de casus: kantoor plus woonunits).
Stap 1: tekeningen bestuderen
Uit de oefenvragen bij de casusgebouwen blijkt waar je op een tekening naar kijkt:
- bouwjaar en schaal (en wat die schaal betekent);
- bvo per verdieping en van het hele gebouw;
- stramienmaat;
- dikte van binnenwanden en welke niet-dragende muren gesloopt kunnen worden;
- peil van verdiepingen en hoogteverschillen;
- type fundering en diepte;
- plaats van hoofdentree, andere ingangen, liften en trappenhuizen;
- afkortingen zoals hwa (hemelwaterafvoer) en de manier waarop dak en isolatie zijn uitgevoerd.
Stap 2: inspectieformat of observatielijst maken
Neem de huisvestingscomponenten (locatie, gebouw, interieur, enzovoort) en de vier prestatievelden als vertrekpunt. Bedenk per thema waar je naar wilt kijken en hoe je het beoordeelt. Een functioneel thema is bijvoorbeeld toegankelijkheid; een bouwkundig thema de gevel en kozijnen. De opdracht vraagt minimaal tien thema's.
| Criterium | Slecht | Matig | Voldoende | Goed | Uitstekend |
|---|---|---|---|---|---|
| Locatie | X | ||||
| Waar kijk je naar... | X |
Bedenk bij je thema's ook prestatie-indicatoren: meetbare punten waarmee je een aspect beoordeelt.
Stap 3: het gebouw bezoeken
Kijk vanuit de nieuwe functie: zit de lift op een handige plek als het gebouw kantoor wordt? Waar komen toiletten, trappenhuizen en entree? Hoe maak je het gebouw lichter en hoe maak je grote open ruimtes voor werkplekken? Kijk niet naar losse inrichting zoals vloerbedekking en plantenbakken: die gaat er bij een grote verbouwing toch uit.
Wat de gebouwanalyse oplevert
- de kwaliteiten van het gebouw;
- de beperkingen;
- wat geschikt is voor kantoor en wat voor woonunits;
- welke bouwkundige of functionele aandachtspunten het ontwerp beïnvloeden;
- een conclusie: is het gebouw geschikt voor de combinatie, en onder welke voorwaarden?
Mensgericht huisvesten
Les 2.3Waar organisatiegericht huisvesten vraagt wat het gebouw de organisatie oplevert, vraagt mensgericht huisvesten wat de gebruikers nodig hebben. De les zet daarvoor twee foto's tegenover elkaar: een gestreste medewerker en een ontspannen team in een kantoor. Deze les gaat over huisvestingsbehoeften, omgevingspsychologie en gebouwprestaties vanuit de gebruiker.
Drie vormen van comfort (environmental comfort)
| Vorm | Gaat over | Voorbeelden |
|---|---|---|
| Fysiek comfort | Basisbehoeften van de mens in relatie tot een gebouw | Veiligheid, hygiëne, toegankelijkheid |
| Functioneel comfort | Het gebouw kunnen gebruiken voor een specifiek doel | Licht, verse lucht, verwarming, prettige inrichting |
| Psychologisch comfort | Vaak onbewuste behoeften bij de beleving van de omgeving | Privacy, geborgenheid, autonomie, verbondenheid |
Universele behoeften en individuele verschillen
Niet iedereen heeft dezelfde behoeften. Met persona's of een typologie maak je verschillen hanteerbaar. Het voorbeeld uit de les is de indeling van Greene en Meyerson in vier typen kenniswerkers, van lage naar hoge mobiliteit. De dia geeft alleen tekeningen en de as van lage naar hoge mobiliteit, geen omschrijving per type:
| Type | Wat de afbeelding op de dia laat zien |
|---|---|
| Anchor | Iemand alleen aan een bureau met computer; kleinste bewegingspatroon (laagste mobiliteit) |
| Connector | Een groep rond een tafel; bewegingspatroon binnen een beperkt gebied |
| Gatherer | Twee mensen in gesprek aan een tafeltje; ruimer bewegingspatroon |
| Navigator | Iemand met een rolkoffer, onderweg; grootste bewegingspatroon (hoogste mobiliteit) |
Een tweede voorbeeld is neurodiversiteit op de werkplek. Knoppen waaraan je kunt draaien zijn de hoeveelheid prikkels, het werkritme, de mate van structurering, de mate van sturing en de manier van samenwerken.
Omgevingspsychologie
| Zone persoonlijke ruimte | Afstand |
|---|---|
| Intieme afstand | tot 45 cm |
| Persoonlijke afstand | 45 cm tot 1,25 m |
| Sociale afstand | 1,25 tot 3,5 m |
| Publieke afstand | meer dan 3,5 m |
Hoeveel persoonlijke ruimte iemand nodig heeft, hangt af van persoonsgebonden factoren zoals leeftijd, cultuur en geslacht, en van de situatie (een leeg tegenover een vol perron).
Density
Het aantal mensen per eenheid, bijvoorbeeld per m2. Objectief, meetbaar.
Crowding
Het gevoel van drukte. Subjectief: dezelfde density kan door de één als druk en door de ander als prima worden ervaren.
Huisvestingsprestaties gericht op de gebruiker
| Prestatie | Instrument of voorbeeld in de les |
|---|---|
| Functionaliteit | Real Estate Norm (REN): scoort onder meer de afstand tot openbaar vervoer en het aantal voorzieningen in de buurt op een schaal van 1 tot 5. NEN 8021: waardeert gebruiksprestaties door een gebruikersprofiel (welke eisen heeft de gebruiker) naast een gebouwprofiel (wat biedt het gebouw) te leggen, per prestatie-indicator en met een belang van 0 tot 3. |
| Beleving | Tevredenheidsonderzoek onder medewerkers (de dia toont cijfers van het Center for People and Buildings op basis van WODI-cases): bereikbaarheid en communicatiemogelijkheden scoren het best, concentratiemogelijkheden, privacy en binnenklimaat het slechtst. |
| Gezondheid en geluk | WELL Building Standard met zeven categorieën: air, water, light, nourishment, fitness, comfort en mind. |
| Fysiek comfort | De ideale comfortcondities (zie hieronder). |
| Factor | Ideale conditie volgens de dia |
|---|---|
| Temperatuur | 18 tot 22 °C |
| Relatieve vochtigheid | 35 tot 65% |
| Licht | 100 tot 3.000 lux |
| Geluid | 30 tot 70 dB(A) |
| Luchtsnelheid | 0,13 tot 0,22 m/s |
| Luchtkwaliteit | 350 tot 1.500 ppm CO2 |
| Luchtdruk | 890 tot 1.030 hPa |
Cognitive maps
Getekende cognitieve kaarten wijken systematisch af: afmetingen kloppen niet, gebieden worden te klein en oriëntatiepunten te groot getekend, locaties kloppen niet en veel details ontbreken. Wat groot getekend wordt, trekt ook in het dagelijks leven de aandacht.
| Element van Lynch (1960) | Betekenis |
|---|---|
| Paths | Routes, grote wegen |
| Nodes | Knooppunten, kruispunten, pleinen |
| Edges | Randen en grenzen |
| Districts | Gebieden of 'vlekken' met een eigen karakter |
| Landmarks | Oriëntatiepunten |
Waarom dit nuttig is: zonder cognitieve kaart geen oriëntatie. Je gebruikt ze om over je omgeving te communiceren, de omgeving te onderzoeken en nieuwe omgevingen te ontwerpen (denk aan bewegwijzering en herkenbare routes in een gebouw).
Practicum mensgericht huisvesten: perceptie en minder validen
Les 3.1In les 3.1 ervaar je zelf hoe het is om je als specifieke doelgroep door een gebouw te bewegen. De theorie gaat over perceptie: wat je ziet is niet hetzelfde als wat je waarneemt.
| Gestaltprincipe | Wat je ziet |
|---|---|
| Proximity (nabijheid) | Dingen die dicht bij elkaar staan zie je als groep |
| Similarity (gelijkheid) | Dingen die op elkaar lijken zie je als groep |
| Figure ground (figuur-achtergrond) | Je ziet een figuur óf de achtergrond, zoals twee gezichten of een vaas |
| Continuity (continuïteit) | Je volgt een doorlopende lijn als één geheel |
| Closure (sluiting) | Je vult een onvolledige vorm zelf aan tot een geheel |
| Connectedness (verbondenheid) | Dingen die met elkaar verbonden zijn zie je als één geheel |
Logo's zoals die van FedEx (verborgen pijl), WWF (panda uit losse vlakken) en Amazon gebruiken deze principes bewust.
De gebouwde omgeving voor minder validen
Wat als je een zintuig mist of een fysieke beperking hebt? In het practicum verplaats je je in drie rollen over de campus: rolstoeler of blinde (met blindenbril), begeleider (die niet mag helpen) en observant, en je wisselt regelmatig. Je loopt routes met trappen, liften en verschillende gebouwen en presenteert daarna je ervaringen en inzichten.
Hybride werken en werkplekconcepten
Les 3.2Wat doen mensen eigenlijk op kantoor, en wat hebben ze daarvoor nodig? Les 3.2 koppelt activiteiten aan behoeften, laat zien hoe kantoren zich hebben ontwikkeld en introduceert hybride werken met de indeling bruis, ruis en rust.
Activiteiten en behoeften
Op kantoor ontmoeten, overleggen, concentreren en co-creëren mensen. Het model op de dia zet werk uit op twee assen: interactie/communicatie en autonomie/concentratie.
| Weinig autonomie | Veel autonomie | |
|---|---|---|
| Veel interactie | Groepswerk, formeel samenwerken (Den) | Transactioneel kenniswerk: afwisseling van informeel samenwerken en zelf werken (Club) |
| Weinig interactie | Individueel procesmatig werk (Hive) | Geconcentreerd werk (Cell) |
Geschiedenis van het kantoor
| Periode | Kantoorvorm |
|---|---|
| Industrieel tijdperk | Eerste kantoren: lange rijen bureaus in grote zalen |
| Begin 20e eeuw | Tayloriaanse kantoren: grote open werkzalen, efficiënt georganiseerd |
| Jaren '60 en '70 | Kantoortuin (human relations) |
| Jaren '80 | Kamerkantoor: gangen met afzonderlijke kamers |
| Vanaf 2000 | Hedendaagse kantooromgevingen met activiteitgebonden werken |
Kamerkantoor: voordelen
- Rustig
- Goed voor geconcentreerd werk
- Veel privacy
Kamerkantoor: nadelen
- Weinig ontmoeting en communicatie
- Zakelijk, weinig sfeer
- Veel lege werkplekken (lage bezetting)
- Inefficiënt en daardoor duur
De oplossing voor lage bezetting is werkplekken delen: je kiest een plek als je er bent, werkt volgens een clean desk policy (bureau leeg als je gaat) en maakt afspraken over kastgebruik.
Hybride werken
Gevolg voor het kantoor: het wordt steeds meer een ontmoetingsplek. Concentratiewerk kan ook thuis, maar het kantoor moet het blijven faciliteren. De bezetting is ongelijk over de week verdeeld: de kantoorkameel laat pieken zien op dinsdag en donderdag (in het voorbeeld 70%) en dalen op maandag, woensdag en vrijdag. Ontwerp dus niet op het gemiddelde zonder naar de piek te kijken.
Bruis, ruis en rust
| Zone | Kenmerk | Bouwstenen (Buro Wierda) |
|---|---|---|
| Bruis | Communicatie hoog, concentratie laag. Informele omgeving voor ontmoeting en afstemming; uitnodigend, stimuleert formele en informele interactie. | Werkcafé, aanland(werk)plekken |
| Ruis | Plek voor samenwerken of overleg. Informeel, maar met een andere beleving en setting dan bruis. | Open samenwerkingsruimte, ankerpunt, reguliere werkplekken, multifunctionele ruimte, belplek of ruimte voor online overleg |
| Rust | Communicatie laag, concentratie hoog. Rustige plek voor geconcentreerd werken of leren; kan vaak ook thuis, maar het kantoor faciliteert het ook. | Stilteruimtes, eenpersoonsruimte, thuiswerkplek |
Andere indelingen in de les: hoofdtypen van werkplekken (omsloten eenpersoons-, tweepersoons- en meerpersoonsruimte, open meerpersoonsruimte, met subtypen zoals concentratieruimte, projectruimte en werkcoupé) en een activiteitenlijst (focus, vergaderen, proces, duo, coördineren, creëren, informeren, technisch, dialoog, opladen/socialiseren). Ook voor facilitaire voorzieningen zijn er bouwstenen: receptie, wachtruimte, bedrijfsrestaurant, kopieer- en printfaciliteiten, lockers, warmedrankenautomaat, ontspanningsruimte en kolfruimte.
Hoeveel werkplekken heb je nodig?
- Reken niet met het aantal medewerkers, anders maak je veel te veel werkplekken.
- Reken met het aantal fte.
- Houd daarnaast rekening met afwezigheid: ziekte, vakantie, vrije dagen, thuiswerken. Dat verwerk je met een flexfactor.
- Verdeel de werkplekken daarna over open werkplekken (routinematig werk), gesloten werkplekken (concentratiewerk) en plekken voor formeel en informeel overleg.
Rekenvoorbeeld uit de les
1.000 fte x flexfactor 0,8 = 800 werkplekken. In het voorbeeld van de dia (FWR-wijzer) wordt dat verdeeld in 75% bureauwerkplekken (600) en 25% vergaderplekken (200).
Gastcollege werkplekconcepten
Les 3.3Les 3.3 is ingeroosterd voor een gastcollege over werkplekconcepten in de praktijk, bijvoorbeeld van een adviesbureau op het gebied van werkomgevingen. Het lesdoel is dat je leert hoe werkplekconcepten in de praktijk worden toegepast. De opdrachten zijn gekoppeld aan het gastcollege.
Er staan geen dia's van het gastcollege op Brightspace. Gebruik deze les om de stof van les 3.2 (hybride werken, bruis-ruis-rust, aantal werkplekken) te verbinden met wat je in de praktijk hoort.
Het programma van eisen (PvE)
Les 4.1Het programma van eisen is de brug tussen de organisatie en het ontwerp. Eerst denken, dan doen: zonder goede eisen kan een architect niet ontwerpen, en krijg je het verkeerde gebouw.
Eisen en wensen
Eis
Need to have: moet erin zitten.
Wens
Nice to have: zou mooi zijn.
Je formuleert eisen vanuit activiteiten: wat wil je in het gebouw kunnen doen, wat is daarvoor nodig, en hoeveel ruimte kost dat? Je formuleert geen oplossingen. Dus niet 'een keuken met een kookeiland', wel wat er in de keuken moet kunnen gebeuren.
Wat is een PvE?
Een goed PvE borgt de gebruikswaarde van de huisvesting: hoe efficiënt en effectief de organisatie kan doen wat ze moet doen, en hoe tevreden gebruikers zijn over de beleving.
Functies van het PvE
- Het dwingt de opdrachtgever na te denken over de toekomstige huisvesting.
- Het is een communicatiemiddel voor iedereen die bij de huisvesting betrokken is.
- Het is een toetsingsinstrument: vooraf (is wat de opdrachtgever wil haalbaar?) en achteraf (is gerealiseerd wat gevraagd was?).
- Het is de basis voor contracten tussen betrokkenen, bijvoorbeeld opdrachtgever en architect.
Inhoud van het PvE
| Algemene aspecten (los van het gebouw) | Eisen aan het gebouw |
|---|---|
| Karakteristieken van de organisatie en doelgroep (gebruiksfuncties, waarden) | Functionele eisen (gebruikseisen, beeldverwachting, gebouwprestaties) |
| Eisen aan locatie en omgeving | Ruimtelijke eisen |
| Randvoorwaarden bestemmingsplan (mag ik verbouwen?) | Technische eisen |
| Bouwvoorschriften en juridische aspecten | |
| Kosten en budgetten |
De precieze indeling verschilt per methodiek (NEN, SBR). Die verschillen hoef je volgens de docent niet te leren, de begrippen wel.
Opbouw van een PvE
- Beschrijving van de te huisvesten organisatie: wie zijn ze, wat willen en doen ze, met welke ontwikkelingen hebben ze te maken.
- De huisvestingsvisie van de opdrachtgever, vaak samen met een beeldverwachting of 'emotionele' eisen.
- Functionele eisen en wensen, bij voorkeur per type ruimte. Een bijzonder onderdeel is het werkplekconcept.
- Ruimtelijke eisen (ruimtebehoefte): ruimtestaat en relatiediagram.
- Technische eisen.
- Facilitaire aspecten.
Voorbeeld van een huisvestingsvisie (stadskantoor)
Het gebouw verwijst naar de agrarische traditie van de stad, met een plek waar regionale producten worden geteeld en getoond. Gezondheid is het uitgangspunt: veel daglicht en groen binnen, routes die mensen laten bewegen en ontmoeten, alleen gezonde materialen. Het gebouw straalt openheid en transparantie uit en verbindt bezoekers en medewerkers.
Functionele eisen
Functionele eisen dragen eraan bij dat de activiteiten in een gebouw of ruimte zo goed mogelijk kunnen worden uitgevoerd; ze lijken op kritische succesfactoren. Ze gaan bijvoorbeeld over werkplekken, daglicht, akoestiek, geluidsisolatie, temperatuur, routing en toegankelijkheid, comfort, sfeer, materialen, flexibiliteit, beveiliging en duurzaamheid. Ze beschrijven wat het ontwerp moet doen, niet hoe het eruitziet.
Fout: oplossing
De centrale hal heeft een grote glazen gevel.
Goed: eis
De centrale hal heeft veel daglicht en een open, transparante uitstraling naar binnen en buiten.
Ruimtelijke eisen
Je bepaalt welke ruimtes nodig zijn, hoeveel van elke soort en hoe groot. Daarmee vertaal je de functionele eis naar een ruimtelijke eis.
Rekenvoorbeeld uit de les
- Functionele eis: 30 studenten tegelijk ongestoord instructie geven, zittend.
- Ruimtelijke eis: 1,5 m2 per student, dus 30 x 1,5 = 45 m2, plus 10% looproute = circa 50 m2.
De rest van de ruimtelijke uitwerking (werkplekken, ruimtenormen, ruimtestaat, vloeroppervlakken, woonunits) staat bij les 4.2.
Technische eisen
Nodig voor het ontwerp van installaties: elektrotechnische en werktuigbouwkundige voorzieningen, ICT, binnenklimaat en technisch comfort (luchtverversing, temperatuur, akoestiek, kunstlicht en daglicht, uitzicht), bouwtechnische eisen (vloeren, plafonds, wanden, aanpasbaarheid) en duurzaamheid en circulariteit.
Facilitaire aspecten
Vaak al onderdeel van de functionele eisen, soms apart: het cateringconcept en de impact op het gebouw, pantry's (waar, welke voorzieningen, water en afvoer), schoonmaak in relatie tot het gebouw (zoals vloerafwerking) en beveiligingsconcepten (camera's, toegangscontrole).
Digitale tools
Digitale tools zoals Briefbuilder structureren grote hoeveelheden eisen en maken ze digitaal toegankelijk. Briefbuilder werkt met drie niveaus: objecten (fysiek of proces), eigenschappen (kenmerken, zoals temperatuur of vloeroppervlak) en relaties (tussen objecten en eigenschappen). 'Brief' is het Engelse woord voor PvE.
Van globaal naar gedetailleerd: vijf PvE's
| PvE | Dient als basis voor |
|---|---|
| Globaal PvE | Eerste verkenning en haalbaarheidsstudie |
| Basis-PvE | Eerste ontwerpstudies (structuurontwerp) |
| PvE voor het voorlopig ontwerp | Voorlopig ontwerp (VO) |
| PvE voor het definitief ontwerp | Definitief ontwerp (DO) |
| PvE voor het bouwbestek | Uitvoering |
Uit het artikel: van gestolde organisatie naar gedeelde ambitie
Een goed PvE is volgens het artikel juist geen 'gestolde organisatie' maar biedt ruimte voor ontwikkeling. Wat blijvende waarde heeft, is een gedeelde ambitie van opdrachtgever, eindgebruiker en beheerder, die professionals vertalen naar toetsbare eisen. Ambities en doelen zijn houdbaarder dan de technische uitwerking, daarom hoort elke belangrijke eis herleidbaar te zijn naar een ambitie ('daarom willen wij dit'). Eisen formuleer je SMART.
| Zeven succesfactoren uit het artikel |
|---|
| 1. Bepaal zorgvuldig voor welk doel je het PvE nodig hebt |
| 2. Kies de juiste organisatiestructuur (met rollen zoals een beslisbevoegde 'kampioen', projectleiders en gebruikersgroepen) |
| 3. Geef organisatieverandering en implementatie een eigen plaats in het proces |
| 4. Streef naar duurzame, houdbare informatie; integreer en verbind |
| 5. Streef naar herleidbaarheid: 'daarom willen wij dit' |
| 6. Wees aanwezig op fase-overgangen en geef de kernwaarden door |
| 7. Communiceer transparant en beheers je rol (communicatieplan) |
Het artikel noemt ook waarom PvE's complexer worden: meer stakeholders en participatie, en eisen aan duurzaamheid, circulariteit, klimaatadaptiviteit en gezondheid. Adaptiviteit en multifunctioneel gebruik worden de norm.
De ruimtestaat en soorten vloeroppervlak
Les 4.2In les 4.2 reken je de ruimtebehoefte uit. Het resultaat is de ruimtestaat: een tabel met alle ruimtes, aantallen en vierkante meters. Dit is een van de rekenonderdelen van het vak.
Werkplekken en ruimtenormen
- Ga uit van het aantal fte, niet van het aantal medewerkers.
- Houd rekening met piekbezetting en tijdelijke afwezigheid; dat zit in de flexfactor.
- Voor de ruimtebehoefte reken je met circa 7 m2 per werkplek.
Rekenvoorbeeld: ruimtestaat Altijd Safe
Formules: aantal werkplekken = fte x flexfactor; m2 = werkplekken x m2 per werkplek; circulatieruimte = een opslagpercentage (hier 10%); totaal = m2 + circulatie.
| Onderdeel | Mdw | Fte | Flexfactor | Werkplekken | m2/wp | m2 |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Directeur | 2 | 2 | 0,8 | 1,6 | 7 | 11,2 |
| Secretariaat | 4 | 2,8 | 0,8 | 2,2 | 7 | 15,7 |
| Stafmedewerkers | 16 | 11 | 0,8 | 8,8 | 7 | 61,6 |
| Subtotaal directie en staf | 88,5 + 9 circulatie = 97 | |||||
| Afdeling financiën | 24 | 18,9 | 0,8 | 15,1 | 7 | 105,8 + 11 = 116 |
Narekenen
- Directeur: 2 fte x 0,8 = 1,6 werkplekken x 7 m2 = 11,2 m2.
- Financiën: 18,9 x 0,8 = 15,1 werkplekken x 7 = 105,8 m2; 10% circulatie = 10,6, afgerond 11; totaal ongeveer 116 m2.
- Let op het verschil tussen 24 medewerkers en 18,9 fte: wie met medewerkers rekent, komt uit op 24 x 7 = 168 m2.
- Totaal van de dia (directie en staf plus vier afdelingen): 136 medewerkers, 92 fte, 73 werkplekken, 512 m2 + 51 m2 circulatie = 564 m2.
Naast werkplekken komen er overige ruimtes in de ruimtestaat, zoals een extra vergaderruimte, koffiecorner of opslag. De les geeft daarvoor kengetallen als 2 tot 2,5 m2 per zitplek en 1 tot 2 m2 per zitplek, en een voorbeeldlijst met primaire ruimten (ontvangstruimte, spreekkamers, bestuurskamer, instructieruimte, vergaderruimtes) en secundaire ruimten (pantry, facility point, bedrijfsrestaurant, keuken, voorraad- en bergruimte).
Circulatieruimte kun je in een ruimte meerekenen of apart opnemen als opslagpercentage.
Soorten vloeroppervlak (NEN 2580)
| Oppervlak | Wat valt eronder | Aandeel in het voorbeeld van de les |
|---|---|---|
| BVO (bruto vloeroppervlak) | Alles, inclusief constructie: wanden en kolommen | 100%; constructie zelf ongeveer 10% |
| NVO (netto vloeroppervlak) | BVO min constructie; inclusief verkeersruimte (gangen, entree, liften, trappenhuizen) en technische ruimtes | Verkeers- en technische ruimte ongeveer 20% |
| FNO (functioneel nuttig vloeroppervlak) | Wat de organisatie echt gebruikt: afdelingen met werkplekken, circulatie tussen werkplekken en supplementaire ruimte (ongeveer 55%), plus speciale en nevenruimten, sanitair en garderobe (ongeveer 15%) | Ongeveer 70% |
Rekenvoorbeeld
- Een gebouw van 3.000 m2 BVO levert ongeveer 3.000 x 0,7 = 2.100 m2 FNO.
- Heb je 1.000 m2 FNO nodig, dan zoek je ongeveer 1.000 x 1,45 = 1.450 m2 BVO.
- Let op: 1 / 0,7 is eigenlijk 1,43. De dia rekent met 1,45; gebruik op het tentamen de vuistregel zoals die gegeven wordt.
- Stappen bij herbestemming: ruimtestaat kantoor maken, FNO bepalen, berekenen hoeveel FNO overblijft en hoeveel woonunits daarin passen.
Tussen FNO en BVO ligt nog het gerealiseerd nuttig oppervlak (NO of GNO): het oppervlak in het ontwerp, inclusief ontwerpverlies. De verhouding tussen BVO en FNO heet de bruto-nuttigverhouding.
Ruimtelijke eisen voor woonunits
| Type | Kenmerk |
|---|---|
| A | Woonunits met gedeelde toegang en volledig gemeenschappelijke voorzieningen |
| B | Woonunits met gedeelde toegang en gedeeltelijk gemeenschappelijke voorzieningen |
| C | Woonunit met eigen toegang en eigen voorzieningen |
De les gebruikt richtlijnen uit een publicatie over studentenhuisvesting en bouwregelgeving (Kences, 2013). Voorbeelden van eisen uit de dia:
| Eis | Waarde |
|---|---|
| Niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied per woonfunctie | minimaal 18 m2 |
| Deel van de gebruiksoppervlakte dat verblijfsgebied is | minimaal 55% |
| Minstens één verblijfsruimte | minimaal 11 m2 en 3,0 m breed |
| Verblijfsgebied | minimaal 5 m2, 1,8 m breed, 2,6 m hoog |
| Opstelplaats aanrecht / kooktoestel | 1,5 x 0,6 m / 0,6 x 0,6 m |
| Toiletruimte | minimaal 0,9 x 1,2 m, hoogte 2,3 m; maximaal vijf woonfuncties per toilet |
Ruimtestaat woonunits (voorbeeld uit de les)
- Meerpersoonsunit: 8 kamers inclusief sanitair van 18 m2 = 144 m2, gemeenschappelijke ruimte/keuken 16 m2, opslag/wasruimte 4 m2. Samen 164 m2 + 10% circulatie (16) = 180 m2.
- Zelfstandige eenpersoonsunit: kamer met sanitair en keuken 21 m2 + opslag 1 m2 = 22 m2 + 2 circulatie = 24 m2.
- Optioneel daarbij: inpandige fietsenstalling, gemeenschappelijke ruimte, opslag. Het totaal is FNO.
Vlekkenplan, inrichtingsplan en moodboard
Les 4.3Na de ruimtestaat volgt de ruimteplanning: programma van eisen, vlekkenplan, wandenplan en inrichtingsplan. Les 4.3 behandelt ook kleur en materiaal en het maken van een moodboard. De dia's over ruimteplanning staan in het deck van les 4.2 (achterin), de dia's over kleur in het deck van les 4.3.
Stap 1: ruimtelijke relaties
Voordat je vlekken in een gebouw tekent, bepaal je welke functies bij elkaar horen. Ruimtelijke functies worden samengevoegd tot grotere eenheden, de vlekken (bijvoorbeeld 25 medewerkers tot één afdeling). Vragen: welke vlekken dicht bij elkaar, welke juist niet, welke ver uit elkaar?
| Weergave | Hoe |
|---|---|
| Schetsmatig (visueel) | Een schets met vlekken en pijlen |
| Procesmatig (schematisch) | Een relatieschema of relatiematrix |
In een relatieschema geef je soorten relaties aan, bijvoorbeeld: directe relatie met deur, directe relatie zonder deur, storende relatie en visuele relatie. In een relatiematrix gebruik je bijvoorbeeld p (primaire relatie: naast elkaar), s (secundaire relatie: dichtbij, zelfde verdieping) en a (anti-relatie: niet bij elkaar).
Stap 2: het vlekkenplan
- Zonder gebouw: van een schets van ruimtelijke relaties naar een vlekkenplan.
- Met een bestaand gebouw: teken je de vlekken exact in de plattegrond.
Vlekken worden meestal afgestemd op stramienmaten. Daardoor wijkt de vlek af van de ruimtestaat.
Rekenvoorbeeld indelingsverlies
Afdeling X heeft 70 m2 in de ruimtestaat, maar komt in een vlek van 9 x 9 m = 81 m2. De afdeling krijgt 11 m2 te veel; die extra m2 heten indelingsverlies. Houd je ergens ruimte over, bedenk daar dan een passende functie voor.
Tips uit de opdracht: elke vlek is zo groot als de ruimtestaat aangeeft; gangen binnen een afdeling horen bij de vlek, trappen, liften en toiletten niet; gebruik kleuren per functie en een legenda.
Stap 3: wanden- en inrichtingsplan
In het inrichtingsplan pas je het werkplekconcept in: de verdeling over bruis, ruis en rust.
Rekenvoorbeeld activiteitenprofiel
- Profiel: 20% geconcentreerd (rust), 50% routinematig (ruis), 30% communicatief (bruis).
- Bij 100 werkplekken: 50 bureauplekken in een open ruimte (bijvoorbeeld in blokken van 6), 20 bureauplekken in kleine afgesloten ruimtes, 30 plekken in spreekruimtes van 2 à 4 personen.
Kenmerken van een modern inrichtingsplan uit de les: de ingerichte vlekken lopen in elkaar over, er is niet echt een gang met kamers, en er is een mix van open, gesloten en overlegplekken. Circulatiezones (de 'flow' door het gebouw) zijn de leidraad voor de inrichting: bijvoorbeeld kasten tussen looproute en werkplekken, en een open overgang tussen gangzone en lounge.
Kosten van inrichting en afwerking
| Niveau | Per werkplek | Per m2 |
|---|---|---|
| Simpel | € 800 tot € 1.200 | € 150 tot € 300 |
| Middenklasse / standaard | € 1.500 tot € 3.500 | € 300 tot € 500 |
| Luxe | € 3.500 tot € 7.000+ | € 500 tot € 1.500+ |
Per werkplek gaat het om bureau, stoel, bekabeling en opbergruimte; per m2 om vloerbedekking, scheidingswanden, meubilair en verlichting. Het portfolio vraagt je de investeringskosten voor inrichting en afwerking te berekenen.
Kleur en materiaal
| Kleur | Werking volgens de les |
|---|---|
| Groen | Evenwicht, harmonie, rust, natuur, kalmeert; lichtgroen verfrist |
| Rood | Opwekkend, verhoogt lichaamstemperatuur, stimuleert bloedsomloop |
| Oranje | Vreugde, beweging, creativiteit, gezelligheid |
| Geel | Warm, zonnig, optimistisch, stimuleert intellect en logisch denken |
| Blauw | Comfort, rust, kalmeert, koel en zakelijk, verzacht stress |
| Grijs en zwart | Kracht, mysterieus, onopvallend, overwicht; kan de vrijheid van denken beperken |
| Wit | Ruimtelijk, oogt groter, inspiratie, vrijheid, combineert met veel kleuren |
Warme kleuren (rood, oranje, geel) geven een warme sfeer, koele kleuren (blauw, groen) een koele. In plaats van kleur kun je natuurlijke materialen gebruiken (associatie met natuur, luchtig).
| Ruimtelijk effect | Hoe |
|---|---|
| Verbinden | Kleuren horizontaal doortrekken over twee ruimtes |
| Scheiden | Kleurverschil verticaal toepassen |
| Verbreden | Plafond en vloer donkerder dan de muren |
| Hoger maken | Muren donkerder dan plafond en vloer |
| Verkleinen / vergroten | Donkere kleuren verkleinen, lichte kleuren vergroten |
| Langer / breder | Vloer in de lengte gelegd maakt de ruimte langer, in de breedte breder |
Moodboard
Een goed moodboard is een samenhangende collage met een beperkt kleurenpalet, materiaalstalen en sfeerbeelden die bij de huisvestingsvisie passen. Fout volgens de voorbeelden in de les: een losse verzameling vrijstaande meubels en interieurfoto's in allerlei kleuren en stijlen zonder samenhang.
Regelgeving en plantoetsing
Les 5.1Een ontwerp moet voldoen aan de bouwregels. In les 5.1 leer je wat het Bouwbesluit regelt en hoe je een plan in vijf stappen toetst. In het portfolio doe je een globale plantoetsing van drie ruimtes uit je eigen ontwerp.
Het Bouwbesluit
Bouwregels zijn belangrijk voor veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid, en ze maken controle mogelijk.
Het Bouwbesluit deelt een bouwwerk in: een bouwwerk is een gebouw of geen gebouw; een gebouw bestaat uit constructie (bouwdelen, materialen), ruimten en installaties. Aan de ruimten hangen gebruiksfuncties.
Plantoetsing in vijf stappen
| Stap | Benoem | Uitleg |
|---|---|---|
| 1 | Gebruiksfuncties | Het deel van een of meer bouwwerken op een perceel met dezelfde gebruiksbestemming, dat samen een gebruikseenheid vormt |
| 2 | Gebruiksoppervlak (GO) | De oppervlakte die gebruikt kan worden, gemeten volgens vaste regels |
| 3 | Gedefinieerde ruimtes | Ruimtes die aanwezig moeten zijn, afhankelijk van gebruiksfunctie en grootte |
| 4 | Verblijfsgebied en verblijfsruimtes | Waar de kenmerkende activiteiten van de functie plaatsvinden |
| 5 | Restruimte | Ruimte die overblijft en niet benoemd kan worden |
Stap 1: gebruiksfuncties
Gebruiksfuncties voor een gebouw: woonfunctie, bijeenkomstfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, logiesfunctie, onderwijsfunctie, sportfunctie, winkelfunctie en overige gebruiksfuncties. Een gebouw is een bouwwerk met een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte.
- Elk deel van een bouwwerk heeft een gebruiksfunctie.
- De gebruiksfunctie hoort bij een ruimte, niet bij een gebouw: één gebouw heeft vaak meerdere functies (een school heeft bijvoorbeeld een onderwijs-, bijeenkomst-, sport- en kantoorfunctie).
- Een ruimte kan meerdere gebruiksfuncties hebben.
- Er is ook gemeenschappelijke ruimte.
- Een gebruiksfunctie hoeft niet aaneengesloten te zijn.
- Een gebruiksfunctie ligt op één perceel.
Stap 2: gebruiksoppervlak
Niet in het gebruiksoppervlak tellen onder meer:
- dragende binnenwanden;
- een trapgat, liftschacht of vide groter dan 4 m2;
- vloeroppervlak met een vrije hoogte kleiner dan 1,5 m (de vloer onder een trap of hellingbaan telt wel mee);
- een vrijstaande bouwconstructie (geen trap) of leidingschacht met een horizontale doorsnede groter dan 0,5 m2.
Niet-dragende wanden, een trapgat tot 4 m2 en een leidingschacht tot 0,5 m2 tellen dus wel mee.
Stap 3 en 4: gedefinieerde ruimtes en verblijfsruimtes
Gedefinieerde ruimtes zijn bijvoorbeeld toiletruimte, badruimte, technische ruimte (meterruimte, stookruimte, liftmachinekamer), verkeersruimte, fietsenstalling, opslag voor huishoudelijk afval, liftschacht en verblijfsruimte. Per ruimte gelden eisen, zoals minimale afmetingen en of een toilet op slot moet kunnen.
Wat je in de portfolio-plantoetsing nagaat
- welke gebruiksfuncties aanwezig zijn (bijvoorbeeld kantoorfunctie en woonfunctie);
- welke ruimtes verblijfsruimtes zijn;
- of de routing logisch en veilig is;
- of publieke, private en woonfuncties goed gescheiden zijn;
- of de toegankelijkheid voldoende is;
- aandachtspunten rond daglicht, ventilatie, geluid en privacy;
- vluchtwegen en brandveiligheid op hoofdlijnen;
- wat een bouwkundige, architect of adviseur verder moet uitwerken.
Bouwfasen, bestek en aanbesteden
Les 5.2Les 5.2 volgt een bouwproject van idee tot oplevering, met nadruk op het bestek en de aanbesteding.
Zes bouwfasen
| Fase | Vraag | Product | Hoofdfase |
|---|---|---|---|
| 1. Initiatief | Idee | Aanleiding, haalbaarheid | Bouwvoorbereiding |
| 2. Definitie | Wat? | Programma van eisen | Bouwvoorbereiding |
| 3. Ontwerp | Hoe? | VO en DO | Bouwvoorbereiding |
| 4. Voorbereiding | Uitvoeringsgereed maken | Bestek | Uitvoering |
| 5. Realisatie | Uitvoering | Het gebouw | Uitvoering |
| 6. Exploitatie | Gebruik en in stand houden | Beheer | Exploitatie |
De fases nader bekeken
- Initiatief: er is een aanleiding; oriëntatie op de bouwbehoefte: randvoorwaarden, kwaliteit, terrein, bestemmingsplan, haalbaarheid, risico's, business case, budget.
- Definitie: het PvE (ruimtelijk, functioneel, relatieschema), plus budget, planning, projectorganisatie, zoeken naar een architect en de gevolgen voor beheer en exploitatie.
- Ontwerp: architect selecteren; basis is het PvE plus budget. Van grof naar fijn: structuurschets (situering hoofdfuncties, bouwvolume, inpassing, ontsluiting), schetsontwerp (niets staat vast, grote aanpassingen nog mogelijk), voorlopig ontwerp (VO) en definitief ontwerp (DO).
- Bestek: het DO wordt technisch uitgewerkt tot bestektekeningen en het bestek. Daarbij hoort het technisch ontwerp van installaties en ingewikkelde constructies.
- Uitvoering: aanbesteding aan een aannemer op basis van bestek en DO, voorbereiding (terrein-, materiaal-, personeelsplan), fundering, ruwbouw (wind- en waterdicht), afbouw (afwerking, detaillering), inrichting bestellen. Resultaat: het 'kale' gebouw.
Het bestek
Doel van het bestek: het is nodig voor de prijsvorming (aanbesteding), het geldt als contract, het heeft bestektekeningen en het dient voor communicatie en controle. Er staan materialen en voorwaarden in.
Begrippen die je in een bestek tegenkomt: meer- en minderwerk, stelposten, werkbare dagen, werk buiten bestek, de 'directie', UAV, STABU en de nota van inlichtingen. De dia noemt deze begrippen alleen; een uitleg ervan staat niet in het lesmateriaal op Brightspace.
Vier vormen van aanbesteden
| Vorm | Hoe het gaat |
|---|---|
| 1. Openbaar | Publicatie; iedere aannemer kan inschrijven |
| 2. Openbaar met voorafgaande selectie | Publicatie; aannemers melden zich bij de opdrachtgever, die er bijvoorbeeld zes kiest en hun het bestek stuurt |
| 3. Onderhands (op uitnodiging) | De opdrachtgever kiest zelf 2 tot 6 aannemers en vraagt ze in te schrijven; in het algemeen wint de laagste inschrijver |
| 4. Onderhands na selectie | De opdrachtgever stelt eisen, kiest circa 10 aannemers, selecteert en stuurt het bestek |
In de les wordt een aanbesteding nagespeeld: een kantoorgebouw met een begroting van de architect van € 13.780.000, vier inschrijvers, architect en opdrachtgever aanwezig, bij de opdrachtgever op kantoor.
Uitvoering: stakeholders, contractvormen, BIM en IWMS
Les 5.3Les 5.3 gaat over wie er bij de uitvoering betrokken zijn, hoe je met hen omgaat, welke contractvormen er zijn en hoe informatie wordt beheerd met BIM en IWMS.
Stakeholders
Je brengt stakeholders in drie stappen in beeld: benoemen (bijvoorbeeld met een projectomgevingskaart rond de projectorganisatie), rubriceren en prioriteren.
| Soort stakeholder | Omschrijving | Voorbeelden |
|---|---|---|
| Intern | Vanuit de eigen organisatie bij het project betrokken | Stuurgroep, projectmanager, teamleden; lijnmanagers, medewerkers, ondernemingsraad |
| Extern | Externe partij die bij het project betrokken is | Leveranciers, investeerders, adviseurs, klanten; pers en media, concurrenten |
| Interface | Niet betrokken, maar wel met een legitiem belang | Lokale overheid; maatschappij, vakbonden, belangengroeperingen |
Per soort onderscheid je ook primaire stakeholders (direct invloed op aanpak of resultaat) en secundaire.
| Mendelows matrix | Klein belang | Groot belang |
|---|---|---|
| Veel invloed of macht | Beïnvloeder: tevreden houden | Sleutelfiguur: vertroetelen |
| Weinig invloed of macht | Toeschouwer: monitoren | Geïnteresseerde: informeren |
Communiceren met stakeholders leg je vast in een communicatieplan (met wie, welke doelen, welke boodschap, welke middelen, hoe monitor je het resultaat) en een communicatiekalender (wanneer communiceer je wat en hoe, wie communiceert, wat mag het kosten).
Bouwpartijen (actoren)
| Partij | Rol |
|---|---|
| Opdrachtgever (bouwheer, principaal) | Particulier, projectontwikkelaar, overheid of bedrijf. Regelt grond, vergunningen, financiering, beslissingen, PvE en keuze van partners. Probleem: vaak weinig bouwkennis. |
| Architect (bouwmeester) | Maakt tekeningen, bestek en begrotingen; 'vertrouwensman' van de opdrachtgever; vaak ook de 'directie' die toezicht houdt op het werk |
| Opzichter | Vertegenwoordiger van de architect op de bouw; toetst aan bestek en tekeningen |
| (Hoofd)aannemer | Voert het werk uit en stuurt onderaannemers aan |
| Uitvoerder | Vertegenwoordiger van de aannemer op de bouw |
| Onderaannemer | Specialist onder verantwoordelijkheid van de hoofdaannemer: stukadoor, loodgieter, elektricien, dakdekker, tegelzetter |
| Overheid (gemeente) | Bestemmingsplan, sloop- en bouwvergunning, bouw- en woningtoezicht |
| Adviseurs en specialisten | Kosten, milieu, akoestiek, binnenhuisarchitectuur, constructie, makelaar |
Projectorganisatie
Een veelgebruikte opzet is het stuurgroep-projectgroep-werkgroepmodel: onder de raad van bestuur of directie staat een stuurgroep, daaronder projectgroepen en daaronder werkgroepen. Ze zijn verbonden via 'linking pins': iemand die in twee lagen zit.
Contractmodellen
| Model | Kenmerken |
|---|---|
| 1. Traditioneel | Opdrachtgever heeft de regie en contracteert architect en bouwpartijen apart; directievoering vaak uitbesteed aan architect of adviseur; aanbesteding op basis van bestek en DO; de beste aanbieding wint; aannemer besteedt delen uit |
| 2. Bouwteam | Aannemer is al vanaf de ontwerpfase betrokken, vooral adviserend; partijen nemen samen de belangrijkste beslissingen; oplossingen worden vroeg getoetst op uitvoerbaarheid; lastig in concurrentie aan te besteden |
| 3. Design & Construct | Het hele project gaat naar één partij (vaak een aannemer, maar ook architect, adviseur of projectontwikkelaar); opdrachtgever heeft minder invloed, dus vooraf goede afspraken en tussentijdse meetpunten |
| 4. PPS (publiek-private samenwerking) | Overheid is opdrachtgever (bijvoorbeeld gevangenis, ministerie, kazerne) en beschrijft wat ze de komende 30 jaar nodig heeft; een consortium realiseert dat inclusief financiering; de overheid betaalt 30 jaar een bedrag voor de geleverde prestatie. Partijen voor D-B-F-M-O (de dia geeft alleen de afkorting; gangbaar staat die voor Design, Build, Finance, Maintain, Operate) |
Hoe verder je van traditioneel naar geïntegreerd gaat, hoe meer taken (ontwerp, bouw, onderhoud en beheer) in één contract zitten. Bij een bouwteam heeft de aannemer in de ontwerpfase een inspanningsverplichting; bij een geïntegreerd contract zitten ontwerp en bouw samen in één contract, met onderhoud en beheer als optie (facultatief). Bij 'strategische samenwerking' zit alles, van initiatief tot onderhoud en beheer, in één geïntegreerd contract.
Business case
Een business case helpt beslissingen te nemen en alternatieven af te wegen. Ingrediënten: wat zijn de alternatieven, wat is de relatie met de huisvestingsvisie, welke randvoorwaarden gelden, plus een impactanalyse (effecten voor stakeholders), investeringsanalyse (voor- en nadelen in geld uitgedrukt) en risicoanalyse (risico's en waarschijnlijkheid). Voorbeeldcasus in de les: vervangen we het bestaande meubilair in de nieuwbouw of niet?
Informatiemanagement
Projectinformatie is wel of niet vastgelegd, actueel of niet. Actuele informatie die beheerst moet worden (bijvoorbeeld beslisdocumenten) vraagt om identificatie (codering, inhoudsopgave, vormgeving), registratie (wie stelt op, adviseert, beoordeelt, verstuurt, ontvangt, archiveert) en bewaking (wie geeft vrij en wie mag wijzigen, volgens welke procedure).
FM-BIM is BIM toegepast in de exploitatiefase: ruimtebeheer, schoonmaakmanagement, beheer en onderhoud (MJOP) en koppeling met een FMIS, bijvoorbeeld voor meldingen. De les toont ook de digital twin: een digitaal model dat gekoppeld is aan het echte gebouw.
| Kenmerk | FMIS | IWMS |
|---|---|---|
| Focus | Operationeel en tactisch facilitair beheer | Strategisch vastgoed- en werkplekbeheer |
| Gebruikers | Facilitair managers, servicedesk, gebouwgebruikers | Directie, CFO, vastgoedmanagers, facilitair directeuren |
| Data | Meldingen, catering, schoonmaak, operationeel onderhoud | Vastgoed, financiën, HR, duurzaamheid en IT geïntegreerd |
| Database | Vaak gekoppelde modules per taak | Eén centrale database met volledig geïntegreerde modules |
Duurzaamheid, circulair bouwen en binnenklimaat
Les 6.1Gebouwen hebben grote invloed op energiegebruik, grondstoffen en de gezondheid van gebruikers. Les 6.1 geeft twee denkmodellen waarmee je duurzame keuzes ordent, de Trias energetica (energie) en de Trias materia (materialen), en sluit af met het binnenklimaat. Beide Trias-modellen gebruik je later ook in het duurzame MJOP.
Van minder slecht naar positieve impact
De les zet een ontwikkeling neer van conventioneel bouwen (negatieve impact) via 'green' (minder schade) naar sustainable, en daarna restorative en regenerative (iets teruggeven, positieve impact op mens en milieu). Pas vanaf het punt 'sustainable' mag een ontwikkeling duurzaam en toekomstbestendig heten; daar ligt ook 'Paris Proof'. Het BBL staat op de dia net onder dat punt, in het 'green'-deel.
Tijdlijn uit de les
- Industriële revolutie (18e eeuw), Club van Rome (1972), Brundtland 'Our common future' (1987)
- Keurmerken en regels: BREEAM (1990), LEED (1993), EPC (1995), WELL (2013), BENG (2021)
- Circulair denken: Cradle to Cradle 'Afval is voedsel' (2002), vlindermodel van de Ellen MacArthur Foundation (2011), Madaster (2016)
- Drie transities: energietransitie, materiaaltransitie (naar circulair en biobased) en welzijnstransitie (biofilisch)
Trias energetica
| Stap | Wat | Voorbeelden uit de les |
|---|---|---|
| 1 | Beperk de energievraag | Isoleren van de buitenschil (meeste winst): spouwmuur, dak, vloer, geïsoleerd glas |
| 2 | Gebruik duurzame energie | Op de dia: zonnepanelen, ledverlichting en een ketel met energielabel A |
| 3 | Gebruik fossiele brandstoffen zo efficiënt en schoon mogelijk (indien nodig) | Zuinige installaties met hoog rendement, goede regeltechniek en monitoring via een gebouwbeheersysteem (BMS), weinig verspilling. De dia noemt dit uitdrukkelijk de laatste optie. |
Naast de Trias energetica en materia toont de dia ook de Trias humana: 1. vertaal doelgroep en gebruiksgedrag en -wensen, 2. bouw flexibiliteit in en maak toekomstbestendig, 3. gebruik de ruimte efficiënt. Warmte stroomt altijd van warm naar minder warm: door het dak, de gevels en de vloer naar buiten of naar de kruipruimte. Isolatie of geïsoleerd glas vergroot de warmteweerstand (R). Bij geïsoleerd glas houdt een coating de binnenwarmte binnen en weert een deel van de zonnewarmte, terwijl een deel als gratis warmtewinst binnenkomt. In een spouwmuur kan isolatie ook achteraf in de spouw worden geblazen.
Trias materia
| Stap | Wat | Toelichting |
|---|---|---|
| 1 | Beperk de hoeveelheid materiaal | Van lineair (take, make, dispose) naar circulair (gebruiken en opnieuw inzetten). Eerst nagaan of iets wel nodig is. |
| 2 | Gebruik secundair en biobased materiaal | Hergebruikte materialen en materialen van biologische oorsprong, zoals hout, vlas, hennep, wol |
| 3 | Gebruik materiaal zo efficiënt mogelijk | Slim ontwerpen: bijvoorbeeld daglicht via dakramen en een vide diep in de woning, zonnepanelen op het zuiden |
Het vlindermodel (Ellen MacArthur Foundation) splitst stromen in twee vleugels: biologische grondstoffen (terug naar de natuur via onder meer vergisting en compostering, cascadering) en technologische grondstoffen. Voor technologische grondstoffen geldt: hoe kleiner de kringloop, hoe beter. Van binnen naar buiten: onderhoud, hergebruik en herdistributie, herstel en hergebruik van componenten, en als laatste recycling.
De R-ladder (circulariteitsladder)
| R | Strategie | Betekenis |
|---|---|---|
| R0 | Refuse | Product overbodig maken door van de functie af te zien of die radicaal anders te leveren |
| R1 | Rethink | Productgebruik intensiveren, bijvoorbeeld delen of multifunctioneel gebruik |
| R2 | Reduce | Efficiënter fabriceren of gebruiken: minder grondstoffen en materialen |
| R3 | Re-use | Afgedankt maar goed product opnieuw gebruiken in dezelfde functie door een ander |
| R4 | Repair | Kapot product repareren en onderhouden voor de oude functie |
| R5 | Refurbish | Oud product opknappen of moderniseren |
| R6 | Remanufacture | Onderdelen van een afgedankt product gebruiken in een nieuw product met dezelfde functie |
| R7 | Repurpose | Afgedankt product of onderdelen gebruiken in een nieuw product met een andere functie |
| R8 | Recycle | Materialen verwerken tot dezelfde (hoogwaardig) of mindere (laagwaardig) kwaliteit |
| R9 | Recover | Materialen verbranden met energieterugwinning |
Een tweede versie van de ladder (Planbureau voor de Leefomgeving) telt R1 tot en met R6: refuse en rethink, reduce, reuse, repair/refurbish/remanufacture/repurpose, recycling, recover. De volgorde is hetzelfde, alleen de nummering verschilt.
Oefening uit de les: welke R? (de dia geeft geen antwoorden; dit is een mogelijke indeling)
- Eerst kijken of er minder werkplekken nodig zijn voordat je opnieuw inricht: hoog op de ladder (refuse, rethink of reduce).
- Demontabele wanden zodat ruimtes later makkelijk aan te passen zijn: maakt aanpassen en later hergebruik van onderdelen mogelijk in plaats van slopen.
- Bureaustoelen met versleten stof: repareren en opnieuw stofferen (repair/refurbish) in plaats van vervangen. Dit voorbeeld staat zo op de dia bij de verslagopdracht.
- Oude tapijttegels terug naar de leverancier: hergebruik of recycling door de producent, afhankelijk van wat de leverancier ermee doet.
- Alle bureaus vervangen omdat ze niet bij de nieuwe huisstijl passen: lineair, niet circulair.
Met een LCA kun je bijvoorbeeld kozijnen van aluminium, hout en kunststof vergelijken. De les vraagt om materiaalkeuzes in het MJOP zo te motiveren.
Binnenklimaat
Comfort binnen hangt af van vijf factoren: temperatuur, licht, vocht, lucht en geluid. Het gebouw kan die positief beïnvloeden:
| Factor | Hoe het gebouw helpt |
|---|---|
| Temperatuur | Isoleren van de schil en installaties |
| Geluid | Isoleren en akoestisch materiaal |
| Lucht | Natuurlijke ventilatie en/of installaties |
| Vocht | Bouwkundige maatregelen en installaties |
| Licht | Glas en installaties |
Veelvoorkomende klachten over het binnenklimaat zijn onder meer: te warm, te koud, tocht, benauwdheid, hoofdpijn, vermoeidheid, droge of geïrriteerde ogen, keel en huid, verstopte of lopende neus, te veel lawaai, te weinig daglicht, onprettige of onvoldoende verlichting en slecht kunnen concentreren.
Rekenvoorbeeld uit de les: waarom binnenklimaat geld waard is
- Uitgangspunt: een organisatie van 500 medewerkers, bruto toegevoegde waarde per medewerker € 96.932 per jaar (cijfers 2018).
- Productiviteit 2,5% hoger: 0,025 x € 96.932 = € 2.423 per medewerker, voor 500 medewerkers € 1.211.500 per jaar.
- Ziekteverzuim 1 procentpunt lager levert volgens de dia ongeveer € 850 tot € 969 per medewerker op; de dia noemt beide bedragen.
- Les: een beter binnenklimaat is geen luxe maar levert aantoonbaar waarde op.
Vocht in gebouwen
Vocht kan uit verschillende bronnen komen, en elke bron vraagt een andere oplossing: neerslag (ook verticale vochtdoorslag door de gevel), vocht in bouwstoffen, condensatie, lekkage en vocht vanuit de grond (hydrostatische druk). Zichtbare gevolgen zijn schimmel, loslatend stucwerk en zoutkristallen (witte uitslag) op de muur.
Beheer en onderhoud: introductie MJOP en levensduur
Les 6.2Na de oplevering begint de langste fase van de huisvestingscyclus: beheer en exploitatie. Les 6.2 introduceert het meerjarenonderhoudsplan (MJOP), de factoren die bepalen hoeveel onderhoud een gebouw nodig heeft, en de drie soorten levensduur.
Beheer en onderhoud
Post-Occupancy Evaluation (POE)
- Ervaringen en gedrag van gebruikers
- Financiële aspecten
- Vastleggen van onverwachte effecten, positief en negatief
Onderhoud (MJOP)
- Inventarisatie van de onderhoudsgevoelige elementen
- Inspectie van elk onderdeel
- Planning van het benodigde onderhoud voor 10 à 20 jaar
De onderhoudsbeheercyclus
De dia toont (met een figuur uit Huisvestingsmanagement) planning en budgettering van onderhoud als een cyclus:
- Invoer: onderhoudsstrategie, prijzen en normen, inventarisatie en inspectie.
- Daaruit volgt het meerjarenonderhoudsplan met raming.
- Dat wordt vertaald naar een jaarplan met begroting,
- dan naar een plan met budget,
- en tot slot naar de opdracht aan de uitvoerder.
- Via bijsturing gaat de informatie terug naar de strategie en de prijzen en normen.
Het portfolio-MJOP richt zich op het eerste deel van die cyclus: strategie, inventarisatie, inspectie en het MJOP met raming.
Waarom onderhoud nodig is
De les laat krantenkoppen zien over onveilige balkons, constructieschade bij een ingestorte flat en miljarden aan achterstallig onderhoud van schoolgebouwen. Zonder planmatig onderhoud ontstaan veiligheidsrisico's en grote kostenposten.
Vijf factoren die de onderhoudsbehoefte bepalen
| Factor | Uitleg en voorbeeld |
|---|---|
| 1. Gebruiksintensiteit | Intensief gebruik (zoals een drukke stationshal) slijt sneller dan extensief gebruik (een schuurtje in het weiland) |
| 2. Doel | Tijdelijke huisvesting (bijvoorbeeld tijdelijke woonstudio's of een tijdelijk gebouw van een reddingsbrigade) vraagt een ander onderhoudsniveau dan een gebouw voor de lange termijn |
| 3. Materiaalgebruik | Baksteen, natuursteen, hout, metaal en beton vragen elk ander onderhoud; de keuze hangt af van beschikbaarheid en de architect |
| 4. Klimaat | Nederland tegenover Italië, Noorwegen of Aruba: weer en wind bepalen hoe snel materialen verouderen |
| 5. Ontwerp | Dakoverstekken en overkappingen beschermen de gevel; veel glas en staal vraagt juist meer onderhoud |
Drie soorten levensduur
| Levensduur | Wanneer is die voorbij? |
|---|---|
| Technische levensduur | Als het gebouw niet meer de technische en bouwfysische prestaties levert die nodig zijn om het te gebruiken en de veiligheid en gezondheid van gebruikers te waarborgen. Oorzaken: invloed van buitenaf, veroudering van materialen, gebruik en slijtage, veranderende regelgeving. |
| Functionele levensduur | Als het gebouw of bouwelement niet meer past bij het gebruik, ook al is het technisch nog in orde. |
| Economische levensduur | Als de kosten van het gebouw hoger worden dan de baten, bijvoorbeeld door lagere huren, leegstand of de conjunctuur. |
De grafiek van de technische levensduur laat zien dat het prestatieniveau van een gebouw daalt, door onderhoud telkens deels wordt opgehaald, maar per interval verder zakt. Tegelijk stijgen de eisen. Raakt het prestatieniveau de acceptatiegrens, dan is een grotere investering (renovatie) nodig die het niveau weer boven de eisen brengt.
Discussie uit de les
De les laat je de brand van de Notre Dame bespreken in relatie tot technische, functionele en economische levensduur. Goede oefening: welke van de drie is door de brand geraakt, en welke niet?
De MJOP-opdracht in het kort
Het portfolio-MJOP bestaat uit drie delen: organisatie en context (wie is de organisatie, type gebouw en gebruik, trends, invloed van de vijf factoren), de bevindingen van de NEN 2767-inspectie met foto's, en het MJOP-overzicht voor 20 jaar met onderhoudsstrategie, kosten, verwerking van duurzaamheid en onderbouwing van de planning. Zie de pagina Toetsing en beoordeling.
Soorten onderhoud, NEN 2767 en onderhoudsstrategie
Les 6.3Les 6.3 behandelt welke soorten onderhoud er zijn, hoe je met de NEN 2767 objectief de conditie van een bouwdeel bepaalt en welke onderhoudsstrategie bij een organisatie past. Dit is een van de meest rekenbare onderdelen van het tentamen.
Soorten onderhoud
| Hoofdsoort | Subsoort | Vorm |
|---|---|---|
| Schoonmaakonderhoud | ||
| Technisch onderhoud | Planmatig of regulier onderhoud | Preventief onderhoud, inspectief onderhoud |
| Technisch onderhoud | Niet-gepland onderhoud | Storingsonderhoud, correctief onderhoud, mutatieonderhoud |
Alles valt onder 'onderhoud voor instandhouding van prestaties'. Planmatig onderhoud plan je vooraf in (zoals in een MJOP); niet-gepland onderhoud ontstaat door een storing, een gebrek of een mutatie (bijvoorbeeld een verhuizing of wijziging).
Conditiemeting volgens NEN 2767
Doelen van een conditiemeting: de huidige conditie controleren en achterstallig onderhoud kwantificeren. Daarna kun je prioriteren (wat wanneer, met een onderhoudsstrategie), een MJOP opstellen en acties clusteren, en het onderhoudsbudget verdelen.
De conditiescore (1 tot 6)
| Score | Conditie | Kern |
|---|---|---|
| 1 | Uitstekend | Nieuwbouwkwaliteit; hooguit incidenteel een gebrek door een calamiteit, niet door veroudering |
| 2 | Goed | Lichte invloed van gebruik, weer en wind; de nieuwheid is eraf, functie gewaarborgd |
| 3 | Redelijk | Eerste echte gebreken zoals houtrot en corrosie; veroudering overal op gang; incidenteel een storing |
| 4 | Matig | Veroudering heeft het element duidelijk in zijn greep; het einde nadert; plaatselijk storingen |
| 5 | Slecht | Veroudering min of meer onomkeerbaar; regelmatig ernstige gebreken; functie niet meer gewaarborgd |
| 6 | Zeer slecht | Voortdurende storing in de functievervulling |
Gebrekenopname: ernst, intensiteit en omvang
Elk gebrek beoordeel je op drie aspecten. De combinatie levert via de tabel de conditiescore.
| Ernst | Betekenis | Voorbeelden |
|---|---|---|
| Ernstig | Directe inbreuk op het functioneren: het element doet niet meer wat het moet doen | Corrosie, houtrot, lekkage, constructieve scheur, verpoedering van een verflaag |
| Serieus | Indirecte invloed op het functioneren, degradatie | Scheur in een binnenwand, verwering, loszittende vloer, beschadigde plafondplaten, verzanding van voegwerk |
| Gering | Geen afbreuk aan het functioneren, alleen esthetisch | Mos, vervuiling, graffiti |
| Intensiteit | Stadium | Toelichting |
|---|---|---|
| 1 (laag) | Beginstadium | Gebrek nauwelijks waarneembaar, oppervlakkig |
| 2 (midden) | Gevorderd stadium | Gebrek duidelijk waarneembaar, in het oppervlak |
| 3 (hoog) | Eindstadium | Gebrek zeer duidelijk, onomkeerbaar, kan niet of nauwelijks toenemen |
| Omvang | Percentage van het element | Het gebrek komt... |
|---|---|---|
| 1 | minder dan 2% | incidenteel voor |
| 2 | 2% tot 10% | plaatselijk voor |
| 3 | 10% tot 30% | regelmatig voor |
| 4 | 30% tot 70% | aanzienlijk voor |
| 5 | 70% of meer | algemeen voor |
De conditiebepalingstabel
| Ernst / intensiteit | Omvang 1 | Omvang 2 | Omvang 3 | Omvang 4 | Omvang 5 |
|---|---|---|---|---|---|
| Gering / laag | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 |
| Gering / midden | 1 | 1 | 1 | 2 | 3 |
| Gering / hoog | 1 | 1 | 2 | 3 | 4 |
| Serieus / laag | 1 | 1 | 1 | 2 | 3 |
| Serieus / midden | 1 | 1 | 2 | 3 | 4 |
| Serieus / hoog | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |
| Ernstig / laag | 1 | 1 | 2 | 3 | 4 |
| Ernstig / midden | 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |
| Ernstig / hoog | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 |
Stappen: bepaal de ernst, bepaal de intensiteit, bepaal de omvang (als percentage van het hele element) en lees de score af in de tabel.
Rekenvoorbeelden uit de les
- Omvang berekenen: een dak van 500 m2 met 50 m2 gebrek: 50 / 500 = 10%, dus omvang 3 (regelmatig).
- Lekkage over ongeveer 15%: ernstig (lekkage is altijd ernstig), intensiteit hoog (altijd eindstadium), omvang 3. Conditiescore 4.
- Verzanding van voegwerk over ongeveer 5%: serieus, intensiteit 2, omvang 2. Conditiescore 1.
- Constructieve scheurvorming in metselwerk: 20 m1 op 2200 m2, dus minder dan 2%. Ernstig, hoog, omvang 1. Conditiescore 2.
- Krijtvorming van schilderwerk op hout: 350 m2 op 350 m2 = 100%. Serieus, midden, omvang 5. Conditiescore 4.
- Verzanden van voegwerk bij een monument: 650 m2 op 1300 m2 = 50%. Serieus, midden, omvang 4. Conditiescore 3.
Gebreken per element: voorbeelden van prioriteit
| Element | Ernstig | Serieus | Gering |
|---|---|---|---|
| Buitenwand | Doorslaand vocht, constructieve scheur | Niet-constructieve scheuren, afbrokkelen, verwering, verzanding van voegwerk, dilatatie niet intact | Mos en algen, graffiti, vuil en verkleuring |
| Dakafwerking | Lekkage, onvolledige dekking of breuk van pannen, losse naden bij bitumen | Afschilferende pannen, blazen en plooien van bitumen, slecht afschot (water blijft staan) | Mos en algen, vuil, plantengroei |
| Kozijnen en deuren | Lekkage, corrosie, houtrot, scheuren in kozijnen, afbladderende verf, kale delen | Afbrokkelen, defect hang- en sluitwerk, ontbrekend kitwerk, verpoederen of blazen van verf, glansverlies | Mos en algen, vuil, verkleuring |
| Vloerafwerking | Lekkage, losse naden | Scheuren, afschilferen, beschadiging | Vuil, aanslag, verkleuring |
Vier onderhoudsstrategieën
- In goede staat houden
- In stand houden
- Bruikbaar houden voor een beperkte termijn
- Verbeteren
De dia noemt alleen deze vier namen, zonder omschrijving. Lees ze letterlijk: bij 'in goede staat houden' houd je het niveau hoog, bij 'in stand houden' blijft het gebouw functioneren, bij 'bruikbaar houden voor een beperkte termijn' doe je alleen wat nodig is voor een korte gebruiksperiode, en bij 'verbeteren' til je het niveau bij het onderhoud omhoog. De precieze omschrijving staat in Huisvestingsmanagement par. 11.3 (niet op deze site).
Welke strategie past, hangt af van termijn, budget, functie, beleving en risico's. De les oefent met vier casussen (de dia geeft de keuze niet, die moet je zelf beredeneren): een kringloopwinkel op een industrieterrein met lage marges die niet weet of hij over drie jaar nog bestaat, het hoofdkantoor van een bank met veel bezoekers en klanten en een regiofunctie voor de lange termijn, een basisschool die nog maximaal tien jaar wordt gebruikt, met beperkt budget van de gemeente en een tekort aan docenten, en een monumentaal theater met culturele waarde en beperkte subsidie.
Risico's die de prioriteit bepalen
- Veiligheid en gezondheid
- Gebruik en bedrijfsproces
- Cultuurhistorische waarde
- Duurzaamheid
- Beleving en esthetiek
- Technische vervolgschade
- Toename van klachtenonderhoud
Een inspectiekaart in een MJOP koppelt het gebrek aan die risico's. Voorbeeld uit de les: vloerafwerking met plavuizen in een kleedruimte, ernst serieus, intensiteit 3, omvang 4, conditie 4; de risico's (vooral klachtenonderhoud en beleving) leveren een prioriteitsscore op en de maatregel 'vervangen' wordt in een bepaald jaar gepland.
Van inspectie naar duurzaam MJOP (DMJOP)
Les 7.2In les 7.2 gaan de inspectieresultaten het MJOP in. Je bepaalt per element welke maatregel nodig is, wanneer en wat die kost, en je combineert onderhoud met verduurzaming. Zo ontstaat een duurzaam MJOP (DMJOP).
Welk onderhoud is nodig?
- Maatregel: wat ga je doen om het gebrek te verhelpen, of welk onderhoud is in de toekomst nodig als er nu nog geen gebrek is?
- Hoeveelheid: hoeveel van het element heeft onderhoud nodig (m2 vloer, aantal deuren)?
- Kosten: eenheidsprijs maal hoeveelheid geeft de totale kosten.
Een MJOP-overzicht zet per element (codes en hoofdgroepen zoals gevels, daken, kozijnen, schilderwerk, installaties, terrein) de kosten per jaar uiteen, met een totaal per jaar, de btw en het totaal inclusief btw. Terugkerende posten (in het voorbeeld van de tennisvereniging jaarlijks € 360 voor daken) en grote pieken (in dat voorbeeld de posten 'diversen' en terreinafwerkingen) worden zo zichtbaar.
Waar haal je de kosten vandaan?
- Een voorbeeldcasus (in de les een MJOP van een tennisvereniging)
- Kengetallen per m2, per strekkende meter of per stuk
- Online richtprijzen en consumentenwebsites, inclusief de kosten van arbeid
| Maatregel | Mogelijke kostenbasis |
|---|---|
| Dakbedekking vervangen | m2 dakoppervlak |
| Vloerafwerking vervangen | m2 vloeroppervlak |
| Schilderwerk kozijnen | m2 of strekkende meter |
| Deuren herstellen | aantal deuren |
| Verlichting vervangen | aantal armaturen |
| Goten reinigen | strekkende meter |
| Installatie vervangen | richtprijs per installatie |
| Sanitair vervangen | aantal toiletten of kranen |
Verduurzaming en het DMJOP
Achtergrond is het Klimaatakkoord van 2019: een energieneutrale gebouwde omgeving, in 2030 55% minder CO2-uitstoot en in 2050 klimaatneutraal. Voor kantoren geldt sinds 2023 minimaal energielabel C, op termijn label A.
| Onderhoudsgebrek | Waarom een duurzaamheidsprobleem? | DMJOP-maatregel |
|---|---|---|
| Slecht sluitende ramen en deuren | Warmteverlies, tocht, hoger energiegebruik | Kierdichting, herstel hang- en sluitwerk |
| Verouderde dakbedekking met lekkages | Kans op schade aan isolatie en constructie | Dak tijdig herstellen of vervangen en isolatie meenemen |
| Vervuilde ventilatieroosters of filters | Slechter binnenklimaat en hoger energiegebruik | Periodiek reinigen en filters vervangen |
| Onderdeel | Natuurlijk onderhoudsmoment | Duurzame of circulaire kans |
|---|---|---|
| Dak | Dakbedekking vervangen | Extra isolatie, zonnepanelen, groen dak, waterberging |
| Gevel | Gevelonderhoud of schilderwerk | Isolatie verbeteren, kierdichting, hergebruik materialen |
| Verlichting | Armaturen aan einde levensduur | Led, sensoren, daglichtregeling, demontabele armaturen |
| Verwarming | Ketel of installatie aan einde levensduur | Warmtepomp, warmtenet, lagetemperatuurverwarming |
| Ventilatie | Installatieonderhoud | Vraaggestuurde ventilatie, warmteterugwinning |
De Trias energetica en de Trias materia uit les 6.1 vormen de onderbouwing van die keuzes.
Circulair beheren
De les toont een raamwerk voor circulaire bestaande gebouwen met stromen en waarden. Stromen zijn energie, water, mobiliteit en materialen; daarvoor gelden vijf strategieën: behoud, reduceer de vraag, circulaire instroom, borg toekomstig hergebruik en benut de uitstroom. Waarden zijn maatschappij en cultuur, gezondheid en welzijn, en biodiversiteit en ecosystemen; daarvoor gelden vier strategieën: bescherm, versterk, verbind en waardeer.
Materialen volgens het raamwerk
- 1. Behoud materiaalvoorraden
- 2. Reduceer materiaalgebruik
- 3. Pas circulaire materialen toe
- 4. Faciliteer hoogwaardig hergebruik
- 5. Benut vrijkomende materialen hoogwaardig
Hoe komt alles samen?
De les oefent met drie casussen waarin je strategie, termijn (kort 0 tot 2 jaar, middellang 3 tot 7 jaar, lang 8 tot 20 jaar) en duurzaamheid combineert:
| Casus | Gebrek | Wat de organisatie wil |
|---|---|---|
| Gemeentehuis met publieke functie, nog twintig jaar in gebruik | Versleten automatische schuifdeuren die nog werken maar regelmatig haperen; tocht bij de entree | Toegankelijk, betrouwbaar en duurzaam overkomen |
| Sportvereniging met beperkt budget, draait vooral op vrijwilligers | Beschadigde houten buitendeuren, bladderende verf, beginnende houtrot; de deuren sluiten nog goed | Een gebouw dat vooral veilig, schoon en bruikbaar is |
| Buurthuis met maatschappelijke functie | Verouderde verlichting die veel energie gebruikt; sommige armaturen doen het niet goed meer | Laagdrempelig, betaalbaar en sociaal toegankelijk blijven |
De dia geeft bij deze casussen alleen de vraag (welke strategie, op welke termijn, hoe neem je duurzaamheid mee), geen antwoord. Gebruik de drie principes hierboven en de tabellen met natuurlijke onderhoudsmomenten om zelf een onderbouwde keuze te maken.