TOETSING · FACBDK01 · 2026-2027

Facilitaire bedrijfskunde: toetsing en beoordeling

Facilitaire bedrijfskunde wordt op twee manieren getoetst: een casustoets met open vragen en een uitgewerkt 7S-model voor het praktijkproject van Business Management. Hieronder staat wat de bronnen over de vorm zeggen, hoe je een open casusvraag aanpakt en hoe je het 7S-model per S invult. Wat niet in de bronnen staat, zoals duur, aantal vragen, cesuur of een beoordelingsformulier, staat er bewust niet bij.

Dit is een uitleg in eigen woorden. Bij twijfel gelden de studiehandleiding en het beoordelingsformulier op Brightspace.
📝

Zo werkt de casustoets

Les 1.1 dia 10, ondernemingsrecht les 1 en 2, cursusinfo
OnderdeelWat de bronnen zeggen
VormCasustoets in ANS, met alleen open vragen
ApparaatBYOD: je neemt je eigen laptop mee
NiveausToepassen, onthouden en herkennen
Stof bedrijfskundeTen Berge en Oteman (2025), Inleiding organisatiekunde, 8e druk, hoofdstuk 1 t/m 8. Bij hoofdstuk 4 noemt de dia paragraaf 4.1, 4.2, 4.3 (t/m blz. 153) en 4.5 als tentamenstof
Stof rechtDe stof van de rechtlessen uit De Ruiter en Westra (2024): hoofdstuk 16 en 17 (les 1), hoofdstuk 20 par. 1 t/m 5, hoofdstuk 22 par. 1 t/m 4 en 7 t/m 8, en hoofdstuk 23 par. 1 t/m 4 (les 2)
Recht op de toetsOpen vragen over het onderdeel ondernemingsrecht
Hulpmiddel rechtJe mag de wettenbundel gebruiken. Markeren, onderstrepen en onbeschreven tabjes zijn toegestaan
VoorbereidingWeek 7 is tentamentraining. Na week 6 was het huiswerk: de gehele tentamenstof bestuderen en je vragen voorbereiden
Duur, aantal vragen, puntenverdeling, cesuur en datum staan niet in de bronnen. Kijk daarvoor op Brightspace of vraag het bij de tentamentraining.

Wat elk niveau van je vraagt

De dia noemt de niveaus, maar legt ze niet uit. Zo kun je ze lezen, met voorbeelden uit de oefentoetsen:

NiveauWat je laat zienVoorbeeldvraag
OnthoudenEen begrip of model correct weergeven: definitie, onderdelen, kenmerkenNoem de drie fasen van het IDU-model met per fase twee instrumenten.
HerkennenIn een casus aanwijzen welk begrip, type of model van toepassing is, met het casusfeit dat het laat zienWelke leiderschapsstijl en welk mensbeeld herken je bij de teamleider?
ToepassenEen model gebruiken om de casus te analyseren en tot een conclusie of advies te komenAdviseer de teamleider met Hersey en Blanchard hoe hij twee medewerkers moet aansturen.
✍️

Zo beantwoord je een open casusvraag

Afgeleid uit de oefenvragen en werkcolleges

Een open casusvraag levert punten op voor elk onderdeel dat de nakijker verwacht. Het patroon dat in alle modelantwoorden van deze site terugkomt:

  1. Begrip noemen: welk model, welke strategie, welk type? Gebruik de precieze vakterm (taakverrijking, niet 'meer verantwoordelijkheid').
  2. Uitleggen: wat houdt dat begrip in? Eén zin is genoeg, maar laat hem niet weg: daarmee laat je zien dat je het niet gokt.
  3. Koppelen aan de casus: welk feit uit de casus wijst hierop? Citeer of parafraseer het.
  4. Concluderen of adviseren als de vraag daarom vraagt: wat betekent dit voor de organisatie, wat moet er gebeuren?

Voorbeeld: zwak tegenover sterk antwoord

  • Vraag: welke concurrentiestrategie van Porter volgt het schoonmaakbedrijf?
  • Zwak: 'Kostenleiderschap.' Dat is herkennen zonder onderbouwing.
  • Sterk: 'Kostenleiderschap: concurrentievoordeel door de laagste kosten, gericht op de brede markt. Dat blijkt uit de casus: het bedrijf wint aanbestedingen met de laagste prijs, werkt met vaste roosters en een beperkt pakket, en bedient kantoren in heel Nederland. Risico: klanten kiezen alleen op prijs en stappen makkelijk over.'

Extra aanpak bij recht

  1. Benoem de rechtsvraag: gaat het om oprichting, organen, vertegenwoordiging of aansprakelijkheid?
  2. Noem de regel en zoek het artikel op in de wettenbundel.
  3. Pas de regel toe op de feiten: wie handelde, namens wie, was de organisatie ingeschreven, wat staat er in de statuten?
  4. Sluit af met een duidelijke conclusie: wie kan worden aangesproken, mag het wel of niet.

Veelgemaakte fouten

  • Alleen het begrip noemen zonder uitleg of casusfeit.
  • Begrippen verwisselen die op elkaar lijken: missie en visie, spanwijdte en spandiepte, taakverruiming en taakverrijking, differentiatie bij Porter en differentiatie in de bedrijfskolom, KSF en KPI.
  • Bij Handy maar één as noemen; noem altijd machtsspreiding én samenwerkingsgraad.
  • Denken dat inschrijving in het handelsregister een oprichtingseis is.
  • De samenhang vergeten: als de vraag naar een andere S vraagt, laat zien hoe de ene S de andere beïnvloedt.

Typen vragen die in de lessen terugkwamen

De quizvragen in de les en de oefenvragen recht geven een beeld van wat er gevraagd kan worden. Ze zijn meerkeuze, maar je kunt ze open oefenen:

  • Een voorbeeld indelen bij een model: welke groeistrategie, welke indeling (f, p, g, m), welk cultuurtype, welk soort proces?
  • Een begrip definiëren of een model opsommen: de cultuurniveaus van Schein, de configuraties van Mintzberg, de drie B's.
  • Een stelling beoordelen, bijvoorbeeld over efficiency en effectiviteit of over de strategische kloof.
  • Een rechtsvraag over een korte casus: wie is aansprakelijk, hoe richt je op, wie mag vertegenwoordigen.
🧩

Het uitgewerkte 7S-model voor het praktijkproject

Les 1.1 dia 10, opdrachtomschrijvingen en werkcolleges week 2 t/m 7

Het tweede toetsonderdeel is een uitgewerkt 7S-model van de opdrachtgever van je praktijkproject Business Management. In de werkcolleges werk je dat week voor week op: elke week pas je de theorie van één of twee S'en toe op je eigen opdrachtgever en maak je daarvan een poster of analyse. Samen vormen die de bouwstenen van het 7S-model.

Gebruik als bronnen steeds interviews, de website van de organisatie, jaarverslagen, beleidsdocumenten en eigen observaties. Onderbouw je analyses, maak visuals en sluit af met aanbevelingen voor de toekomst.
SWat je in het werkcollege uitwerktModellenKernvraag van het werkcollege
StrategyMissie, visie en strategische doelstellingen van de organisatie en de facilitaire afdeling; marktbeschrijving; vijf krachten met scores van 1 tot 5; strategische poster met adviesVijfkrachtenmodel, concurrentiestrategieën van Porter, Treacy en Wiersema, Ansoff, Kotler, blauwe en rode oceaanWat is de huidige strategie van de opdrachtgever en welke strategische keuzes adviseren wij voor de toekomst?
StructureVerkenning van de organisatie; tabel met afdelingen en taken; organogram met niveaus, afdelingen en staf; verticale en horizontale arbeidsverdelingArbeidsverdeling, organogram, spanwijdte en spandiepte, centralisatie, configuraties van MintzbergHoe is de arbeid binnen de organisatie verdeeld en hoe kan de structuur getypeerd worden?
SystemsDe organisatie als open systeem (input, throughput, output, feedback); één belangrijk proces in een ITO-schema; de keten proces A, jouw proces, proces B; twee recente artikelen over de invloed van systemen op een andere SOpen systeem, ITO-model, primaire, secundaire en bestuurlijke processenHoe hangen de processen samen en hoe beïnvloeden systemen de andere S'en?
StaffPersoneelsopbouw; instroom en onboarding; beloning en ontwikkeling; lerende organisatie en de drie B's; uitstroom; minimaal drie concrete aanbevelingenIDU-model, drie B's, arbeidsvoorwaarden, UlrichIn hoeverre beschikt de organisatie over het juiste personeel en hoe goed ondersteunt het personeelsbeleid de doelstellingen?
StyleLeiderschapsstijl; minstens twee situaties met situationeel leiderschap; een conflictvoorbeeld en de gebruikte conflictstijl; conclusie over motivatie samen met StaffAutocratisch, democratisch, participatief; Hersey en Blanchard; conflictstijlen; MaslowIn hoeverre ondersteunt de huidige stijl van leidinggeven het succesvol functioneren van de organisatie?
SkillsUnieke sleutelpositie en USP's ten opzichte van concurrenten en het effect op de skills; toegevoegde waarde per stakeholder; koppeling met de twaalf toegevoegde waarden van FM; kwaliteitssystemen; één BSC-item met een KSF en drie KPI'sUSP-check, twaalf toegevoegde waarden (Drion en van Sprang), kwaliteitssystemen, Balanced ScorecardLever een skillsanalyse van de organisatie aan.
Shared valuesMinstens vijf artefacten, de beleden waarden en (via de facility manager) de onderliggende waarden; typering volgens Handy met beide assen en de bijbehorende Mintzberg-typologie; typering volgens Hofstede en volgens Deal en KennedySchein, Harrison en Handy, Hofstede, Deal en KennedyLever een shared values- of cultuurscan van de organisatie aan.
Een beoordelingsformulier of rubric voor het 7S-model staat niet in de bronnen. Wat hierboven staat, zijn de opdrachten uit de werkcolleges. Check op Brightspace hoe het eindproduct wordt beoordeeld en wanneer het ingeleverd moet worden.
✅

Checklist voor je 7S-model

Opdrachtomschrijvingen werkcolleges
  • Elke S is uitgewerkt met de modellen uit het werkcollege van die week, niet alleen beschreven.
  • Elke bewering is onderbouwd met een bron: interview, website, jaarverslag, beleidsdocument of eigen observatie. Bij Skills en Shared values wordt verantwoording van bronnen expliciet gevraagd.
  • De facilitaire afdeling komt terug: bij Strategy de missie, visie en doelen van de facilitaire afdeling, bij Structure welke taken onder FM vallen, bij Systems welke waarde facilitaire processen toevoegen.
  • Er zijn visuals: posters met organogram, ITO-schema, Mintzberg-typering, strategische modellen.
  • Bij Strategy heb je de modellen vergeleken: geven ze hetzelfde beeld, versterken of spreken ze elkaar tegen?
  • De samenhang tussen de S'en is zichtbaar, bijvoorbeeld hoe systemen een andere S beïnvloeden en hoe Staff en Style samen de motivatie bepalen.
  • Elke S eindigt met aanbevelingen voor de toekomst; bij Staff minimaal drie concrete aanbevelingen.