SAMENVATTING · 19 onderdelen · ±69 min lezen

Huisvesting: studiesamenvatting

Huisvesting gaat over de vraag hoe je een organisatie zo huisvest dat het gebouw bijdraagt aan haar doelen én aan het welzijn van de mensen die er werken, wonen of op bezoek komen. Het vak volgt de huisvestingscyclus: van initiatief en programma van eisen via de ruimtelijke uitwerking (ruimtestaat, vlekkenplan, inrichtingsplan) en de bouw (regelgeving, bestek, aanbesteding, contractvormen) naar beheer en onderhoud met een MJOP. Daaronder liggen twee fundamenten: bouwkundige kennis (hoe zit een gebouw in elkaar en hoe lees je de tekeningen) en kennis van gebruikers (comfort, omgevingspsychologie, werkplekconcepten). Duurzaamheid en circulariteit lopen als rode draad door alle fasen.

Waar dit op gebaseerd is: De dia's, oefeningen, opdrachten, de Syllabus Bouwkundige Begrippen, het beoordelingsformulier en de cursusinformatie van les 1.1 tot en met 7.2 op Brightspace, stand 7 oktober 2026.
Wat er (nog) niet in zit: De boeken zitten hier niet in. Tentamenstof die je zelf moet lezen (volgens de literatuurtabel op Brightspace): Huisvestingsmanagement (Hoendervanger, Van der Voordt en Wijnja, 3e druk) par. 1.1, 1.3, 2.1 tot en met 2.3, 3.1, 3.2, 5.2, 5.3, 6.1.1 tot en met 6.1.4, 6.2.1 tot en met 6.2.5, 7.2.1, 8.2.1 en 8.2.2, 9.1, 9.2 (inleiding, 9.2.2 en 9.2.5), 9.3, 9.4, 9.5 (met 9.5.5), 9.6.1, 10.1, 10.2, 10.3.1, 10.5, 10.6, 10.9, 11.1 tot en met 11.4 en 11.6; Basisboek Facility Management (Drion en Van Sprang, 4e druk) par. 3.1 en 3.3 tot en met 3.6 (de dia van les 2.2 noemt ook 3.2); 'Zo maak je een facilitair plan' par. 1.5 en 4.4; en de white papers van Planon (IWMS) en NEN (NEN 2767). Deze site dekt die stof alleen voor zover hij op de dia's staat. Les 7.1 (inspectie op locatie), les 7.3 (afronding, spreekuur en oefententamen) en week 8 hebben geen lesmateriaal op Brightspace. Van het gastcollege in les 3.3 zijn geen dia's beschikbaar, en de bestekoefening van les 5.2 is niet als tekst beschikbaar.
🏁

Introductie: huisvesting als onderdeel van FM

Les 1.1
Huisvesting draait om de vraag wat een gebouw de organisatie en haar mensen oplevert (de outcome). Het vak volgt de huisvestingscyclus: initiatief, programma van eisen, ruimtelijke uitwerking, beheer en exploitatie.

Huisvesting is een onderdeel van Workplace Management (WPM) in het tweede jaar, naast het praktijkproject, verandermanagement en veranderingen doorgerekend. Het vak bouwt voort op het onderdeel huisvesting uit Basis van FM in de propedeuse en gaat vooraf aan Corporate Vastgoedmanagement in jaar 4. Je kruipt in de rol van huisvestingsadviseur: je moet de taal spreken van de gebruikers én van de partijen die bouwen.

Wat je na het vak moet kunnen (leeruitkomsten)

LeeruitkomstKern
InhoudHuisvestingsvraagstukken analyseren, bestaande huisvesting analyseren en nieuwe huisvesting en diensten ontwerpen die waarde creëren voor stakeholders; hun behoeften achterhalen.
WereldburgerschapMaatschappelijke aspecten meenemen, de impact op duurzaamheid (milieu en mens) motiveren en keuzes onderbouwen met waarde die verder gaat dan geld.
Business managementHuisvestingsbeslissingen financieel motiveren en verantwoorden.

Wat bepaalt hoe een gebouw eruitziet?

De les noemt de belangrijkste kenmerken van gebouwen. De keuze voor elk kenmerk hangt af van de organisatie, haar activiteiten en de branche (een zorginstelling heeft andere gebouwtypes dan een kantoororganisatie).

KenmerkVoorbeelden
LocatieStadslocatie, snelweglocatie, campuslocatie
GebouwConstructie en structuur, omvang in m2
GebouwinstallatiesWerktuigbouwkundig (water, warmte, ventilatie, koeling), elektrotechnisch (alles op stroom: stopcontact, lift, roltrap, computers), overige (wifi, brandvoorzieningen, toegangscontrole)
GebouwafwerkingWaarmee het gebouw is afgewerkt
InrichtingMeubilair
FinancieringVan wie is het gebouw en wat is het waard
Gebruiksaspecten en dienstenHoe het gebouw gebruikt wordt, gebouwgebonden facilitaire diensten

Een gebouw is meer dan een stapel stenen

De les gebruikt het schema input, throughput, output, outcome. Input zijn materialen, mensen, geld en bouwplannen; throughput zijn de activiteiten om het gebouw te bouwen; output is het gebouw. De vraag is wat de outcome is: wat levert dat gebouw de organisatie en haar mensen op? Daar draait het vak om.

De huisvestingscyclus

FaseWat er gebeurt
1. Startpunt: initiatieffaseEr is een aanleiding om te (ver)bouwen of te verhuizen. Wat is de context, wie ga je huisvesten, is er al een gebouw en is dat geschikt?
2. Programma van eisenDe behoeften worden vertaald naar eisen: huisvestingsvisie, werkplekconcept, functionele, ruimtelijke en technische eisen, facilitaire aspecten.
3. Ruimtelijke uitwerkingEisen worden een ontwerp: ruimtestaat, vlekkenplan, wanden- en inrichtingsplan.
4. Beheer en exploitatieHet gebouw wordt gebruikt, beheerd en onderhouden (onder meer met een MJOP).

Het is een cyclus: verandert de situatie, dan begint het proces opnieuw. De opbouw van de cursus volgt deze fasen.

Wat doet een FM'er bij huisvesting?

Uit het artikel bij de les: een facility manager werkt zowel operationeel (continuïteit, storingen oplossen, leveranciers aansturen) als strategisch (beleid, huisvestingsstrategie, verduurzaming van de vastgoedportefeuille, aansluiting op de bedrijfsdoelen). Bij huisvesting en verhuizingen is de FM'er de centrale regisseur:

  • ruimtebehoefte inventariseren en een programma van eisen opstellen;
  • geschikte locaties of gebouwen selecteren en beoordelen;
  • inrichting, verbouwing of aanpassing aansturen;
  • de fysieke verhuizing coördineren, inclusief ICT en meubilair;
  • communiceren met medewerkers over planning en nieuwe werkomgeving;
  • het proces evalueren en leerpunten vastleggen.

De vacatures bij de les laten zien welke competenties daarbij horen: stakeholdermanagement, businesscases en scenario's opstellen, ervaring met werkplekconcepten zoals activiteitgericht werken (AGW), contractmanagement en het bewaken van een MJOP.

De casus

Het portfolio werkt aan een fictieve casus: je bent consultant voor de facility manager van een woningcorporatie die een bestaand gebouw heeft gekocht. In dat gebouw komen het kantoor en woonunits. Week 1 levert de contextanalyse: missie, visie en strategie, doelgroepen, werkzaamheden in het kantoor, bezoekers en maatschappelijke en externe ontwikkelingen.

Boekstof bij deze les: Huisvestingsmanagement par. 7.2.1 en 'Zo maak je een facilitair plan' par. 1.5. Die tekst staat niet op deze site.
🏢

Organisatiegericht huisvesten

Les 1.2
Organisatiegericht huisvesten ziet huisvesting als bedrijfsmiddel. Ken de zes huisvestingscomponenten, de vier prestatievelden, de twaalf toegevoegde waarden in vier groepen en de vier hoofdprocessen van huisvestingsmanagement.

Organisatiegericht huisvesten kijkt naar huisvesting als bedrijfsmiddel: wat moet het gebouw bijdragen aan de doelen van de organisatie? Deze les levert de begrippen die het hele vak terugkomen: huisvestingscomponenten, impact, toegevoegde waarde, prestatievelden, hoofdprocessen en stakeholders.

Aanleiding: de initiatieffase

Er is altijd een aanleiding om te (ver)bouwen, bijvoorbeeld ruimtegebrek of ruimteoverschot, het aflopen van een huurcontract, een reorganisatie of fusie, een slechte locatie, een verouderd gebouw of te hoge kosten.

Zes huisvestingscomponenten

ComponentWat valt eronder
LocatiesDe plek met bereikbaarheid, zichtbaarheid en omgeving; ook het grondoppervlak met omvang en bodemcondities. Sterk bepalend voor waarde en kosten.
GebouwenFysieke constructies waarin mensen beschermd tegen buitencondities activiteiten uitvoeren. Lagen: draagstructuur (casco), gevels, technische installaties en binnenwanden.
InterieurAlle vaste en losse inrichting en afwerking: balies, keukens, meubilair, planten, kunst, vloer- en wandafwerking, fietsenrekken.
FinancieringsvormenJuridische mogelijkheden om vastgoed en inrichting te verwerven en de kosten te dragen.
GebruiksprincipesHoe mensen de huisvesting gebruiken: openingstijden, gedragsregels (clean desk), werkplekconcept, reserveren.
Gebouwgebonden facilitaire dienstenDiensten die nodig zijn om het gebouw te kunnen gebruiken: schoonmaak, beveiliging, groen, onderhoud.

Impact van huisvesting

Huisvesting heeft direct impact op vier gebieden: mensen, proces en product, maatschappij en economie. Daarnaast werken die gebieden op elkaar door (indirecte impact): impact op mensen beïnvloedt proces en product, proces en product beïnvloeden de economische impact, en maatschappelijke impact werkt door op mensen en op de economie.

Voorbeeld uit de les

Een ingenieursbureau richtte een monumentaal gebouw zo in dat medewerkers elkaar ontmoeten: koffiecorners ver uit elkaar, overdekte binnentuinen als ontmoetingsplek, geen persoonlijke kamers. Dat is impact op mensen (beleving, trots) die doorwerkt op samenwerking (proces). Een gebouw kan ook negatieve impact hebben, bijvoorbeeld een slecht binnenklimaat dat tot klachten en verzuim leidt.

Twaalf toegevoegde waarden van huisvesting

GroepToegevoegde waardeVoorbeelden van de bijdrage
MensenTevredenheidBehoeften van medewerkers, klanten en bezoekers vervullen: aantrekkelijke locatie, comfortabel interieur, gezond binnenklimaat, balans tussen communicatie, concentratie en privacy
MensenImagoGebouw inzetten voor branding en corporate identity, bijvoorbeeld zichtbare duurzaamheid of een gastvrije sfeer
MensenCultuurStijl afstemmen op kernwaarden, samenwerking stimuleren, statussymbolen vermijden
MensenGezondheid en veiligheidRustige werkplekken, beweging stimuleren, ergonomie, gezond binnenklimaat, daglicht, bhv
Proces en productProductiviteitActiviteitgerelateerde werkplekken, korte looplijnen, goede ICT, keuzevrijheid thuis of op kantoor
Proces en productAanpasbaarheidConstructie, installaties en inbouw loskoppelen, modulair bouwen, flexibele werkplekken, mix van huur en eigendom
Proces en productInnovatie en creativiteitInspirerende inrichting, formele en informele overlegplekken, stilteplekken
Proces en productRisicoVeiligheids-, gezondheids- en financiële risico's beheersen: brandpreventie, toegangsbeheer, courant vastgoed
EconomieKostenInvesterings- en exploitatiekosten verlagen, efficiënt ruimtegebruik, werkplekken delen, energie besparen
EconomieWaarde van vastgoedSlimme locatiekeuze, planmatig onderhoud, renovatie en herbestemming
MaatschappijDuurzaamheidEnergiebesparing, milieuvriendelijke materialen, circulair bouwen, minder afval
MaatschappijMaatschappelijk verantwoord ondernemen (CSR)Gezonde werkomgeving, rekening houden met de omgeving, gebruikers en omwonenden betrekken, lokale werkgelegenheid

Van toegevoegde waarde naar huisvestingsvisie

De huisvestingsvisie volgt uit de organisatie: missie (waarom bestaan we?), visie (wat willen we zijn?), kernwaarden (waar geloven we in?) en strategie (wat moeten we doen?). De vraag daaronder is: wat hebben we daarvoor nodig, en welke rol speelt de huisvesting daarin? Je kiest welke toegevoegde waarden de huisvesting moet leveren en vertaalt dat naar een visie.

Huisvestingskosten en de markt

Huisvestingskosten (huur- en servicekosten van vastgoed) zijn gemiddeld 5 tot 15% van de bedrijfskosten; personeelskosten zijn in de meeste branches veel groter. Kijk bij huisvestingskeuzes daarom niet alleen naar de huisvestingskosten, maar ook naar wat het gebouw bijdraagt aan mensen en productiviteit. De les laat ook zien dat vraag en aanbod veranderen; de dia zet daarvoor coworking spaces en managed spaces naast elkaar.

Vier prestatievelden

PrestatieveldWaar gaat het omVoorbeelden van prestatie-indicatoren
TechnischBouwtechnische en bouwfysische kwaliteitStaat van constructie, gevel en installaties
FunctioneelPraktische bruikbaarheidBereikbaarheid en parkeren, toegankelijkheid, doelmatigheid, flexibiliteit, veiligheid, ruimtelijke oriëntatie, privacy en sociaal contact, fysiek comfort
EsthetischArchitectonische kwaliteit, uitstraling, identiteit, herkenbaarheidBeeldkwaliteit, orde en complexiteit, representativiteit, betekenis, cultuurhistorische waarde
Financieel-economischKosten en waardeInvesterings-, exploitatie-, facilitaire en energiekosten per m2

Prestatie-indicatoren voor de huisvesting zelf zijn bijvoorbeeld de bezettingsgraad, het aantal m2 bvo of fno per medewerker of werkplek, het aantal werkplekken per medewerker (flexfactor), energieverbruik en CO2-uitstoot per m2, BREEAM-scores en kosten per m2.

Het totaalbeeldHuisvestingscomponenten leveren huisvestingsprestaties. Die prestaties leiden, gestuurd door de organisatiedoelen, tot toegevoegde waarde, en, gestuurd door de gebruikersbehoeften, tot een positieve gebruikerservaring.

Maatschappelijk verantwoord huisvesten

  • energiereductie en bewust energiegebruik, van het gas af;
  • een veilige en gezonde werkomgeving;
  • lokale leveranciers, bijvoorbeeld voor gebouwbeheer;
  • efficiënt gebruik van natuurlijke bronnen en zero waste (ver)bouwen;
  • minder gebouwen;
  • CO2-reductie bij bouwen én bij exploitatie en beheer.

Vier hoofdprocessen van huisvestingsmanagement

HoofdprocesWat
Huisvestingsstrategie ontwikkelenBepalen welke huisvesting de organisatie nodig heeft, nu en in de toekomst
MuterenDe huisvesting veranderen, zoals nieuwbouw, verbouw of verhuizing (in dit vak: bouwfasen, bestek, aanbesteding en contractvormen, week 5)
Exploiteren en beherenDe bestaande huisvesting gebruiken, beheren en onderhouden (in dit vak: MJOP, week 6 en 7)
Huisvestingsmanagement organiserenHet kader eromheen: wie doet wat, hoe is het georganiseerd

Huisvesten is een continu proces: verandert de situatie, dan stel je de strategie of de mutatie bij.

Stakeholders: spelers en speelveld

Rond huisvestingsmanagement (HVM) liggen drie ringen. Binnenin de ondersteunende staf waar HVM deel van is. Daaromheen de interne stakeholders: interne gebruikers, topmanagement en middenkader. Buitenom de externe stakeholders: externe gebruikers, maatschappelijke spelers, externe partners en externe financiers.

Tentamentip: ken de zes huisvestingscomponenten en de vier prestatievelden uit je hoofd en kun een voorbeeld in de juiste categorie plaatsen. Let op: 'functioneel' gaat over bruikbaarheid, 'technisch' over de bouwtechnische staat.
📐

Tekeningen en plattegronden lezen

Les 1.3
Een plattegrond is een horizontale doorsnede op 1 m boven de vloer. Ken de acht soorten tekeningen, reken schalen om (1:100: 1 cm is 1 m) en weet dat peil (binnen, vloer) iets anders is dan maaiveld (buiten, terrein).

Als FM'er werk je veel met bouwtekeningen. Lezen betekent bouwkundige elementen en ruimtes herkennen. Interpreteren gaat verder: je ziet of een gebouw goed is ingedeeld en of ruimtes geschikt zijn voor hun doel. Dat laatste is voor een FM'er het belangrijkst.

Waarom tekeningen?

  • Communicatie tussen ontwerpers, uitvoerders en opdrachtgevers.
  • Uniformiteit door vaste symbolen.
  • Relatie met gebouwgebruik: grootte bepalen, het gebouw indelen, inrichtingsmogelijkheden bekijken.

Schaal

Schaal1 cm op tekening isToepassing
1:10.000 / 1:5.000 / 1:2.000100 m / 50 m / 20 mStedenbouwkundige tekeningen
1:1.00010 mStedenbouwkundige en situatietekeningen
1:5005 mSituatietekeningen
1:2002 mGrote gebouwen, overzichtstekeningen
1:1001 mGebouwen
1:5050 cmKleine gebouwen, fragmenten
1:2020 cmFragmenten van gebouwen
1:1010 cmMeubels, kasten, details
1:5 en 1:15 cm en 1 cmDetails

De schaal bepaalt wat en hoeveel je kunt laten zien. Hoe kleiner het getal achter de dubbele punt, hoe meer je inzoomt en hoe meer detail.

Rekenvoorbeeld

  • Op een plattegrond 1:100 meet een kamer 4,5 cm. In werkelijkheid: 4,5 x 100 cm = 450 cm = 4,5 m.
  • Maten op bouwtekeningen staan meestal in millimeters: 7644 op een tekening is 7,644 m.

Acht soorten tekeningen

SoortWat laat het zien
1. SchetsontwerpDe eerste ideeën en experimenten, onderdeel van het creatieve proces
2. Artist impressionIndruk van het nog te bouwen gebouw, een presentatie- of 'verkoopplaatje'
3. Kadastrale tekeningGrootte van kavels, plek van de bebouwing, erfgrenzen, basis voor eigendom van grond
4. SituatietekeningEén bouwproject: kavel, plek van het gebouw, erfgrenzen, ligging t.o.v. andere gebouwen en de zon (noordpijl)
5. GevelaanzichtHet aanzicht van een gevel, met hoogtematen en draairichtingen van ramen en deuren
6. PlattegrondHorizontale doorsnede op 1 m boven de vloer
7. Verticale doorsnedeInkijk in het gebouw en niveauverschillen, aangegeven met een doorsnedelijn op de plattegrond
8. DetailtekeningHoe onderdelen precies zijn opgebouwd en op elkaar aansluiten

De plattegrond

Een plattegrond is een horizontale doorsnede op 1 m boven de vloer. Wat lager dan 1 m ligt teken je met een doorgetrokken lijn, wat hoger ligt (bijvoorbeeld een vlizotrapluik in het plafond) met een gestreepte lijn. Op een plattegrond zie je muren, trappen, deuren met draairichting, ramen, inbouwkasten, afmetingen, stramienmaten en vaste inrichting.

StramienRepeterende rekenmaat van een gebouw waarop standaardonderdelen zoals plafond- en wandsystemen zijn afgestemd. Horizontaal aangeduid met letters (A, B, C), verticaal met cijfers (1, 2, 3). Vaak terug te zien in de gevel.

Voordeel van stramienmaten: onderdelen passen standaard, en ruimtes zijn makkelijk in te delen. Volgens de syllabus gebruiken kantoren vaak 1,80 of 3,60 m, HAN-lesgebouwen vaak 7,20 x 7,20 m.

Hoogtematen en draairichtingen

Peil (P = 0)De bovenkant van de afgewerkte begane-grondvloer. Alle hoogtes en dieptes worden ten opzichte van peil gegeven: erboven met +, eronder met -.
Maaiveld (m.v.)De hoogte van het terrein buiten waar het op het gebouw aansluit. Niet hetzelfde als peil: peil is binnen (de vloer), maaiveld is buiten (de grond).

Draairichtingen van ramen en deuren worden met lijnen in een driehoek getekend: een doorgetrokken lijn betekent naar buiten draaien, een gestippelde lijn naar binnen. Zo onderscheid je bijvoorbeeld een draairaam naar buiten, een valraam naar binnen en een draaikiepraam naar binnen.

Veelgemaakte fouten bij bouwtekeningen

  • Onnauwkeurige of ontbrekende afmetingen, of doorlopende maten waarin fouten zich opstapelen.
  • Een onjuiste schaal, waardoor op de bouwplaats verkeerd wordt gelezen.
  • De werkelijkheid niet controleren: bij een verbouwing de bestaande situatie niet nameten.

Uit de oefening vakantiewoning Renesse

  • Vierkantjes met een kruis op de plattegrond zijn funderingspalen.
  • 'mk' in de hal is de meterkast.
  • 'MV' bij toilet en badkamer staat voor mechanische ventilatie.
  • '2100+vl' betekent dat het dak daar 2,10 m boven de verdiepingsvloer ligt.
  • Een symbool met een letter bij een lijn verwijst naar een verticale doorsnede; kaders zoals 'V1' verwijzen naar een detailtekening.
  • BVO, GO en VO: bruto vloeroppervlak (alles), gebruiksoppervlak (wat gebruikt kan worden) en verblijfsoppervlak (waar men verblijft, zoals woon- en slaapkamers, niet badkamer, toilet of meterkast).
Tentamentip: oefen schaalsommen en ken het verschil tussen plattegrond (horizontaal, op 1 m) en verticale doorsnede. Weet ook wat je níet uit een plattegrond haalt: hoogtes zie je in een doorsnede of gevelaanzicht.
🧱

Inleiding in de bouwkunde

Les 2.1
Een gebouw bestaat uit fundering, casco (de draagconstructie), afbouw en dak. De diepte van de draagkrachtige laag bepaalt of je op staal of op palen fundeert, en alle vetgedrukte begrippen uit de syllabus zijn tentamenstof.

Een FM'er hoeft niet te bouwen, maar moet wel weten hoe een gebouw in elkaar zit: wat je kunt weghalen, wat je kunt verbouwen en wat dat betekent voor beheer en onderhoud. Naast de dia's is de Syllabus Bouwkundige Begrippen tentamenstof: alle vetgedrukte begrippen daarin worden getoetst. Ze staan allemaal in de begrippenlijst op deze site.

Opbouw van een gebouw

DeelFunctie
Fundering (onder de grond)Het gewicht van het bouwwerk overbrengen op de draagkrachtige ondergrond (zand)
Opbouw of cascoDe draagconstructie: vloeren, dragende en niet-dragende muren, kolommen, trappen, liften en schachten. Brengt de belasting over op de fundering.
Afbouw of afwerkingAlles wat het gebouw afmaakt en bruikbaar maakt
DakAfsluiting en bescherming bovenop

Fundering

De diepte van de draagkrachtige laag bepaalt het type fundering:

Fundering op staal

  • Draagkrachtige laag niet diep
  • Fundering direct op het zand, als strokenfundering
  • Volgens de syllabus bodem binnen 80 tot 300 cm onder peil draagkrachtig
  • Op de dia: vaste grond op 2 à 3 m

Fundering op palen

  • Draagkrachtige laag dieper dan ongeveer 2 m
  • Palen brengen de last naar de diepere zandlaag
  • Op de dia: vaste grond op 15 à 30 m
  • Palen worden daarna op gelijke hoogte gebracht (koppensnellen)

Welke fundering nodig is, blijkt uit grondonderzoek: sonderen (weerstand van de grond meten) en boringen (grondmonsters nemen). De dia's tonen ook wat er misgaat als de bodem verandert: verzakkingen door de aanleg van een metrotunnel en door gaswinning.

Wapening

Beton kan geen trekkrachten opvangen en breekt dan; staal wel, het kan een beetje meebuigen. Daarom krijgt beton wapening. Die wordt traditioneel in het werk aangebracht of zit al in fabrieksvloeren (breedplaatvloeren, kanaalplaatvloeren).

Waarom de wapening in een latei onderin zit

Een balk op twee steunpunten buigt onder belasting door. Bovenin wordt het materiaal samengedrukt (drukzone), onderin uit elkaar getrokken (trekzone). Beton kan druk goed hebben maar trek niet, dus komt het staal onderin. Een latei van staal (bijvoorbeeld een L-profiel) heeft geen wapening nodig.

Vloeren

HoofdgroepKenmerk
Houten balklaagvloerBalken met vloerdelen of platen
Gewapende betonvloerIn het werk gestort (beton = water, zand, cement en grind, eventueel met wapening)
SysteemvloerPrefab, bijvoorbeeld kanaalplaatvloer of breedplaatvloer

Vier bouwvormen voor muren

BouwvormMuren worden...Voorbeeld
1. StapelbouwgemetseldBaksteen of kalkzandsteen; schoon metselwerk in het zicht, vuil metselwerk uit het zicht
2. Montagebouwgemonteerd uit prefab delenPrefab betonnen gevelpanelen, bakstenen in prefab gevelpanelen
3. Gietbouwgestort in een bekistingTunnelbekisting voor woningbouw
4. Skeletbouwin een skelet geplaatstStaalskelet, houtskelet, betonskelet

Muren

Buitenmuren zijn meestal dragend; binnenmuren kunnen dragend of niet-dragend zijn. Buitenmuren zijn vaak spouwmuren: buitenspouwblad, spouw, isolatie (altijd tegen het binnenspouwblad), binnenspouwblad, verbonden met spouwankers. Open stootvoegen ventileren de spouw.

De dia's tonen het effect van isolatie: zonder isolatie zakt de temperatuur geleidelijk door de hele muur, met isolatie zit vrijwel de hele temperatuurval in de isolatielaag en blijft het binnenblad warm.

BegripBetekenis
SteensmuurZo dik als een steen lang is, ongeveer 20 cm
HalfsteensmuurZo dik als een halve steen, ongeveer 10 cm
StapelverbandGeen overlapping tussen de lagen
HalfsteensverbandHalve steen overlapping
KlezoorverbandEen kwart steen overlapping
Halfsteens kan twee dingen betekenen. Een halfsteensmuur gaat over de dikte van de muur, een halfsteensverband over de stapeling van de stenen. In de maquette-oefening zie je een steensmuur in halfsteensverband.

Openingen in muren worden ondersteund door een latei (beton, staal of hout) of een gemetselde boog. Dilatatievoegen vangen werking, zetting en krimp op, horizontaal en verticaal.

Niet-dragende wanden

  • Metal-stud wand: stalen frame met (gips)platen en isolatie, ter plekke gemaakt.
  • Systeemwand: uit de fabriek, geplaatst door de leverancier; gesloten, transparant of semi-transparant.

Voor een FM'er zijn dit de wanden die je bij een herindeling kunt verplaatsen. Dragende muren niet, of alleen met constructieve maatregelen.

Daken

Schuin dak

  • Gordingen (de bovenste: nokgording) dragen het dakbeschot
  • Muurplaat bovenop de muur
  • Dakbeschot, isolatie met dampdoorlatende waterdichte folie, tengels, panlatten, dakpannen
  • Spanten dragen de dakschilden

Plat dak (van boven naar beneden)

  • Dakbedekking (bijvoorbeeld bitumen)
  • Isolatieplaten
  • Dakbeschot (multiplex)
  • Balklaag
  • Plafondconstructie
  • Afschot om water af te voeren

Stevigheid: belasting

Permanente belastingVariabele belasting
Eigen gewichtWind
WaterdrukSneeuw
GronddrukMensen
Apparaten
Tentamentip: de syllabus heeft ruim honderd begrippen. Leer ze in paren die op elkaar lijken: peil en maaiveld, aantrede en optrede, gording en muurplaat, afwerkvloer en vloerafwerking, stootvoeg en lintvoeg, spiltrap en steektrap, zadeldak en lessenaarsdak.
🔎

Gebouwanalyse op basis van tekeningen en inspectie

Les 2.2
Bij een gebouwanalyse kijk je vanuit de nieuwe functie: welke mogelijkheden en beperkingen heeft het gebouw? Je bestudeert de tekeningen, maakt een observatielijst vanuit componenten en prestatievelden en bezoekt het gebouw.

In les 2.2 pas je tekeningen lezen en bouwkunde toe op een echt gebouw. Je bestudeert de tekeningen, maakt een inspectieformat en bezoekt het gebouw. Doel: ontdekken welke mogelijkheden en beperkingen het gebouw heeft voor een nieuwe functie (in de casus: kantoor plus woonunits).

Stap 1: tekeningen bestuderen

Uit de oefenvragen bij de casusgebouwen blijkt waar je op een tekening naar kijkt:

  • bouwjaar en schaal (en wat die schaal betekent);
  • bvo per verdieping en van het hele gebouw;
  • stramienmaat;
  • dikte van binnenwanden en welke niet-dragende muren gesloopt kunnen worden;
  • peil van verdiepingen en hoogteverschillen;
  • type fundering en diepte;
  • plaats van hoofdentree, andere ingangen, liften en trappenhuizen;
  • afkortingen zoals hwa (hemelwaterafvoer) en de manier waarop dak en isolatie zijn uitgevoerd.

Stap 2: inspectieformat of observatielijst maken

Neem de huisvestingscomponenten (locatie, gebouw, interieur, enzovoort) en de vier prestatievelden als vertrekpunt. Bedenk per thema waar je naar wilt kijken en hoe je het beoordeelt. Een functioneel thema is bijvoorbeeld toegankelijkheid; een bouwkundig thema de gevel en kozijnen. De opdracht vraagt minimaal tien thema's.

CriteriumSlechtMatigVoldoendeGoedUitstekend
LocatieX
Waar kijk je naar...X

Bedenk bij je thema's ook prestatie-indicatoren: meetbare punten waarmee je een aspect beoordeelt.

Stap 3: het gebouw bezoeken

Kijk vanuit de nieuwe functie: zit de lift op een handige plek als het gebouw kantoor wordt? Waar komen toiletten, trappenhuizen en entree? Hoe maak je het gebouw lichter en hoe maak je grote open ruimtes voor werkplekken? Kijk niet naar losse inrichting zoals vloerbedekking en plantenbakken: die gaat er bij een grote verbouwing toch uit.

Wat de gebouwanalyse oplevert

  • de kwaliteiten van het gebouw;
  • de beperkingen;
  • wat geschikt is voor kantoor en wat voor woonunits;
  • welke bouwkundige of functionele aandachtspunten het ontwerp beïnvloeden;
  • een conclusie: is het gebouw geschikt voor de combinatie, en onder welke voorwaarden?
Boekstof volgens de dia van deze les: Huisvestingsmanagement par. 6.1 en Basisboek FM par. 3.2. De literatuurtabel op Brightspace noemt bij les 2.2 alleen de ppt en de opdrachten. Die boektekst staat niet op deze site.
🧠

Mensgericht huisvesten

Les 2.3
Mensgericht huisvesten vertrekt vanuit de gebruiker: drie vormen van comfort (fysiek, functioneel, psychologisch), begrippen uit de omgevingspsychologie (privacy, persoonlijke ruimte, territorialiteit, density en crowding) en gebouwprestaties gericht op de gebruiker.

Waar organisatiegericht huisvesten vraagt wat het gebouw de organisatie oplevert, vraagt mensgericht huisvesten wat de gebruikers nodig hebben. De les zet daarvoor twee foto's tegenover elkaar: een gestreste medewerker en een ontspannen team in een kantoor. Deze les gaat over huisvestingsbehoeften, omgevingspsychologie en gebouwprestaties vanuit de gebruiker.

Drie vormen van comfort (environmental comfort)

VormGaat overVoorbeelden
Fysiek comfortBasisbehoeften van de mens in relatie tot een gebouwVeiligheid, hygiëne, toegankelijkheid
Functioneel comfortHet gebouw kunnen gebruiken voor een specifiek doelLicht, verse lucht, verwarming, prettige inrichting
Psychologisch comfortVaak onbewuste behoeften bij de beleving van de omgevingPrivacy, geborgenheid, autonomie, verbondenheid

Universele behoeften en individuele verschillen

Niet iedereen heeft dezelfde behoeften. Met persona's of een typologie maak je verschillen hanteerbaar. Het voorbeeld uit de les is de indeling van Greene en Meyerson in vier typen kenniswerkers, van lage naar hoge mobiliteit. De dia geeft alleen tekeningen en de as van lage naar hoge mobiliteit, geen omschrijving per type:

TypeWat de afbeelding op de dia laat zien
AnchorIemand alleen aan een bureau met computer; kleinste bewegingspatroon (laagste mobiliteit)
ConnectorEen groep rond een tafel; bewegingspatroon binnen een beperkt gebied
GathererTwee mensen in gesprek aan een tafeltje; ruimer bewegingspatroon
NavigatorIemand met een rolkoffer, onderweg; grootste bewegingspatroon (hoogste mobiliteit)

Een tweede voorbeeld is neurodiversiteit op de werkplek. Knoppen waaraan je kunt draaien zijn de hoeveelheid prikkels, het werkritme, de mate van structurering, de mate van sturing en de manier van samenwerken.

Omgevingspsychologie

OmgevingspsychologieDe discipline over hoe de fysieke omgeving mensen beïnvloedt: hoe ze ruimte ervaren, hoe ze ermee omgaan en hoe hun gedrag en beleving door de omgeving worden beïnvloed.
Privacy (Altman, 1975)'The selective control of access to the self or to one's group': de mate waarin je interactie met anderen kunt reguleren. Drie soorten: visuele, auditieve en sociale/territoriale privacy.
Zone persoonlijke ruimteAfstand
Intieme afstandtot 45 cm
Persoonlijke afstand45 cm tot 1,25 m
Sociale afstand1,25 tot 3,5 m
Publieke afstandmeer dan 3,5 m

Hoeveel persoonlijke ruimte iemand nodig heeft, hangt af van persoonsgebonden factoren zoals leeftijd, cultuur en geslacht, en van de situatie (een leeg tegenover een vol perron).

TerritorialiteitHet gevoel eigenaar te zijn van een ruimte, wat je uit door die te personaliseren, markeren of bezetten (denk aan handdoeken op ligbedden). Drie niveaus: primair (woning, auto, bed), secundair (woonwijk, gemeenschappelijke ruimte, ook kantoor of school) en publiek (openbaar terrein).

Density

Het aantal mensen per eenheid, bijvoorbeeld per m2. Objectief, meetbaar.

Crowding

Het gevoel van drukte. Subjectief: dezelfde density kan door de één als druk en door de ander als prima worden ervaren.

NudgingEen aspect van de keuzearchitectuur dat gedrag voorspelbaar verandert zonder opties te verbieden of financiële prikkels wezenlijk te veranderen; de nudge moet makkelijk en goedkoop te vermijden zijn (Thaler en Sunstein, 2008). Kort: een subtiele ingreep in de omgeving die mensen verleidt tot bepaald gedrag.

Huisvestingsprestaties gericht op de gebruiker

PrestatieInstrument of voorbeeld in de les
FunctionaliteitReal Estate Norm (REN): scoort onder meer de afstand tot openbaar vervoer en het aantal voorzieningen in de buurt op een schaal van 1 tot 5. NEN 8021: waardeert gebruiksprestaties door een gebruikersprofiel (welke eisen heeft de gebruiker) naast een gebouwprofiel (wat biedt het gebouw) te leggen, per prestatie-indicator en met een belang van 0 tot 3.
BelevingTevredenheidsonderzoek onder medewerkers (de dia toont cijfers van het Center for People and Buildings op basis van WODI-cases): bereikbaarheid en communicatiemogelijkheden scoren het best, concentratiemogelijkheden, privacy en binnenklimaat het slechtst.
Gezondheid en gelukWELL Building Standard met zeven categorieën: air, water, light, nourishment, fitness, comfort en mind.
Fysiek comfortDe ideale comfortcondities (zie hieronder).
FactorIdeale conditie volgens de dia
Temperatuur18 tot 22 °C
Relatieve vochtigheid35 tot 65%
Licht100 tot 3.000 lux
Geluid30 tot 70 dB(A)
Luchtsnelheid0,13 tot 0,22 m/s
Luchtkwaliteit350 tot 1.500 ppm CO2
Luchtdruk890 tot 1.030 hPa

Cognitive maps

Cognitive mapDe visualisering van iemands persoonlijke kijk op de geografische werkelijkheid: de bouwstenen in het geheugen waarmee we ons oriënteren en onze positie bepalen. Ook cognitieve kaart of mental map.

Getekende cognitieve kaarten wijken systematisch af: afmetingen kloppen niet, gebieden worden te klein en oriëntatiepunten te groot getekend, locaties kloppen niet en veel details ontbreken. Wat groot getekend wordt, trekt ook in het dagelijks leven de aandacht.

Element van Lynch (1960)Betekenis
PathsRoutes, grote wegen
NodesKnooppunten, kruispunten, pleinen
EdgesRanden en grenzen
DistrictsGebieden of 'vlekken' met een eigen karakter
LandmarksOriëntatiepunten

Waarom dit nuttig is: zonder cognitieve kaart geen oriëntatie. Je gebruikt ze om over je omgeving te communiceren, de omgeving te onderzoeken en nieuwe omgevingen te ontwerpen (denk aan bewegwijzering en herkenbare routes in een gebouw).

Tentamentip: density tegenover crowding en de vier afstanden van persoonlijke ruimte zijn klassieke meerkeuzestof. Let ook op het verschil tussen fysiek, functioneel en psychologisch comfort: privacy is psychologisch, licht en verse lucht functioneel, veiligheid fysiek.
♿

Practicum mensgericht huisvesten: perceptie en minder validen

Les 3.1
De les is dat een gebouw dat voor de gemiddelde gebruiker logisch lijkt, voor iemand met een beperking vol obstakels kan zitten. Toegankelijkheid is een functionele prestatie en een basisbehoefte (fysiek comfort).

In les 3.1 ervaar je zelf hoe het is om je als specifieke doelgroep door een gebouw te bewegen. De theorie gaat over perceptie: wat je ziet is niet hetzelfde als wat je waarneemt.

PerceptieHet proces waarin binnenkomende zintuiglijke waarnemingen worden verwerkt en geïnterpreteerd. Perceptie vindt plaats in de hersenen, niet in de zintuigen.
GestalttheorieMensen nemen een totaalbeeld waar: het geheel is meer dan de som van de afzonderlijke delen en prikkels.
GestaltprincipeWat je ziet
Proximity (nabijheid)Dingen die dicht bij elkaar staan zie je als groep
Similarity (gelijkheid)Dingen die op elkaar lijken zie je als groep
Figure ground (figuur-achtergrond)Je ziet een figuur óf de achtergrond, zoals twee gezichten of een vaas
Continuity (continuïteit)Je volgt een doorlopende lijn als één geheel
Closure (sluiting)Je vult een onvolledige vorm zelf aan tot een geheel
Connectedness (verbondenheid)Dingen die met elkaar verbonden zijn zie je als één geheel

Logo's zoals die van FedEx (verborgen pijl), WWF (panda uit losse vlakken) en Amazon gebruiken deze principes bewust.

De gebouwde omgeving voor minder validen

Wat als je een zintuig mist of een fysieke beperking hebt? In het practicum verplaats je je in drie rollen over de campus: rolstoeler of blinde (met blindenbril), begeleider (die niet mag helpen) en observant, en je wisselt regelmatig. Je loopt routes met trappen, liften en verschillende gebouwen en presenteert daarna je ervaringen en inzichten.

Bij deze les is geen boekstof opgegeven; de stof is de ppt en de opdracht.
💻

Hybride werken en werkplekconcepten

Les 3.2
Hybride werken maakt plaats en tijd flexibel. Het kantoor wordt meer een ontmoetingsplek en je deelt het in in bruis (communicatie), ruis (samenwerken) en rust (concentratie). Werkplekken reken je op fte maal flexfactor, niet op personen.

Wat doen mensen eigenlijk op kantoor, en wat hebben ze daarvoor nodig? Les 3.2 koppelt activiteiten aan behoeften, laat zien hoe kantoren zich hebben ontwikkeld en introduceert hybride werken met de indeling bruis, ruis en rust.

Activiteiten en behoeften

Op kantoor ontmoeten, overleggen, concentreren en co-creëren mensen. Het model op de dia zet werk uit op twee assen: interactie/communicatie en autonomie/concentratie.

Weinig autonomieVeel autonomie
Veel interactieGroepswerk, formeel samenwerken (Den)Transactioneel kenniswerk: afwisseling van informeel samenwerken en zelf werken (Club)
Weinig interactieIndividueel procesmatig werk (Hive)Geconcentreerd werk (Cell)

Geschiedenis van het kantoor

PeriodeKantoorvorm
Industrieel tijdperkEerste kantoren: lange rijen bureaus in grote zalen
Begin 20e eeuwTayloriaanse kantoren: grote open werkzalen, efficiënt georganiseerd
Jaren '60 en '70Kantoortuin (human relations)
Jaren '80Kamerkantoor: gangen met afzonderlijke kamers
Vanaf 2000Hedendaagse kantooromgevingen met activiteitgebonden werken

Kamerkantoor: voordelen

  • Rustig
  • Goed voor geconcentreerd werk
  • Veel privacy

Kamerkantoor: nadelen

  • Weinig ontmoeting en communicatie
  • Zakelijk, weinig sfeer
  • Veel lege werkplekken (lage bezetting)
  • Inefficiënt en daardoor duur

De oplossing voor lage bezetting is werkplekken delen: je kiest een plek als je er bent, werkt volgens een clean desk policy (bureau leeg als je gaat) en maakt afspraken over kastgebruik.

Hybride werken

Hybride werkenWerken waarbij twee variabelen flexibel en zelf te kiezen zijn: de plaats waar je werkt (thuis, op kantoor, elders) en het tijdstip waarop je werkt. Verwante termen: activiteitgerelateerd werken (activity based working), flexwerken, het nieuwe werken en innovatief werken.

Gevolg voor het kantoor: het wordt steeds meer een ontmoetingsplek. Concentratiewerk kan ook thuis, maar het kantoor moet het blijven faciliteren. De bezetting is ongelijk over de week verdeeld: de kantoorkameel laat pieken zien op dinsdag en donderdag (in het voorbeeld 70%) en dalen op maandag, woensdag en vrijdag. Ontwerp dus niet op het gemiddelde zonder naar de piek te kijken.

Bruis, ruis en rust

ZoneKenmerkBouwstenen (Buro Wierda)
BruisCommunicatie hoog, concentratie laag. Informele omgeving voor ontmoeting en afstemming; uitnodigend, stimuleert formele en informele interactie.Werkcafé, aanland(werk)plekken
RuisPlek voor samenwerken of overleg. Informeel, maar met een andere beleving en setting dan bruis.Open samenwerkingsruimte, ankerpunt, reguliere werkplekken, multifunctionele ruimte, belplek of ruimte voor online overleg
RustCommunicatie laag, concentratie hoog. Rustige plek voor geconcentreerd werken of leren; kan vaak ook thuis, maar het kantoor faciliteert het ook.Stilteruimtes, eenpersoonsruimte, thuiswerkplek
WerkcaféBouwsteen in de bruiszone voor informele ontmoetingen: informeel overleg, kleinschalig vergaderen zonder vertrouwelijk karakter, wachten, pauzeren, bijpraten en aanlanden (kort werken tussen afspraken).

Andere indelingen in de les: hoofdtypen van werkplekken (omsloten eenpersoons-, tweepersoons- en meerpersoonsruimte, open meerpersoonsruimte, met subtypen zoals concentratieruimte, projectruimte en werkcoupé) en een activiteitenlijst (focus, vergaderen, proces, duo, coördineren, creëren, informeren, technisch, dialoog, opladen/socialiseren). Ook voor facilitaire voorzieningen zijn er bouwstenen: receptie, wachtruimte, bedrijfsrestaurant, kopieer- en printfaciliteiten, lockers, warmedrankenautomaat, ontspanningsruimte en kolfruimte.

Hoeveel werkplekken heb je nodig?

  • Reken niet met het aantal medewerkers, anders maak je veel te veel werkplekken.
  • Reken met het aantal fte.
  • Houd daarnaast rekening met afwezigheid: ziekte, vakantie, vrije dagen, thuiswerken. Dat verwerk je met een flexfactor.
  • Verdeel de werkplekken daarna over open werkplekken (routinematig werk), gesloten werkplekken (concentratiewerk) en plekken voor formeel en informeel overleg.

Rekenvoorbeeld uit de les

1.000 fte x flexfactor 0,8 = 800 werkplekken. In het voorbeeld van de dia (FWR-wijzer) wordt dat verdeeld in 75% bureauwerkplekken (600) en 25% vergaderplekken (200).

Tentamentip: werkplekken bereken je op fte maal flexfactor, niet op personen. En onthoud welke kant van de as bij bruis hoort: veel communicatie, weinig concentratie.
🎤

Gastcollege werkplekconcepten

Les 3.3
Les 3.3 is een gastcollege over werkplekconcepten in de praktijk. Er staan geen dia's van op Brightspace, dus deze site dekt de inhoud niet.

Les 3.3 is ingeroosterd voor een gastcollege over werkplekconcepten in de praktijk, bijvoorbeeld van een adviesbureau op het gebied van werkomgevingen. Het lesdoel is dat je leert hoe werkplekconcepten in de praktijk worden toegepast. De opdrachten zijn gekoppeld aan het gastcollege.

Er staan geen dia's van het gastcollege op Brightspace. Gebruik deze les om de stof van les 3.2 (hybride werken, bruis-ruis-rust, aantal werkplekken) te verbinden met wat je in de praktijk hoort.

Wat in het gastcollege wordt verteld en niet op Brightspace staat, kan deze site niet dekken. Maak zelf aantekeningen.
📋

Het programma van eisen (PvE)

Les 4.1
Het PvE vertaalt behoeften in eisen, niet in oplossingen. Het heeft vier functies (nadenken, communiceren, toetsen, contracteren) en bevat functionele, ruimtelijke en technische eisen plus facilitaire aspecten.

Het programma van eisen is de brug tussen de organisatie en het ontwerp. Eerst denken, dan doen: zonder goede eisen kan een architect niet ontwerpen, en krijg je het verkeerde gebouw.

Eisen en wensen

Eis

Need to have: moet erin zitten.

Wens

Nice to have: zou mooi zijn.

Je formuleert eisen vanuit activiteiten: wat wil je in het gebouw kunnen doen, wat is daarvoor nodig, en hoeveel ruimte kost dat? Je formuleert geen oplossingen. Dus niet 'een keuken met een kookeiland', wel wat er in de keuken moet kunnen gebeuren.

Wat is een PvE?

Programma van eisenEen geordende verzameling gegevens over de huisvestingsbehoefte van een organisatie en de vereiste prestaties van de locatie, het gebouw, de ruimten, de gebouwdelen en de voorzieningen in het gebouw en op het terrein. Eenvoudiger: de behoeften, eisen, wensen en verwachtingen van opdrachtgever en (toekomstige) gebruikers.

Een goed PvE borgt de gebruikswaarde van de huisvesting: hoe efficiënt en effectief de organisatie kan doen wat ze moet doen, en hoe tevreden gebruikers zijn over de beleving.

Functies van het PvE

  1. Het dwingt de opdrachtgever na te denken over de toekomstige huisvesting.
  2. Het is een communicatiemiddel voor iedereen die bij de huisvesting betrokken is.
  3. Het is een toetsingsinstrument: vooraf (is wat de opdrachtgever wil haalbaar?) en achteraf (is gerealiseerd wat gevraagd was?).
  4. Het is de basis voor contracten tussen betrokkenen, bijvoorbeeld opdrachtgever en architect.

Inhoud van het PvE

Algemene aspecten (los van het gebouw)Eisen aan het gebouw
Karakteristieken van de organisatie en doelgroep (gebruiksfuncties, waarden)Functionele eisen (gebruikseisen, beeldverwachting, gebouwprestaties)
Eisen aan locatie en omgevingRuimtelijke eisen
Randvoorwaarden bestemmingsplan (mag ik verbouwen?)Technische eisen
Bouwvoorschriften en juridische aspecten
Kosten en budgetten

De precieze indeling verschilt per methodiek (NEN, SBR). Die verschillen hoef je volgens de docent niet te leren, de begrippen wel.

Opbouw van een PvE

  1. Beschrijving van de te huisvesten organisatie: wie zijn ze, wat willen en doen ze, met welke ontwikkelingen hebben ze te maken.
  2. De huisvestingsvisie van de opdrachtgever, vaak samen met een beeldverwachting of 'emotionele' eisen.
  3. Functionele eisen en wensen, bij voorkeur per type ruimte. Een bijzonder onderdeel is het werkplekconcept.
  4. Ruimtelijke eisen (ruimtebehoefte): ruimtestaat en relatiediagram.
  5. Technische eisen.
  6. Facilitaire aspecten.
HuisvestingsvisieBeschrijving van hoe wat de organisatie is en wil zijn zichtbaar wordt in het gebouw. Een gebouw is een 'mediator' dat bijvoorbeeld status, kwaliteit, veiligheid, innovatie, creativiteit of transparantie kan uitstralen en zo de doelen en identiteit van de organisatie ondersteunt.
BeeldverwachtingWat de organisatie met het gebouw wil uitstralen: een boodschap of imago, opgaan in de omgeving of juist niet, verwachtingen over gebouwstructuur, transparantie, lichtinval en afwerking. De architect geeft er vorm aan; in het PvE staan dus geen oplossingen.

Voorbeeld van een huisvestingsvisie (stadskantoor)

Het gebouw verwijst naar de agrarische traditie van de stad, met een plek waar regionale producten worden geteeld en getoond. Gezondheid is het uitgangspunt: veel daglicht en groen binnen, routes die mensen laten bewegen en ontmoeten, alleen gezonde materialen. Het gebouw straalt openheid en transparantie uit en verbindt bezoekers en medewerkers.

Functionele eisen

Functionele eisen dragen eraan bij dat de activiteiten in een gebouw of ruimte zo goed mogelijk kunnen worden uitgevoerd; ze lijken op kritische succesfactoren. Ze gaan bijvoorbeeld over werkplekken, daglicht, akoestiek, geluidsisolatie, temperatuur, routing en toegankelijkheid, comfort, sfeer, materialen, flexibiliteit, beveiliging en duurzaamheid. Ze beschrijven wat het ontwerp moet doen, niet hoe het eruitziet.

Fout: oplossing

De centrale hal heeft een grote glazen gevel.

Goed: eis

De centrale hal heeft veel daglicht en een open, transparante uitstraling naar binnen en buiten.

Ruimtelijke eisen

Je bepaalt welke ruimtes nodig zijn, hoeveel van elke soort en hoe groot. Daarmee vertaal je de functionele eis naar een ruimtelijke eis.

Rekenvoorbeeld uit de les

  • Functionele eis: 30 studenten tegelijk ongestoord instructie geven, zittend.
  • Ruimtelijke eis: 1,5 m2 per student, dus 30 x 1,5 = 45 m2, plus 10% looproute = circa 50 m2.

De rest van de ruimtelijke uitwerking (werkplekken, ruimtenormen, ruimtestaat, vloeroppervlakken, woonunits) staat bij les 4.2.

Technische eisen

Nodig voor het ontwerp van installaties: elektrotechnische en werktuigbouwkundige voorzieningen, ICT, binnenklimaat en technisch comfort (luchtverversing, temperatuur, akoestiek, kunstlicht en daglicht, uitzicht), bouwtechnische eisen (vloeren, plafonds, wanden, aanpasbaarheid) en duurzaamheid en circulariteit.

Facilitaire aspecten

Vaak al onderdeel van de functionele eisen, soms apart: het cateringconcept en de impact op het gebouw, pantry's (waar, welke voorzieningen, water en afvoer), schoonmaak in relatie tot het gebouw (zoals vloerafwerking) en beveiligingsconcepten (camera's, toegangscontrole).

Digitale tools

Digitale tools zoals Briefbuilder structureren grote hoeveelheden eisen en maken ze digitaal toegankelijk. Briefbuilder werkt met drie niveaus: objecten (fysiek of proces), eigenschappen (kenmerken, zoals temperatuur of vloeroppervlak) en relaties (tussen objecten en eigenschappen). 'Brief' is het Engelse woord voor PvE.

Van globaal naar gedetailleerd: vijf PvE's

PvEDient als basis voor
Globaal PvEEerste verkenning en haalbaarheidsstudie
Basis-PvEEerste ontwerpstudies (structuurontwerp)
PvE voor het voorlopig ontwerpVoorlopig ontwerp (VO)
PvE voor het definitief ontwerpDefinitief ontwerp (DO)
PvE voor het bouwbestekUitvoering

Uit het artikel: van gestolde organisatie naar gedeelde ambitie

Een goed PvE is volgens het artikel juist geen 'gestolde organisatie' maar biedt ruimte voor ontwikkeling. Wat blijvende waarde heeft, is een gedeelde ambitie van opdrachtgever, eindgebruiker en beheerder, die professionals vertalen naar toetsbare eisen. Ambities en doelen zijn houdbaarder dan de technische uitwerking, daarom hoort elke belangrijke eis herleidbaar te zijn naar een ambitie ('daarom willen wij dit'). Eisen formuleer je SMART.

Zeven succesfactoren uit het artikel
1. Bepaal zorgvuldig voor welk doel je het PvE nodig hebt
2. Kies de juiste organisatiestructuur (met rollen zoals een beslisbevoegde 'kampioen', projectleiders en gebruikersgroepen)
3. Geef organisatieverandering en implementatie een eigen plaats in het proces
4. Streef naar duurzame, houdbare informatie; integreer en verbind
5. Streef naar herleidbaarheid: 'daarom willen wij dit'
6. Wees aanwezig op fase-overgangen en geef de kernwaarden door
7. Communiceer transparant en beheers je rol (communicatieplan)

Het artikel noemt ook waarom PvE's complexer worden: meer stakeholders en participatie, en eisen aan duurzaamheid, circulariteit, klimaatadaptiviteit en gezondheid. Adaptiviteit en multifunctioneel gebruik worden de norm.

Tentamentip: herken het verschil tussen een functionele eis (wat moet de ruimte kunnen) en een oplossing (hoe ziet het eruit). En ken de vier functies van het PvE: nadenken, communiceren, toetsen en contracteren.
📏

De ruimtestaat en soorten vloeroppervlak

Les 4.2
De ruimtestaat zet alle ruimtes en m2 op een rij, in FNO. Werkplekken = fte x flexfactor, m2 = werkplekken x circa 7 m2, plus circulatie. Een gebouw koop of huur je in BVO; vuistregel van de les: FNO = 70% van BVO.

In les 4.2 reken je de ruimtebehoefte uit. Het resultaat is de ruimtestaat: een tabel met alle ruimtes, aantallen en vierkante meters. Dit is een van de rekenonderdelen van het vak.

Werkplekken en ruimtenormen

  • Ga uit van het aantal fte, niet van het aantal medewerkers.
  • Houd rekening met piekbezetting en tijdelijke afwezigheid; dat zit in de flexfactor.
  • Voor de ruimtebehoefte reken je met circa 7 m2 per werkplek.
NEN 1824Norm met minimale eisen voor de afmetingen van werkplekken in kantoren. Daaruit volgt 6 tot 8 m2 per werkplek: 4 m2 basisruimte (bureau 1,5 m2, zitten 1,5 m2, bewegen 1 m2), aangevuld met ruimte voor kasten, overleg en beweging.

Rekenvoorbeeld: ruimtestaat Altijd Safe

Formules: aantal werkplekken = fte x flexfactor; m2 = werkplekken x m2 per werkplek; circulatieruimte = een opslagpercentage (hier 10%); totaal = m2 + circulatie.

OnderdeelMdwFteFlexfactorWerkplekkenm2/wpm2
Directeur220,81,6711,2
Secretariaat42,80,82,2715,7
Stafmedewerkers16110,88,8761,6
Subtotaal directie en staf88,5 + 9 circulatie = 97
Afdeling financiën2418,90,815,17105,8 + 11 = 116

Narekenen

  • Directeur: 2 fte x 0,8 = 1,6 werkplekken x 7 m2 = 11,2 m2.
  • Financiën: 18,9 x 0,8 = 15,1 werkplekken x 7 = 105,8 m2; 10% circulatie = 10,6, afgerond 11; totaal ongeveer 116 m2.
  • Let op het verschil tussen 24 medewerkers en 18,9 fte: wie met medewerkers rekent, komt uit op 24 x 7 = 168 m2.
  • Totaal van de dia (directie en staf plus vier afdelingen): 136 medewerkers, 92 fte, 73 werkplekken, 512 m2 + 51 m2 circulatie = 564 m2.

Naast werkplekken komen er overige ruimtes in de ruimtestaat, zoals een extra vergaderruimte, koffiecorner of opslag. De les geeft daarvoor kengetallen als 2 tot 2,5 m2 per zitplek en 1 tot 2 m2 per zitplek, en een voorbeeldlijst met primaire ruimten (ontvangstruimte, spreekkamers, bestuurskamer, instructieruimte, vergaderruimtes) en secundaire ruimten (pantry, facility point, bedrijfsrestaurant, keuken, voorraad- en bergruimte).

Circulatieruimte kun je in een ruimte meerekenen of apart opnemen als opslagpercentage.

Soorten vloeroppervlak (NEN 2580)

OppervlakWat valt eronderAandeel in het voorbeeld van de les
BVO (bruto vloeroppervlak)Alles, inclusief constructie: wanden en kolommen100%; constructie zelf ongeveer 10%
NVO (netto vloeroppervlak)BVO min constructie; inclusief verkeersruimte (gangen, entree, liften, trappenhuizen) en technische ruimtesVerkeers- en technische ruimte ongeveer 20%
FNO (functioneel nuttig vloeroppervlak)Wat de organisatie echt gebruikt: afdelingen met werkplekken, circulatie tussen werkplekken en supplementaire ruimte (ongeveer 55%), plus speciale en nevenruimten, sanitair en garderobe (ongeveer 15%)Ongeveer 70%
FNO is het oppervlak in de ruimtestaat. Een gebouw koop of huur je in BVO. Vuistregel uit de les: FNO = 70% van BVO, en dus BVO = ongeveer 1,45 x FNO.

Rekenvoorbeeld

  • Een gebouw van 3.000 m2 BVO levert ongeveer 3.000 x 0,7 = 2.100 m2 FNO.
  • Heb je 1.000 m2 FNO nodig, dan zoek je ongeveer 1.000 x 1,45 = 1.450 m2 BVO.
  • Let op: 1 / 0,7 is eigenlijk 1,43. De dia rekent met 1,45; gebruik op het tentamen de vuistregel zoals die gegeven wordt.
  • Stappen bij herbestemming: ruimtestaat kantoor maken, FNO bepalen, berekenen hoeveel FNO overblijft en hoeveel woonunits daarin passen.

Tussen FNO en BVO ligt nog het gerealiseerd nuttig oppervlak (NO of GNO): het oppervlak in het ontwerp, inclusief ontwerpverlies. De verhouding tussen BVO en FNO heet de bruto-nuttigverhouding.

Dit is een rekenvalkuil. Een ruimtestaat in FNO kun je niet zomaar vergelijken met het BVO van een gebouw: eerst omrekenen.

Ruimtelijke eisen voor woonunits

TypeKenmerk
AWoonunits met gedeelde toegang en volledig gemeenschappelijke voorzieningen
BWoonunits met gedeelde toegang en gedeeltelijk gemeenschappelijke voorzieningen
CWoonunit met eigen toegang en eigen voorzieningen

De les gebruikt richtlijnen uit een publicatie over studentenhuisvesting en bouwregelgeving (Kences, 2013). Voorbeelden van eisen uit de dia:

EisWaarde
Niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied per woonfunctieminimaal 18 m2
Deel van de gebruiksoppervlakte dat verblijfsgebied isminimaal 55%
Minstens één verblijfsruimteminimaal 11 m2 en 3,0 m breed
Verblijfsgebiedminimaal 5 m2, 1,8 m breed, 2,6 m hoog
Opstelplaats aanrecht / kooktoestel1,5 x 0,6 m / 0,6 x 0,6 m
Toiletruimteminimaal 0,9 x 1,2 m, hoogte 2,3 m; maximaal vijf woonfuncties per toilet

Ruimtestaat woonunits (voorbeeld uit de les)

  • Meerpersoonsunit: 8 kamers inclusief sanitair van 18 m2 = 144 m2, gemeenschappelijke ruimte/keuken 16 m2, opslag/wasruimte 4 m2. Samen 164 m2 + 10% circulatie (16) = 180 m2.
  • Zelfstandige eenpersoonsunit: kamer met sanitair en keuken 21 m2 + opslag 1 m2 = 22 m2 + 2 circulatie = 24 m2.
  • Optioneel daarbij: inpandige fietsenstalling, gemeenschappelijke ruimte, opslag. Het totaal is FNO.
Boekstof bij deze les: Huisvestingsmanagement par. 9.2.2, 9.6.1 en 11.6.1 en Basisboek FM par. 3.1 en 3.3. Die tekst staat niet op deze site.
🗺️

Vlekkenplan, inrichtingsplan en moodboard

Les 4.3
Van ruimtestaat naar inrichting gaat in stappen: relatieschema, vlekkenplan (plek en grootte van functies), wanden- en inrichtingsplan met het werkplekconcept, en een moodboard dat de sfeer laat zien.

Na de ruimtestaat volgt de ruimteplanning: programma van eisen, vlekkenplan, wandenplan en inrichtingsplan. Les 4.3 behandelt ook kleur en materiaal en het maken van een moodboard. De dia's over ruimteplanning staan in het deck van les 4.2 (achterin), de dia's over kleur in het deck van les 4.3.

Stap 1: ruimtelijke relaties

Voordat je vlekken in een gebouw tekent, bepaal je welke functies bij elkaar horen. Ruimtelijke functies worden samengevoegd tot grotere eenheden, de vlekken (bijvoorbeeld 25 medewerkers tot één afdeling). Vragen: welke vlekken dicht bij elkaar, welke juist niet, welke ver uit elkaar?

WeergaveHoe
Schetsmatig (visueel)Een schets met vlekken en pijlen
Procesmatig (schematisch)Een relatieschema of relatiematrix

In een relatieschema geef je soorten relaties aan, bijvoorbeeld: directe relatie met deur, directe relatie zonder deur, storende relatie en visuele relatie. In een relatiematrix gebruik je bijvoorbeeld p (primaire relatie: naast elkaar), s (secundaire relatie: dichtbij, zelfde verdieping) en a (anti-relatie: niet bij elkaar).

Een relatieschema is níet hetzelfde als een vlekkenplan of een plattegrond. Het zegt welke functies bij elkaar horen, niet waar ze in het gebouw liggen.

Stap 2: het vlekkenplan

VlekkenplanTekening die op hoofdlijnen de plek én de grootte van de gebruiksfuncties in een gebouw laat zien, meestal zonder scheidingswanden en meubels. Gemaakt op basis van het relatieschema en de ruimtestaat uit het PvE.
  • Zonder gebouw: van een schets van ruimtelijke relaties naar een vlekkenplan.
  • Met een bestaand gebouw: teken je de vlekken exact in de plattegrond.

Vlekken worden meestal afgestemd op stramienmaten. Daardoor wijkt de vlek af van de ruimtestaat.

Rekenvoorbeeld indelingsverlies

Afdeling X heeft 70 m2 in de ruimtestaat, maar komt in een vlek van 9 x 9 m = 81 m2. De afdeling krijgt 11 m2 te veel; die extra m2 heten indelingsverlies. Houd je ergens ruimte over, bedenk daar dan een passende functie voor.

Tips uit de opdracht: elke vlek is zo groot als de ruimtestaat aangeeft; gangen binnen een afdeling horen bij de vlek, trappen, liften en toiletten niet; gebruik kleuren per functie en een legenda.

Stap 3: wanden- en inrichtingsplan

In het inrichtingsplan pas je het werkplekconcept in: de verdeling over bruis, ruis en rust.

Rekenvoorbeeld activiteitenprofiel

  • Profiel: 20% geconcentreerd (rust), 50% routinematig (ruis), 30% communicatief (bruis).
  • Bij 100 werkplekken: 50 bureauplekken in een open ruimte (bijvoorbeeld in blokken van 6), 20 bureauplekken in kleine afgesloten ruimtes, 30 plekken in spreekruimtes van 2 à 4 personen.

Kenmerken van een modern inrichtingsplan uit de les: de ingerichte vlekken lopen in elkaar over, er is niet echt een gang met kamers, en er is een mix van open, gesloten en overlegplekken. Circulatiezones (de 'flow' door het gebouw) zijn de leidraad voor de inrichting: bijvoorbeeld kasten tussen looproute en werkplekken, en een open overgang tussen gangzone en lounge.

Kosten van inrichting en afwerking

NiveauPer werkplekPer m2
Simpel€ 800 tot € 1.200€ 150 tot € 300
Middenklasse / standaard€ 1.500 tot € 3.500€ 300 tot € 500
Luxe€ 3.500 tot € 7.000+€ 500 tot € 1.500+

Per werkplek gaat het om bureau, stoel, bekabeling en opbergruimte; per m2 om vloerbedekking, scheidingswanden, meubilair en verlichting. Het portfolio vraagt je de investeringskosten voor inrichting en afwerking te berekenen.

Kleur en materiaal

KleurWerking volgens de les
GroenEvenwicht, harmonie, rust, natuur, kalmeert; lichtgroen verfrist
RoodOpwekkend, verhoogt lichaamstemperatuur, stimuleert bloedsomloop
OranjeVreugde, beweging, creativiteit, gezelligheid
GeelWarm, zonnig, optimistisch, stimuleert intellect en logisch denken
BlauwComfort, rust, kalmeert, koel en zakelijk, verzacht stress
Grijs en zwartKracht, mysterieus, onopvallend, overwicht; kan de vrijheid van denken beperken
WitRuimtelijk, oogt groter, inspiratie, vrijheid, combineert met veel kleuren

Warme kleuren (rood, oranje, geel) geven een warme sfeer, koele kleuren (blauw, groen) een koele. In plaats van kleur kun je natuurlijke materialen gebruiken (associatie met natuur, luchtig).

Ruimtelijk effectHoe
VerbindenKleuren horizontaal doortrekken over twee ruimtes
ScheidenKleurverschil verticaal toepassen
VerbredenPlafond en vloer donkerder dan de muren
Hoger makenMuren donkerder dan plafond en vloer
Verkleinen / vergrotenDonkere kleuren verkleinen, lichte kleuren vergroten
Langer / brederVloer in de lengte gelegd maakt de ruimte langer, in de breedte breder

Moodboard

Een goed moodboard is een samenhangende collage met een beperkt kleurenpalet, materiaalstalen en sfeerbeelden die bij de huisvestingsvisie passen. Fout volgens de voorbeelden in de les: een losse verzameling vrijstaande meubels en interieurfoto's in allerlei kleuren en stijlen zonder samenhang.

Boekstof bij deze les: Basisboek FM par. 3.5 en Huisvestingsmanagement par. 9.4 en 9.5 (ruimteplanning, relatieschema, vlekkenplan). Die tekst staat niet op deze site.
⚖️

Regelgeving en plantoetsing

Les 5.1
Het Bouwbesluit stelt minimale eisen aan veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Een plan toets je in vijf stappen: gebruiksfuncties, gebruiksoppervlak, gedefinieerde ruimtes, verblijfsgebied en verblijfsruimtes, restruimte.

Een ontwerp moet voldoen aan de bouwregels. In les 5.1 leer je wat het Bouwbesluit regelt en hoe je een plan in vijf stappen toetst. In het portfolio doe je een globale plantoetsing van drie ruimtes uit je eigen ontwerp.

Het Bouwbesluit

BouwbesluitRegeling (sinds 1992) die onderdeel is van de Woningwet en minimale bouwtechnische voorschriften stelt aan gebouwen op het gebied van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Geldt voor nieuwe én bestaande gebouwen (bij aanpassing).

Bouwregels zijn belangrijk voor veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid, en ze maken controle mogelijk.

Het Bouwbesluit deelt een bouwwerk in: een bouwwerk is een gebouw of geen gebouw; een gebouw bestaat uit constructie (bouwdelen, materialen), ruimten en installaties. Aan de ruimten hangen gebruiksfuncties.

Plantoetsing in vijf stappen

StapBenoemUitleg
1GebruiksfunctiesHet deel van een of meer bouwwerken op een perceel met dezelfde gebruiksbestemming, dat samen een gebruikseenheid vormt
2Gebruiksoppervlak (GO)De oppervlakte die gebruikt kan worden, gemeten volgens vaste regels
3Gedefinieerde ruimtesRuimtes die aanwezig moeten zijn, afhankelijk van gebruiksfunctie en grootte
4Verblijfsgebied en verblijfsruimtesWaar de kenmerkende activiteiten van de functie plaatsvinden
5RestruimteRuimte die overblijft en niet benoemd kan worden

Stap 1: gebruiksfuncties

Gebruiksfuncties voor een gebouw: woonfunctie, bijeenkomstfunctie, celfunctie, gezondheidszorgfunctie, industriefunctie, kantoorfunctie, logiesfunctie, onderwijsfunctie, sportfunctie, winkelfunctie en overige gebruiksfuncties. Een gebouw is een bouwwerk met een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte.

  • Elk deel van een bouwwerk heeft een gebruiksfunctie.
  • De gebruiksfunctie hoort bij een ruimte, niet bij een gebouw: één gebouw heeft vaak meerdere functies (een school heeft bijvoorbeeld een onderwijs-, bijeenkomst-, sport- en kantoorfunctie).
  • Een ruimte kan meerdere gebruiksfuncties hebben.
  • Er is ook gemeenschappelijke ruimte.
  • Een gebruiksfunctie hoeft niet aaneengesloten te zijn.
  • Een gebruiksfunctie ligt op één perceel.

Stap 2: gebruiksoppervlak

Niet in het gebruiksoppervlak tellen onder meer:

  • dragende binnenwanden;
  • een trapgat, liftschacht of vide groter dan 4 m2;
  • vloeroppervlak met een vrije hoogte kleiner dan 1,5 m (de vloer onder een trap of hellingbaan telt wel mee);
  • een vrijstaande bouwconstructie (geen trap) of leidingschacht met een horizontale doorsnede groter dan 0,5 m2.

Niet-dragende wanden, een trapgat tot 4 m2 en een leidingschacht tot 0,5 m2 tellen dus wel mee.

Stap 3 en 4: gedefinieerde ruimtes en verblijfsruimtes

Gedefinieerde ruimtes zijn bijvoorbeeld toiletruimte, badruimte, technische ruimte (meterruimte, stookruimte, liftmachinekamer), verkeersruimte, fietsenstalling, opslag voor huishoudelijk afval, liftschacht en verblijfsruimte. Per ruimte gelden eisen, zoals minimale afmetingen en of een toilet op slot moet kunnen.

VerblijfsruimteRuimte waarin de kenmerkende activiteiten van een gebruiksfunctie plaatsvinden. Voor een woonfunctie: slaapkamer, woonkamer, keuken, hobbyruimte. Toilet, douche, technische ruimte en stalling zijn géén verblijfsruimte.

Wat je in de portfolio-plantoetsing nagaat

  • welke gebruiksfuncties aanwezig zijn (bijvoorbeeld kantoorfunctie en woonfunctie);
  • welke ruimtes verblijfsruimtes zijn;
  • of de routing logisch en veilig is;
  • of publieke, private en woonfuncties goed gescheiden zijn;
  • of de toegankelijkheid voldoende is;
  • aandachtspunten rond daglicht, ventilatie, geluid en privacy;
  • vluchtwegen en brandveiligheid op hoofdlijnen;
  • wat een bouwkundige, architect of adviseur verder moet uitwerken.
Tentamentip: een toilet is geen verblijfsruimte, en een gebruiksfunctie hoort bij een ruimte, niet bij het hele gebouw. Weet ook de grenzen voor het gebruiksoppervlak: 4 m2 voor gaten in de vloer, 0,5 m2 voor schachten, 1,5 m vrije hoogte.
🏗️

Bouwfasen, bestek en aanbesteden

Les 5.2
Een bouwproject doorloopt zes fasen, van initiatief tot exploitatie. Het PvE hoort bij de definitiefase, VO en DO bij het ontwerp, het bestek bij de voorbereiding. Hoe preciezer het bestek, hoe minder risico bij de aanbesteding.

Les 5.2 volgt een bouwproject van idee tot oplevering, met nadruk op het bestek en de aanbesteding.

Zes bouwfasen

FaseVraagProductHoofdfase
1. InitiatiefIdeeAanleiding, haalbaarheidBouwvoorbereiding
2. DefinitieWat?Programma van eisenBouwvoorbereiding
3. OntwerpHoe?VO en DOBouwvoorbereiding
4. VoorbereidingUitvoeringsgereed makenBestekUitvoering
5. RealisatieUitvoeringHet gebouwUitvoering
6. ExploitatieGebruik en in stand houdenBeheerExploitatie

De fases nader bekeken

  • Initiatief: er is een aanleiding; oriëntatie op de bouwbehoefte: randvoorwaarden, kwaliteit, terrein, bestemmingsplan, haalbaarheid, risico's, business case, budget.
  • Definitie: het PvE (ruimtelijk, functioneel, relatieschema), plus budget, planning, projectorganisatie, zoeken naar een architect en de gevolgen voor beheer en exploitatie.
  • Ontwerp: architect selecteren; basis is het PvE plus budget. Van grof naar fijn: structuurschets (situering hoofdfuncties, bouwvolume, inpassing, ontsluiting), schetsontwerp (niets staat vast, grote aanpassingen nog mogelijk), voorlopig ontwerp (VO) en definitief ontwerp (DO).
  • Bestek: het DO wordt technisch uitgewerkt tot bestektekeningen en het bestek. Daarbij hoort het technisch ontwerp van installaties en ingewikkelde constructies.
  • Uitvoering: aanbesteding aan een aannemer op basis van bestek en DO, voorbereiding (terrein-, materiaal-, personeelsplan), fundering, ruwbouw (wind- en waterdicht), afbouw (afwerking, detaillering), inrichting bestellen. Resultaat: het 'kale' gebouw.

Het bestek

BestekEen nauwkeurige beschrijving van het te maken werk en de voorwaarden waaronder het moet worden uitgevoerd. Meestal geschreven door of onder verantwoordelijkheid van de architect, met bijbehorende bestektekeningen.

Doel van het bestek: het is nodig voor de prijsvorming (aanbesteding), het geldt als contract, het heeft bestektekeningen en het dient voor communicatie en controle. Er staan materialen en voorwaarden in.

Hoe preciezer het bestek, hoe minder risico. Wil je een scherpe prijs van de aannemer, dan moet je heel precies beschrijven: soort en kleur baksteen, soort isolatie, houtsoort en kleur van het verfwerk, kleur van de voeg.

Begrippen die je in een bestek tegenkomt: meer- en minderwerk, stelposten, werkbare dagen, werk buiten bestek, de 'directie', UAV, STABU en de nota van inlichtingen. De dia noemt deze begrippen alleen; een uitleg ervan staat niet in het lesmateriaal op Brightspace.

Vier vormen van aanbesteden

VormHoe het gaat
1. OpenbaarPublicatie; iedere aannemer kan inschrijven
2. Openbaar met voorafgaande selectiePublicatie; aannemers melden zich bij de opdrachtgever, die er bijvoorbeeld zes kiest en hun het bestek stuurt
3. Onderhands (op uitnodiging)De opdrachtgever kiest zelf 2 tot 6 aannemers en vraagt ze in te schrijven; in het algemeen wint de laagste inschrijver
4. Onderhands na selectieDe opdrachtgever stelt eisen, kiest circa 10 aannemers, selecteert en stuurt het bestek

In de les wordt een aanbesteding nagespeeld: een kantoorgebouw met een begroting van de architect van € 13.780.000, vier inschrijvers, architect en opdrachtgever aanwezig, bij de opdrachtgever op kantoor.

Tentamentip: ken de volgorde van de fasen en welk product bij welke fase hoort. Het PvE hoort bij de definitiefase, het bestek bij de voorbereidingsfase, en het DO is de basis voor de bestektekening.
👷

Uitvoering: stakeholders, contractvormen, BIM en IWMS

Les 5.3
Bij de uitvoering breng je stakeholders in beeld (benoemen, rubriceren, prioriteren), ken je de rollen van de bouwpartijen en de vier contractmodellen, en beheer je informatie met BIM en IWMS.

Les 5.3 gaat over wie er bij de uitvoering betrokken zijn, hoe je met hen omgaat, welke contractvormen er zijn en hoe informatie wordt beheerd met BIM en IWMS.

Stakeholders

Je brengt stakeholders in drie stappen in beeld: benoemen (bijvoorbeeld met een projectomgevingskaart rond de projectorganisatie), rubriceren en prioriteren.

Soort stakeholderOmschrijvingVoorbeelden
InternVanuit de eigen organisatie bij het project betrokkenStuurgroep, projectmanager, teamleden; lijnmanagers, medewerkers, ondernemingsraad
ExternExterne partij die bij het project betrokken isLeveranciers, investeerders, adviseurs, klanten; pers en media, concurrenten
InterfaceNiet betrokken, maar wel met een legitiem belangLokale overheid; maatschappij, vakbonden, belangengroeperingen

Per soort onderscheid je ook primaire stakeholders (direct invloed op aanpak of resultaat) en secundaire.

Mendelows matrixKlein belangGroot belang
Veel invloed of machtBeïnvloeder: tevreden houdenSleutelfiguur: vertroetelen
Weinig invloed of machtToeschouwer: monitorenGeïnteresseerde: informeren

Communiceren met stakeholders leg je vast in een communicatieplan (met wie, welke doelen, welke boodschap, welke middelen, hoe monitor je het resultaat) en een communicatiekalender (wanneer communiceer je wat en hoe, wie communiceert, wat mag het kosten).

Bouwpartijen (actoren)

PartijRol
Opdrachtgever (bouwheer, principaal)Particulier, projectontwikkelaar, overheid of bedrijf. Regelt grond, vergunningen, financiering, beslissingen, PvE en keuze van partners. Probleem: vaak weinig bouwkennis.
Architect (bouwmeester)Maakt tekeningen, bestek en begrotingen; 'vertrouwensman' van de opdrachtgever; vaak ook de 'directie' die toezicht houdt op het werk
OpzichterVertegenwoordiger van de architect op de bouw; toetst aan bestek en tekeningen
(Hoofd)aannemerVoert het werk uit en stuurt onderaannemers aan
UitvoerderVertegenwoordiger van de aannemer op de bouw
OnderaannemerSpecialist onder verantwoordelijkheid van de hoofdaannemer: stukadoor, loodgieter, elektricien, dakdekker, tegelzetter
Overheid (gemeente)Bestemmingsplan, sloop- en bouwvergunning, bouw- en woningtoezicht
Adviseurs en specialistenKosten, milieu, akoestiek, binnenhuisarchitectuur, constructie, makelaar

Projectorganisatie

Een veelgebruikte opzet is het stuurgroep-projectgroep-werkgroepmodel: onder de raad van bestuur of directie staat een stuurgroep, daaronder projectgroepen en daaronder werkgroepen. Ze zijn verbonden via 'linking pins': iemand die in twee lagen zit.

Contractmodellen

ModelKenmerken
1. TraditioneelOpdrachtgever heeft de regie en contracteert architect en bouwpartijen apart; directievoering vaak uitbesteed aan architect of adviseur; aanbesteding op basis van bestek en DO; de beste aanbieding wint; aannemer besteedt delen uit
2. BouwteamAannemer is al vanaf de ontwerpfase betrokken, vooral adviserend; partijen nemen samen de belangrijkste beslissingen; oplossingen worden vroeg getoetst op uitvoerbaarheid; lastig in concurrentie aan te besteden
3. Design & ConstructHet hele project gaat naar één partij (vaak een aannemer, maar ook architect, adviseur of projectontwikkelaar); opdrachtgever heeft minder invloed, dus vooraf goede afspraken en tussentijdse meetpunten
4. PPS (publiek-private samenwerking)Overheid is opdrachtgever (bijvoorbeeld gevangenis, ministerie, kazerne) en beschrijft wat ze de komende 30 jaar nodig heeft; een consortium realiseert dat inclusief financiering; de overheid betaalt 30 jaar een bedrag voor de geleverde prestatie. Partijen voor D-B-F-M-O (de dia geeft alleen de afkorting; gangbaar staat die voor Design, Build, Finance, Maintain, Operate)

Hoe verder je van traditioneel naar geïntegreerd gaat, hoe meer taken (ontwerp, bouw, onderhoud en beheer) in één contract zitten. Bij een bouwteam heeft de aannemer in de ontwerpfase een inspanningsverplichting; bij een geïntegreerd contract zitten ontwerp en bouw samen in één contract, met onderhoud en beheer als optie (facultatief). Bij 'strategische samenwerking' zit alles, van initiatief tot onderhoud en beheer, in één geïntegreerd contract.

Business case

Een business case helpt beslissingen te nemen en alternatieven af te wegen. Ingrediënten: wat zijn de alternatieven, wat is de relatie met de huisvestingsvisie, welke randvoorwaarden gelden, plus een impactanalyse (effecten voor stakeholders), investeringsanalyse (voor- en nadelen in geld uitgedrukt) en risicoanalyse (risico's en waarschijnlijkheid). Voorbeeldcasus in de les: vervangen we het bestaande meubilair in de nieuwbouw of niet?

Informatiemanagement

Projectinformatie is wel of niet vastgelegd, actueel of niet. Actuele informatie die beheerst moet worden (bijvoorbeeld beslisdocumenten) vraagt om identificatie (codering, inhoudsopgave, vormgeving), registratie (wie stelt op, adviseert, beoordeelt, verstuurt, ontvangt, archiveert) en bewaking (wie geeft vrij en wie mag wijzigen, volgens welke procedure).

BIM (Building Information Modelling)Ook bouwwerkinformatiemodel. Omvat het model (de digitale weergave van alle aspecten van het bouwproject), het modelleren (afspraken over het proces) en het managen (de informatie beheren over de hele levenscyclus van het gebouw). Meer dan een 3D-tekening: er zit informatie in over elk onderdeel.

FM-BIM is BIM toegepast in de exploitatiefase: ruimtebeheer, schoonmaakmanagement, beheer en onderhoud (MJOP) en koppeling met een FMIS, bijvoorbeeld voor meldingen. De les toont ook de digital twin: een digitaal model dat gekoppeld is aan het echte gebouw.

IWMS (Integrated Workplace Management System)Geïntegreerd werkplekbeheersysteem: softwareplatform waarmee organisaties het gebruik van werkplekresources optimaliseren, inclusief het beheer van de vastgoedportefeuille, infrastructuur en faciliteiten.
KenmerkFMISIWMS
FocusOperationeel en tactisch facilitair beheerStrategisch vastgoed- en werkplekbeheer
GebruikersFacilitair managers, servicedesk, gebouwgebruikersDirectie, CFO, vastgoedmanagers, facilitair directeuren
DataMeldingen, catering, schoonmaak, operationeel onderhoudVastgoed, financiën, HR, duurzaamheid en IT geïntegreerd
DatabaseVaak gekoppelde modules per taakEén centrale database met volledig geïntegreerde modules
Tentamentip: ken per contractmodel wie de regie heeft en wanneer de aannemer instapt. Bij traditioneel pas na het bestek, bij een bouwteam al in de ontwerpfase, bij D&C doet één partij ontwerp én bouw.
♻️

Duurzaamheid, circulair bouwen en binnenklimaat

Les 6.1
Duurzame keuzes orden je met de Trias energetica (eerst de energievraag beperken) en de Trias materia (eerst minder materiaal). Bij circulariteit geldt: hoe hoger op de R-ladder, hoe beter. Een goed binnenklimaat levert aantoonbaar waarde op.

Gebouwen hebben grote invloed op energiegebruik, grondstoffen en de gezondheid van gebruikers. Les 6.1 geeft twee denkmodellen waarmee je duurzame keuzes ordent, de Trias energetica (energie) en de Trias materia (materialen), en sluit af met het binnenklimaat. Beide Trias-modellen gebruik je later ook in het duurzame MJOP.

Van minder slecht naar positieve impact

De les zet een ontwikkeling neer van conventioneel bouwen (negatieve impact) via 'green' (minder schade) naar sustainable, en daarna restorative en regenerative (iets teruggeven, positieve impact op mens en milieu). Pas vanaf het punt 'sustainable' mag een ontwikkeling duurzaam en toekomstbestendig heten; daar ligt ook 'Paris Proof'. Het BBL staat op de dia net onder dat punt, in het 'green'-deel.

Tijdlijn uit de les

  • Industriële revolutie (18e eeuw), Club van Rome (1972), Brundtland 'Our common future' (1987)
  • Keurmerken en regels: BREEAM (1990), LEED (1993), EPC (1995), WELL (2013), BENG (2021)
  • Circulair denken: Cradle to Cradle 'Afval is voedsel' (2002), vlindermodel van de Ellen MacArthur Foundation (2011), Madaster (2016)
  • Drie transities: energietransitie, materiaaltransitie (naar circulair en biobased) en welzijnstransitie (biofilisch)

Trias energetica

StapWatVoorbeelden uit de les
1Beperk de energievraagIsoleren van de buitenschil (meeste winst): spouwmuur, dak, vloer, geïsoleerd glas
2Gebruik duurzame energieOp de dia: zonnepanelen, ledverlichting en een ketel met energielabel A
3Gebruik fossiele brandstoffen zo efficiënt en schoon mogelijk (indien nodig)Zuinige installaties met hoog rendement, goede regeltechniek en monitoring via een gebouwbeheersysteem (BMS), weinig verspilling. De dia noemt dit uitdrukkelijk de laatste optie.

Naast de Trias energetica en materia toont de dia ook de Trias humana: 1. vertaal doelgroep en gebruiksgedrag en -wensen, 2. bouw flexibiliteit in en maak toekomstbestendig, 3. gebruik de ruimte efficiënt. Warmte stroomt altijd van warm naar minder warm: door het dak, de gevels en de vloer naar buiten of naar de kruipruimte. Isolatie of geïsoleerd glas vergroot de warmteweerstand (R). Bij geïsoleerd glas houdt een coating de binnenwarmte binnen en weert een deel van de zonnewarmte, terwijl een deel als gratis warmtewinst binnenkomt. In een spouwmuur kan isolatie ook achteraf in de spouw worden geblazen.

Isoleren betekent ventileren. Een goed geïsoleerd, luchtdicht gebouw heeft ventilatie nodig, natuurlijk (ramen, roosters) of mechanisch (afzuigen in keuken en badkamer, inblazen in verblijfsruimtes).

Trias materia

StapWatToelichting
1Beperk de hoeveelheid materiaalVan lineair (take, make, dispose) naar circulair (gebruiken en opnieuw inzetten). Eerst nagaan of iets wel nodig is.
2Gebruik secundair en biobased materiaalHergebruikte materialen en materialen van biologische oorsprong, zoals hout, vlas, hennep, wol
3Gebruik materiaal zo efficiënt mogelijkSlim ontwerpen: bijvoorbeeld daglicht via dakramen en een vide diep in de woning, zonnepanelen op het zuiden
Circulaire economieEconomie waarin producten en materialen zo lang en zo hoogwaardig mogelijk in gebruik blijven, in plaats van het lineaire 'take, make, dispose'. In de bouw: niet alles in elkaar beuken en op een hoop gooien, maar demonteren, sorteren en hergebruiken.

Het vlindermodel (Ellen MacArthur Foundation) splitst stromen in twee vleugels: biologische grondstoffen (terug naar de natuur via onder meer vergisting en compostering, cascadering) en technologische grondstoffen. Voor technologische grondstoffen geldt: hoe kleiner de kringloop, hoe beter. Van binnen naar buiten: onderhoud, hergebruik en herdistributie, herstel en hergebruik van componenten, en als laatste recycling.

De R-ladder (circulariteitsladder)

RStrategieBetekenis
R0RefuseProduct overbodig maken door van de functie af te zien of die radicaal anders te leveren
R1RethinkProductgebruik intensiveren, bijvoorbeeld delen of multifunctioneel gebruik
R2ReduceEfficiënter fabriceren of gebruiken: minder grondstoffen en materialen
R3Re-useAfgedankt maar goed product opnieuw gebruiken in dezelfde functie door een ander
R4RepairKapot product repareren en onderhouden voor de oude functie
R5RefurbishOud product opknappen of moderniseren
R6RemanufactureOnderdelen van een afgedankt product gebruiken in een nieuw product met dezelfde functie
R7RepurposeAfgedankt product of onderdelen gebruiken in een nieuw product met een andere functie
R8RecycleMaterialen verwerken tot dezelfde (hoogwaardig) of mindere (laagwaardig) kwaliteit
R9RecoverMaterialen verbranden met energieterugwinning
Hoe lager het R-nummer, hoe circulairder. Begin dus altijd zo hoog mogelijk op de ladder: eerst kijken of iets voorkomen, minder of behouden kan worden, pas daarna hergebruik en reparatie, en recycling en verbranding als laatste.

Een tweede versie van de ladder (Planbureau voor de Leefomgeving) telt R1 tot en met R6: refuse en rethink, reduce, reuse, repair/refurbish/remanufacture/repurpose, recycling, recover. De volgorde is hetzelfde, alleen de nummering verschilt.

Oefening uit de les: welke R? (de dia geeft geen antwoorden; dit is een mogelijke indeling)

  • Eerst kijken of er minder werkplekken nodig zijn voordat je opnieuw inricht: hoog op de ladder (refuse, rethink of reduce).
  • Demontabele wanden zodat ruimtes later makkelijk aan te passen zijn: maakt aanpassen en later hergebruik van onderdelen mogelijk in plaats van slopen.
  • Bureaustoelen met versleten stof: repareren en opnieuw stofferen (repair/refurbish) in plaats van vervangen. Dit voorbeeld staat zo op de dia bij de verslagopdracht.
  • Oude tapijttegels terug naar de leverancier: hergebruik of recycling door de producent, afhankelijk van wat de leverancier ermee doet.
  • Alle bureaus vervangen omdat ze niet bij de nieuwe huisstijl passen: lineair, niet circulair.
LCA (levenscyclusanalyse)Systematiek om de milieueffecten te berekenen van bouwmaterialen, producten, bouwdelen of hele gebouwen, over de hele cyclus: winning van grondstoffen, productie, transport, gebruik en sloop.

Met een LCA kun je bijvoorbeeld kozijnen van aluminium, hout en kunststof vergelijken. De les vraagt om materiaalkeuzes in het MJOP zo te motiveren.

Binnenklimaat

Comfort binnen hangt af van vijf factoren: temperatuur, licht, vocht, lucht en geluid. Het gebouw kan die positief beïnvloeden:

FactorHoe het gebouw helpt
TemperatuurIsoleren van de schil en installaties
GeluidIsoleren en akoestisch materiaal
LuchtNatuurlijke ventilatie en/of installaties
VochtBouwkundige maatregelen en installaties
LichtGlas en installaties

Veelvoorkomende klachten over het binnenklimaat zijn onder meer: te warm, te koud, tocht, benauwdheid, hoofdpijn, vermoeidheid, droge of geïrriteerde ogen, keel en huid, verstopte of lopende neus, te veel lawaai, te weinig daglicht, onprettige of onvoldoende verlichting en slecht kunnen concentreren.

Rekenvoorbeeld uit de les: waarom binnenklimaat geld waard is

  • Uitgangspunt: een organisatie van 500 medewerkers, bruto toegevoegde waarde per medewerker € 96.932 per jaar (cijfers 2018).
  • Productiviteit 2,5% hoger: 0,025 x € 96.932 = € 2.423 per medewerker, voor 500 medewerkers € 1.211.500 per jaar.
  • Ziekteverzuim 1 procentpunt lager levert volgens de dia ongeveer € 850 tot € 969 per medewerker op; de dia noemt beide bedragen.
  • Les: een beter binnenklimaat is geen luxe maar levert aantoonbaar waarde op.
De bedragen op de dia's over verzuim en productiviteit zijn niet consistent (de dia noemt € 850 en rekent met € 969, en noemt € 2.125 maar rekent met € 2.423). Onthoud de redenering, niet de precieze bedragen.

Vocht in gebouwen

Vocht kan uit verschillende bronnen komen, en elke bron vraagt een andere oplossing: neerslag (ook verticale vochtdoorslag door de gevel), vocht in bouwstoffen, condensatie, lekkage en vocht vanuit de grond (hydrostatische druk). Zichtbare gevolgen zijn schimmel, loslatend stucwerk en zoutkristallen (witte uitslag) op de muur.

Tentamentip: weet de volgorde van beide Trias-modellen uit je hoofd en kun een maatregel (spouwmuurisolatie, zonnepanelen, hr-ketel, hergebruikt hout) in de juiste stap plaatsen.
🛠️

Beheer en onderhoud: introductie MJOP en levensduur

Les 6.2
Een MJOP plant het onderhoud voor 10 à 20 jaar op basis van inventarisatie en inspectie. Vijf factoren bepalen de onderhoudsbehoefte, en een gebouw heeft een technische, functionele en economische levensduur.

Na de oplevering begint de langste fase van de huisvestingscyclus: beheer en exploitatie. Les 6.2 introduceert het meerjarenonderhoudsplan (MJOP), de factoren die bepalen hoeveel onderhoud een gebouw nodig heeft, en de drie soorten levensduur.

Beheer en onderhoud

Post-Occupancy Evaluation (POE)

  • Ervaringen en gedrag van gebruikers
  • Financiële aspecten
  • Vastleggen van onverwachte effecten, positief en negatief

Onderhoud (MJOP)

  • Inventarisatie van de onderhoudsgevoelige elementen
  • Inspectie van elk onderdeel
  • Planning van het benodigde onderhoud voor 10 à 20 jaar
MJOP (meerjarenonderhoudsplan)Planning van het onderhoud dat een gebouw de komende 10 à 20 jaar nodig heeft, per element met maatregel, moment en kosten. Gebaseerd op een inventarisatie en een inspectie van de onderhoudsgevoelige elementen.

De onderhoudsbeheercyclus

De dia toont (met een figuur uit Huisvestingsmanagement) planning en budgettering van onderhoud als een cyclus:

  1. Invoer: onderhoudsstrategie, prijzen en normen, inventarisatie en inspectie.
  2. Daaruit volgt het meerjarenonderhoudsplan met raming.
  3. Dat wordt vertaald naar een jaarplan met begroting,
  4. dan naar een plan met budget,
  5. en tot slot naar de opdracht aan de uitvoerder.
  6. Via bijsturing gaat de informatie terug naar de strategie en de prijzen en normen.

Het portfolio-MJOP richt zich op het eerste deel van die cyclus: strategie, inventarisatie, inspectie en het MJOP met raming.

Waarom onderhoud nodig is

De les laat krantenkoppen zien over onveilige balkons, constructieschade bij een ingestorte flat en miljarden aan achterstallig onderhoud van schoolgebouwen. Zonder planmatig onderhoud ontstaan veiligheidsrisico's en grote kostenposten.

Vijf factoren die de onderhoudsbehoefte bepalen

FactorUitleg en voorbeeld
1. GebruiksintensiteitIntensief gebruik (zoals een drukke stationshal) slijt sneller dan extensief gebruik (een schuurtje in het weiland)
2. DoelTijdelijke huisvesting (bijvoorbeeld tijdelijke woonstudio's of een tijdelijk gebouw van een reddingsbrigade) vraagt een ander onderhoudsniveau dan een gebouw voor de lange termijn
3. MateriaalgebruikBaksteen, natuursteen, hout, metaal en beton vragen elk ander onderhoud; de keuze hangt af van beschikbaarheid en de architect
4. KlimaatNederland tegenover Italië, Noorwegen of Aruba: weer en wind bepalen hoe snel materialen verouderen
5. OntwerpDakoverstekken en overkappingen beschermen de gevel; veel glas en staal vraagt juist meer onderhoud

Drie soorten levensduur

LevensduurWanneer is die voorbij?
Technische levensduurAls het gebouw niet meer de technische en bouwfysische prestaties levert die nodig zijn om het te gebruiken en de veiligheid en gezondheid van gebruikers te waarborgen. Oorzaken: invloed van buitenaf, veroudering van materialen, gebruik en slijtage, veranderende regelgeving.
Functionele levensduurAls het gebouw of bouwelement niet meer past bij het gebruik, ook al is het technisch nog in orde.
Economische levensduurAls de kosten van het gebouw hoger worden dan de baten, bijvoorbeeld door lagere huren, leegstand of de conjunctuur.

De grafiek van de technische levensduur laat zien dat het prestatieniveau van een gebouw daalt, door onderhoud telkens deels wordt opgehaald, maar per interval verder zakt. Tegelijk stijgen de eisen. Raakt het prestatieniveau de acceptatiegrens, dan is een grotere investering (renovatie) nodig die het niveau weer boven de eisen brengt.

Six elements model (Brand)Model dat een gebouw opdeelt in zes lagen met elk een eigen levensduur: site (locatie), structure (draagconstructie), skin (gevel), services (installaties), space plan (indeling) en stuff (inrichting). Daarom bepaal je de technische levensduur per element.

Discussie uit de les

De les laat je de brand van de Notre Dame bespreken in relatie tot technische, functionele en economische levensduur. Goede oefening: welke van de drie is door de brand geraakt, en welke niet?

De MJOP-opdracht in het kort

Het portfolio-MJOP bestaat uit drie delen: organisatie en context (wie is de organisatie, type gebouw en gebruik, trends, invloed van de vijf factoren), de bevindingen van de NEN 2767-inspectie met foto's, en het MJOP-overzicht voor 20 jaar met onderhoudsstrategie, kosten, verwerking van duurzaamheid en onderbouwing van de planning. Zie de pagina Toetsing en beoordeling.

Tentamentip: technische en functionele levensduur worden vaak door elkaar gehaald. Technisch = het werkt niet meer goed of veilig. Functioneel = het werkt nog, maar past niet meer bij wat de gebruiker nodig heeft. Economisch = het kost meer dan het oplevert.
🔍

Soorten onderhoud, NEN 2767 en onderhoudsstrategie

Les 6.3
Met NEN 2767 bepaal je objectief de conditie (1 uitstekend tot 6 zeer slecht) uit ernst, intensiteit en omvang van een gebrek. De omvang is een percentage van het hele element. De onderhoudsstrategie kies je op termijn, budget, functie, beleving en risico.

Les 6.3 behandelt welke soorten onderhoud er zijn, hoe je met de NEN 2767 objectief de conditie van een bouwdeel bepaalt en welke onderhoudsstrategie bij een organisatie past. Dit is een van de meest rekenbare onderdelen van het tentamen.

Soorten onderhoud

HoofdsoortSubsoortVorm
Schoonmaakonderhoud
Technisch onderhoudPlanmatig of regulier onderhoudPreventief onderhoud, inspectief onderhoud
Technisch onderhoudNiet-gepland onderhoudStoringsonderhoud, correctief onderhoud, mutatieonderhoud

Alles valt onder 'onderhoud voor instandhouding van prestaties'. Planmatig onderhoud plan je vooraf in (zoals in een MJOP); niet-gepland onderhoud ontstaat door een storing, een gebrek of een mutatie (bijvoorbeeld een verhuizing of wijziging).

Conditiemeting volgens NEN 2767

NEN 2767Objectieve methodiek om op basis van een gebrekenopname de conditie van een bouw- of installatiedeel te bepalen.
ConditieDe technische toestand of staat waarin een bouw- of installatiedeel verkeert. Let op: technische levensduur is niet hetzelfde als functionele levensduur.

Doelen van een conditiemeting: de huidige conditie controleren en achterstallig onderhoud kwantificeren. Daarna kun je prioriteren (wat wanneer, met een onderhoudsstrategie), een MJOP opstellen en acties clusteren, en het onderhoudsbudget verdelen.

De conditiescore (1 tot 6)

ScoreConditieKern
1UitstekendNieuwbouwkwaliteit; hooguit incidenteel een gebrek door een calamiteit, niet door veroudering
2GoedLichte invloed van gebruik, weer en wind; de nieuwheid is eraf, functie gewaarborgd
3RedelijkEerste echte gebreken zoals houtrot en corrosie; veroudering overal op gang; incidenteel een storing
4MatigVeroudering heeft het element duidelijk in zijn greep; het einde nadert; plaatselijk storingen
5SlechtVeroudering min of meer onomkeerbaar; regelmatig ernstige gebreken; functie niet meer gewaarborgd
6Zeer slechtVoortdurende storing in de functievervulling

Gebrekenopname: ernst, intensiteit en omvang

Elk gebrek beoordeel je op drie aspecten. De combinatie levert via de tabel de conditiescore.

ErnstBetekenisVoorbeelden
ErnstigDirecte inbreuk op het functioneren: het element doet niet meer wat het moet doenCorrosie, houtrot, lekkage, constructieve scheur, verpoedering van een verflaag
SerieusIndirecte invloed op het functioneren, degradatieScheur in een binnenwand, verwering, loszittende vloer, beschadigde plafondplaten, verzanding van voegwerk
GeringGeen afbreuk aan het functioneren, alleen esthetischMos, vervuiling, graffiti
IntensiteitStadiumToelichting
1 (laag)BeginstadiumGebrek nauwelijks waarneembaar, oppervlakkig
2 (midden)Gevorderd stadiumGebrek duidelijk waarneembaar, in het oppervlak
3 (hoog)EindstadiumGebrek zeer duidelijk, onomkeerbaar, kan niet of nauwelijks toenemen
OmvangPercentage van het elementHet gebrek komt...
1minder dan 2%incidenteel voor
22% tot 10%plaatselijk voor
310% tot 30%regelmatig voor
430% tot 70%aanzienlijk voor
570% of meeralgemeen voor

De conditiebepalingstabel

Ernst / intensiteitOmvang 1Omvang 2Omvang 3Omvang 4Omvang 5
Gering / laag11112
Gering / midden11123
Gering / hoog11234
Serieus / laag11123
Serieus / midden11234
Serieus / hoog12345
Ernstig / laag11234
Ernstig / midden12345
Ernstig / hoog23456

Stappen: bepaal de ernst, bepaal de intensiteit, bepaal de omvang (als percentage van het hele element) en lees de score af in de tabel.

Rekenvoorbeelden uit de les

  • Omvang berekenen: een dak van 500 m2 met 50 m2 gebrek: 50 / 500 = 10%, dus omvang 3 (regelmatig).
  • Lekkage over ongeveer 15%: ernstig (lekkage is altijd ernstig), intensiteit hoog (altijd eindstadium), omvang 3. Conditiescore 4.
  • Verzanding van voegwerk over ongeveer 5%: serieus, intensiteit 2, omvang 2. Conditiescore 1.
  • Constructieve scheurvorming in metselwerk: 20 m1 op 2200 m2, dus minder dan 2%. Ernstig, hoog, omvang 1. Conditiescore 2.
  • Krijtvorming van schilderwerk op hout: 350 m2 op 350 m2 = 100%. Serieus, midden, omvang 5. Conditiescore 4.
  • Verzanden van voegwerk bij een monument: 650 m2 op 1300 m2 = 50%. Serieus, midden, omvang 4. Conditiescore 3.
Rekenvalkuil: de omvang is het percentage van het héle element, niet een absoluut aantal m2. En let op de grenzen: precies 10% hoort bij omvang 3 (10 tot 30%), 70% of meer bij omvang 5.

Gebreken per element: voorbeelden van prioriteit

ElementErnstigSerieusGering
BuitenwandDoorslaand vocht, constructieve scheurNiet-constructieve scheuren, afbrokkelen, verwering, verzanding van voegwerk, dilatatie niet intactMos en algen, graffiti, vuil en verkleuring
DakafwerkingLekkage, onvolledige dekking of breuk van pannen, losse naden bij bitumenAfschilferende pannen, blazen en plooien van bitumen, slecht afschot (water blijft staan)Mos en algen, vuil, plantengroei
Kozijnen en deurenLekkage, corrosie, houtrot, scheuren in kozijnen, afbladderende verf, kale delenAfbrokkelen, defect hang- en sluitwerk, ontbrekend kitwerk, verpoederen of blazen van verf, glansverliesMos en algen, vuil, verkleuring
VloerafwerkingLekkage, losse nadenScheuren, afschilferen, beschadigingVuil, aanslag, verkleuring

Vier onderhoudsstrategieën

  • In goede staat houden
  • In stand houden
  • Bruikbaar houden voor een beperkte termijn
  • Verbeteren

De dia noemt alleen deze vier namen, zonder omschrijving. Lees ze letterlijk: bij 'in goede staat houden' houd je het niveau hoog, bij 'in stand houden' blijft het gebouw functioneren, bij 'bruikbaar houden voor een beperkte termijn' doe je alleen wat nodig is voor een korte gebruiksperiode, en bij 'verbeteren' til je het niveau bij het onderhoud omhoog. De precieze omschrijving staat in Huisvestingsmanagement par. 11.3 (niet op deze site).

Welke strategie past, hangt af van termijn, budget, functie, beleving en risico's. De les oefent met vier casussen (de dia geeft de keuze niet, die moet je zelf beredeneren): een kringloopwinkel op een industrieterrein met lage marges die niet weet of hij over drie jaar nog bestaat, het hoofdkantoor van een bank met veel bezoekers en klanten en een regiofunctie voor de lange termijn, een basisschool die nog maximaal tien jaar wordt gebruikt, met beperkt budget van de gemeente en een tekort aan docenten, en een monumentaal theater met culturele waarde en beperkte subsidie.

Risico's die de prioriteit bepalen

  • Veiligheid en gezondheid
  • Gebruik en bedrijfsproces
  • Cultuurhistorische waarde
  • Duurzaamheid
  • Beleving en esthetiek
  • Technische vervolgschade
  • Toename van klachtenonderhoud

Een inspectiekaart in een MJOP koppelt het gebrek aan die risico's. Voorbeeld uit de les: vloerafwerking met plavuizen in een kleedruimte, ernst serieus, intensiteit 3, omvang 4, conditie 4; de risico's (vooral klachtenonderhoud en beleving) leveren een prioriteitsscore op en de maatregel 'vervangen' wordt in een bepaald jaar gepland.

Tentamentip: oefen de tabel tot je hem kunt gebruiken zonder te twijfelen over rijen en kolommen. Een meerkeuzevraag geeft je meestal ernst, intensiteit en de hoeveelheden; jij rekent het percentage uit en leest de score af.
📊

Van inspectie naar duurzaam MJOP (DMJOP)

Les 7.2
In het DMJOP gaan de inspectieresultaten over in maatregelen met moment en kosten, en combineer je onderhoud met verduurzaming op natuurlijke onderhoudsmomenten. De beoordeling draait om de onderbouwing, niet om de tabel.

In les 7.2 gaan de inspectieresultaten het MJOP in. Je bepaalt per element welke maatregel nodig is, wanneer en wat die kost, en je combineert onderhoud met verduurzaming. Zo ontstaat een duurzaam MJOP (DMJOP).

Welk onderhoud is nodig?

  • Maatregel: wat ga je doen om het gebrek te verhelpen, of welk onderhoud is in de toekomst nodig als er nu nog geen gebrek is?
  • Hoeveelheid: hoeveel van het element heeft onderhoud nodig (m2 vloer, aantal deuren)?
  • Kosten: eenheidsprijs maal hoeveelheid geeft de totale kosten.

Een MJOP-overzicht zet per element (codes en hoofdgroepen zoals gevels, daken, kozijnen, schilderwerk, installaties, terrein) de kosten per jaar uiteen, met een totaal per jaar, de btw en het totaal inclusief btw. Terugkerende posten (in het voorbeeld van de tennisvereniging jaarlijks € 360 voor daken) en grote pieken (in dat voorbeeld de posten 'diversen' en terreinafwerkingen) worden zo zichtbaar.

Waar haal je de kosten vandaan?

  • Een voorbeeldcasus (in de les een MJOP van een tennisvereniging)
  • Kengetallen per m2, per strekkende meter of per stuk
  • Online richtprijzen en consumentenwebsites, inclusief de kosten van arbeid
MaatregelMogelijke kostenbasis
Dakbedekking vervangenm2 dakoppervlak
Vloerafwerking vervangenm2 vloeroppervlak
Schilderwerk kozijnenm2 of strekkende meter
Deuren herstellenaantal deuren
Verlichting vervangenaantal armaturen
Goten reinigenstrekkende meter
Installatie vervangenrichtprijs per installatie
Sanitair vervangenaantal toiletten of kranen

Verduurzaming en het DMJOP

Achtergrond is het Klimaatakkoord van 2019: een energieneutrale gebouwde omgeving, in 2030 55% minder CO2-uitstoot en in 2050 klimaatneutraal. Voor kantoren geldt sinds 2023 minimaal energielabel C, op termijn label A.

Duurzaam MJOP (DMJOP)MJOP dat naast gewoon onderhoud ook duurzaamheid meeneemt: het pakt onderhoudsgebreken aan die energiegebruik en duurzaamheid negatief beïnvloeden, en het plant maatregelen zodat het gebouw ook in de toekomst aan de eisen voor energie en duurzaamheid voldoet.
OnderhoudsgebrekWaarom een duurzaamheidsprobleem?DMJOP-maatregel
Slecht sluitende ramen en deurenWarmteverlies, tocht, hoger energiegebruikKierdichting, herstel hang- en sluitwerk
Verouderde dakbedekking met lekkagesKans op schade aan isolatie en constructieDak tijdig herstellen of vervangen en isolatie meenemen
Vervuilde ventilatieroosters of filtersSlechter binnenklimaat en hoger energiegebruikPeriodiek reinigen en filters vervangen
OnderdeelNatuurlijk onderhoudsmomentDuurzame of circulaire kans
DakDakbedekking vervangenExtra isolatie, zonnepanelen, groen dak, waterberging
GevelGevelonderhoud of schilderwerkIsolatie verbeteren, kierdichting, hergebruik materialen
VerlichtingArmaturen aan einde levensduurLed, sensoren, daglichtregeling, demontabele armaturen
VerwarmingKetel of installatie aan einde levensduurWarmtepomp, warmtenet, lagetemperatuurverwarming
VentilatieInstallatieonderhoudVraaggestuurde ventilatie, warmteterugwinning
Drie principes voor het DMJOP: combineer onderhoud met verduurzaming (dakbedekking vervangen en meteen beter isoleren), herstel vóór vervangen (eerst levensduur verlengen), en kies bij echte vervanging aantoonbaar duurzamer (lage milieubelasting, biobased of gerecycled).

De Trias energetica en de Trias materia uit les 6.1 vormen de onderbouwing van die keuzes.

Circulair beheren

De les toont een raamwerk voor circulaire bestaande gebouwen met stromen en waarden. Stromen zijn energie, water, mobiliteit en materialen; daarvoor gelden vijf strategieën: behoud, reduceer de vraag, circulaire instroom, borg toekomstig hergebruik en benut de uitstroom. Waarden zijn maatschappij en cultuur, gezondheid en welzijn, en biodiversiteit en ecosystemen; daarvoor gelden vier strategieën: bescherm, versterk, verbind en waardeer.

Materialen volgens het raamwerk

  • 1. Behoud materiaalvoorraden
  • 2. Reduceer materiaalgebruik
  • 3. Pas circulaire materialen toe
  • 4. Faciliteer hoogwaardig hergebruik
  • 5. Benut vrijkomende materialen hoogwaardig

Hoe komt alles samen?

De les oefent met drie casussen waarin je strategie, termijn (kort 0 tot 2 jaar, middellang 3 tot 7 jaar, lang 8 tot 20 jaar) en duurzaamheid combineert:

CasusGebrekWat de organisatie wil
Gemeentehuis met publieke functie, nog twintig jaar in gebruikVersleten automatische schuifdeuren die nog werken maar regelmatig haperen; tocht bij de entreeToegankelijk, betrouwbaar en duurzaam overkomen
Sportvereniging met beperkt budget, draait vooral op vrijwilligersBeschadigde houten buitendeuren, bladderende verf, beginnende houtrot; de deuren sluiten nog goedEen gebouw dat vooral veilig, schoon en bruikbaar is
Buurthuis met maatschappelijke functieVerouderde verlichting die veel energie gebruikt; sommige armaturen doen het niet goed meerLaagdrempelig, betaalbaar en sociaal toegankelijk blijven

De dia geeft bij deze casussen alleen de vraag (welke strategie, op welke termijn, hoe neem je duurzaamheid mee), geen antwoord. Gebruik de drie principes hierboven en de tabellen met natuurlijke onderhoudsmomenten om zelf een onderbouwde keuze te maken.

Het MJOP-deel van het portfolio wordt niet beoordeeld op een mooie tabel maar op de onderbouwing: waarom deze strategie, waarom dit jaar, welke werkzaamheden je combineert en hoe je de kosten bepaalde.