SAMENVATTING · 11 onderdelen · ±50 min lezen

Facilitaire bedrijfskunde: studiesamenvatting

Dit vak geeft je de bedrijfskundige basis om als facility manager op tactisch niveau mee te denken over de hele organisatie. Het 7S-model van McKinsey is de kapstok: elke week komt één of twee S'en aan bod, met de modellen om ze te analyseren, en in de werkcolleges pas je die toe op je eigen opdrachtgever. De rode draad is samenhang: een organisatie werkt pas goed als strategie, structuur, systemen, personeel, stijl, vaardigheden en cultuur bij elkaar passen. Daarnaast leer je in twee rechtlessen welke rechtsvorm bij welke situatie past en wie er aansprakelijk is. Het tentamen bestaat uit open casusvragen: je moet een model kennen, herkennen in een casus en toepassen.

Waar dit op gebaseerd is: De dia's van les 1.1 t/m 6.2, de werkcolleges 2.1 t/m 7.1, de twee lessen ondernemingsrecht, de oefeningen, de opdrachtomschrijvingen en de cursusinformatie op Brightspace, stand 7 oktober 2026.
Wat er (nog) niet in zit: De studieboeken (Ten Berge & Oteman, Inleiding organisatiekunde, H1 t/m 8, en De Ruiter & Westra voor recht) hebben we niet: boekstof is alleen gedekt voor zover die in de dia's en de toelichting erbij staat. Ook de tentamentraining van week 7, tabel 16.1 en figuur 16.1 uit het rechtboek en de antwoorden op een deel van de oefenvragen recht staan niet in de bronnen.
🏛️

Inleiding: organisatie, organisatiekunde en het 7S-model

Les 1.1

Facility management staat niet los van de rest van de organisatie. Een FM'er moet begrijpen hoe een organisatie in elkaar zit, waar ze naartoe wil en hoe de facilitaire afdeling daaraan bijdraagt. Bedrijfskunde is daarbij de integratie van vakgebieden, zoals ook in de eerste rechtles wordt benadrukt.

OrganisatieEen doelgericht samenwerkingsverband dat blijvend is.
KenmerkWat het betekentVoorbeeld uit de les
SamenwerkingsvormMensen moeten zo goed mogelijk samenwerken; samen bereik je meer dan alleen. Dat heet het synergie-effect: het resultaat van het geheel is groter dan de optelsom van individuele prestaties.Een autofabriek
DoelgerichtEen organisatie is altijd opgericht met een bepaald doel; de neuzen staan dezelfde kant op.Commercieel: winst. Ziekenhuis: mensen behandelen. HAN: mensen opleiden tot professional.
ContinuïteitDe leden willen de organisatie laten voortbestaan; een onderneming blijft investeren. Een organisatie kan worden opgeheven als het doel definitief bereikt is.Het lokale organisatiecomité van de Olympische Spelen

Organisatie, bedrijf en onderneming

BegripOmschrijving
OrganisatieDoelgericht samenwerkingsverband dat blijvend is. De breedste categorie.
BedrijfOrganisatie die goederen en/of diensten voortbrengt om die op een afzetmarkt te verkopen.
OndernemingBedrijf dat altijd gericht is op het maken van winst (profit).
De drie passen in elkaar als dozen: elke onderneming is een bedrijf, elk bedrijf is een organisatie, maar niet andersom.

Vier stromingen in de organisatiekunde

Het denken over organiseren heeft zich in vier stromingen ontwikkeld. Elke stroming is een reactie op het probleem van de vorige.

StromingPeriodeKernFocusProbleem
Industriële revolutie1760-1830De stoommachine maakt productie op grote schaal mogelijk, fabrieken ontstaan. De mens is vooral een onderdeel van het proces.Zo veel mogelijk producerenWeinig aandacht voor de mens, productiviteitsprobleem en behoefte aan structuur
Scientific Management1900-1935Reactie op inefficiëntie in fabrieken. Lopende band (Henry Ford), alles meetbaar en gestandaardiseerd, taakverdeling, tijdstudies, instructie en training.Maximale efficiëntieMensen worden te mechanisch benaderd, werk wordt onaantrekkelijk en dat demotiveert
Human Relations-benadering1935-1955Reactie op de te technische aanpak. Aandacht voor motivatie en samenwerking; sociale relaties bepalen mede de prestaties; werknemers zijn meer dan uitvoerders. X- en Y-theorie van McGregor.Het individuTe veel aandacht voor het individu, te weinig voor structuur, de organisatie als geheel en de omgeving
Systeemtheorie1955-2000Brede kijk als antwoord op alles ervoor. De organisatie als samenhangend geheel; interne én externe factoren tellen mee (denk aan FM Trendwatcher).Balans tussen mens, structuur en omgevingNiet genoemd in de dia's
Rode draad: eerst machines en productie, daarna efficiëntie en regels, daarna mens en motivatie, uiteindelijk het geheel (het systeem).
Leer bij elke stroming waarop hij een reactie is. Een vraag als 'waarom ontstond de Human Relations-benadering?' beantwoord je met het probleem van Scientific Management: mensen werden te mechanisch benaderd en raakten gedemotiveerd.

Het economisch kringloopmodel

Organisaties opereren in een economische omgeving. Het kringloopmodel laat zien hoe geld en goederen rondgaan tussen vier groepen, met daarnaast import en export.

GroepRol in de kringloop
Consumenten (huishoudens)Leveren arbeid als productiefactor, ontvangen inkomen, geven geld uit aan goederen en diensten en sparen.
Producenten (bedrijven)Maken en verkopen goederen en diensten, betalen loon en belastingen, sparen bij banken en ontvangen investeringen.
BankenNemen spaargeld aan, lenen aan consumenten en investeren in producenten; zo blijft geld stromen.
OverheidOntvangt belastingen, besteedt aan bijvoorbeeld zorg, onderwijs en infrastructuur (collectieve bestedingen) en herverdeelt via uitkeringen en subsidies.

Andere belangrijke stakeholders zijn toeleveranciers, werkgeversorganisaties, vakbonden en concurrenten.

Het 7S-model van McKinsey

Hoe organisaties zijn ingericht om goed te presteren binnen die economische omgeving, bekijk je in dit vak met het 7S-model. Door de zeven aspecten in kaart te brengen en te analyseren, met oog voor hun samenhang, begrijp je beter hoe een organisatie functioneert en hoe ze kan verbeteren. De lijnen in het model zijn net zo belangrijk als de bolletjes: verandert één S, dan heeft dat meestal gevolgen voor andere S'en.

SWaar het over gaatWeek
StrategyDe koers en doelen van de organisatie in relatie tot haar omgeving1
StructureDe verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden en de coördinatie2
SystemsDe systemen en processen waarmee het werk wordt gedaan2
StaffDe personeelsfunctie: aantrekken, ontwikkelen en behouden van medewerkers4
StyleDe stijl van de organisatie, vooral de stijl van leidinggeven4
SkillsDe competenties en sleutelvaardigheden van de organisatie, toegevoegde waarde en kwaliteit6
Shared valuesGedeelde waarden en cultuur: het centrale fundament dat alle andere S'en verbindt6
Bij een casusvraag over het 7S-model wordt vaak naar samenhang gevraagd. Noem dan niet alleen de S, maar ook welke andere S daardoor verandert en hoe. Voorbeeld: kiest een organisatie voor een nieuwe markt (strategy), dan zijn er misschien andere vaardigheden (skills) en ander personeel (staff) nodig.
🧭

Strategy: van missie tot strategische keuze

Les 1.2, werkcollege 2.1
StrategieVan het Griekse strategos (veldheer). Strategie is stuurmanskunst: om te kunnen sturen heb je doelen nodig. Strategisch management gaat over hoe de organisatiedoelen worden bereikt en op welke uitgedachte manier.

Leerdoel van deze week: je kunt de strategie van een organisatie beschrijven en uitleggen hoe organisaties hun doelen en koers bepalen in relatie tot hun omgeving.

Planning

Planning is nu beslissen wat er in de toekomst moet gebeuren. Je kunt planning indelen naar niveau (onderneming, afdeling, product), tijdshorizon (kort, middellang, lang), mate van detail (strategisch, tactisch, operationeel) en functioneel gebied (huisvesting, catering, schoonmaak).

NiveauTermijnWieVoorbeeld binnen FM
Strategisch (richten)LangDirectieVerduurzaming van gebouwen of de vastgoedportefeuille
Tactisch (inrichten)MiddellangMT en teamleidersEen schoonmaakcontract voor 5 jaar afsluiten
Operationeel (verrichten)KortTeamsDe menu's in een ziekenhuis bepalen

Een strategie bestaat uit meerdere tactische plannen; de tactiek is een detailuitwerking van de strategie.

Effectiviteit en efficiencyTwee naast elkaar staande begrippen. Effectiviteit gaat over doelgerichtheid: bereik je je doel? Efficiency gaat over hoe zuinig je daarbij met middelen omgaat. Efficiency is dus geen synoniem voor doelgerichtheid (een vraag uit de quiz).

Het strategieproces

Een ondernemingsplanning bestaat uit drie fasen: strategieontwikkeling (met analyses, diagnoses en prognoses), planontwikkeling (uitwerken van de gekozen strategische opties) en uitvoering, controle en bijsturing. In stappen:

  1. Missie, visie en ondernemingsdoelstellingen formuleren: dat geeft focus aan de analyse.
  2. Situatieanalyse van de micro-, meso- en macro-omgeving.
  3. SWOT-analyse met confrontatiematrix.
  4. Diagnose en prognose: hoe groot is de strategische kloof?
  5. Strategievorming: opties om de kloof te overbruggen en een keuze daaruit.
  6. Uitwerking van de gekozen strategische optie.
  7. Uitvoering, controle en bijsturing.

Missie, visie, kernwaarden en strategie

BegripVraagToelichting en voorbeeld
MissieWaarom bestaan we?Het brede doel van de organisatie, haar waarden en haar plaats in de wereld: de primaire en permanente opdracht. Coca-Cola: het verfrissen van de wereld.
VisieWat willen we zijn?Een ambitieus, gedeeld beeld van de toekomst op lange termijn. Voorbeeld uit de dia: 'het creëren van een beter dagelijks leven voor zoveel mogelijk mensen'.
KernwaardenWaar geloven we in?De waarden en normen van de organisatie.
StrategieWat moeten we doen?De aanpak, uitgewerkt in doelstellingen en scenario's.
Missie en visie worden vaak verwisseld. Missie: waarom we bestaan, nu en blijvend. Visie: hoe we de toekomst zien en wat we willen worden. De docent geeft aan dat literatuur dit verschillend benadert, dus geef in je antwoord altijd je definitie erbij.

Situatieanalyse: micro, meso en macro

Je gebruikt de situatieanalyse niet alleen om te beschrijven wat er speelt, maar vooral om keuzes te onderbouwen: inzicht krijgen, kansen en bedreigingen zien, en een strategische richting bepalen.

NiveauWat onderzoek jeHulpmiddelUitkomst
Micro (de organisatie zelf)Sterktes en zwaktes: kwaliteit van personeel, financiële positie, product of dienst, marketing, processen, inkoop, productie, productportfolio. Het liefst vergeleken met concurrenten.BCG-modelStrengths en weaknesses
Meso (directe omgeving)Partijen waarmee de organisatie direct contact heeft en die invloed uitoefenen: afnemers, concurrenten, leveranciers, maar ook vermogensverschaffers, media, lokale overheden en publieke opinie.Vijfkrachtenmodel van PorterPositie in de markt; deels kansen en bedreigingen
Macro (indirecte omgeving)Grote trends en ontwikkelingen waarop de organisatie weinig invloed heeft.DESTEPOpportunities en threats

Het BCG-model (micro)

Het BCG-model (Boston Consulting Group) brengt de productportfolio in kaart op twee criteria: het relatieve marktaandeel en de groei van de markt.

KwadrantMarktaandeelMarktgroeiBetekenisVoorbeeld Mars
StarHoogHoogBelangrijke sterkte met groeipotentieel, vraagt nog investeringenM&M's
Cash cowHoogLaagZeer winstgevend, stabiele inkomstenstroomSnickers
Question markLaagHoogOnzeker: kan een succes worden of mislukkenBE-KIND
DogLaagLaagLevert weinig op, meestal een zwakteBalisto

Veel cash cows en stars wijzen op een sterke interne positie, veel dogs op inefficiëntie en slechte keuzes. Het model helpt ook bij beslissingen: investeren in kansrijke producten, winstgevende onderdelen behouden en zwakke afstoten.

Het vijfkrachtenmodel van Porter (meso)

  • Rivaliteit tussen bestaande concurrenten: hoe hevig concurreren bedrijven op prijs, reclame en innovatie?
  • Dreiging van nieuwe toetreders: hoe makkelijk kunnen nieuwe bedrijven de markt op (investeringen, vergunningen, kennis, certificeringen)?
  • Onderhandelingsmacht van afnemers: hoeveel keuze hebben klanten en hoe makkelijk stappen ze over?
  • Onderhandelingsmacht van leveranciers: hoeveel leveranciers zijn er en hoe afhankelijk ben je?
  • Dreiging van substituten: zijn er alternatieven die hetzelfde probleem oplossen, zoals thee in plaats van koffie?

In het werkcollege geef je elke kracht een score van 1 (zwak) tot 5 (sterk) met een onderbouwing.

DESTEP (macro)

FactorVoorbeelden uit de dia's
DemografischLeeftijdsopbouw, groei en omvang, grootte van huishoudens, urbanisatie, vergrijzing
EconomischConjunctuur (bijvoorbeeld het bnp), koopkracht, import en export, werkloosheid, grondstofprijzen, loonniveau
Sociaal-cultureelLevensstijl, vrijetijdsbesteding, opleidingsniveau, tweeverdieners, individualisering, thuiswerken
TechnologischInformatievoorziening zoals internet, nieuwe producten, adoptie van technologie
EcologischKlimaat, weer, milieutechnologie, zorg voor het landschap, energiegebruik
Politiek-juridischWetgeving, mate van overheidsingrijpen in de economie, politieke invloeden

SWOT-analyse en confrontatiematrix

Je brengt alles samen: de micro-analyse levert sterktes en zwaktes, de macro- en deels de meso-analyse levert kansen en bedreigingen. In de confrontatiematrix zet je kansen en bedreigingen af tegen sterktes en zwaktes. De SWOT staat vaak centraal als doelstellingen niet meer gehaald worden en de strategie moet veranderen.

Voorbeeld uit de les: SWOT van een hotel

  • Sterktes: goede locatie, sterke reputatie en online reviews, professioneel en gastvrij personeel, extra services zoals wellness.
  • Zwaktes: hoge operationele kosten, afhankelijkheid van seizoenstoerisme, verouderde technologie, lage bezetting buiten piekperiodes.
  • Kansen: groei van toerisme en zakelijke reizen, samenwerking met reisorganisaties, duurzame initiatieven, vraag naar wellness.
  • Bedreigingen: concurrentie van andere hotels en platforms zoals Airbnb, recessies, stijgende energie- en personeelskosten, negatieve reviews.

Diagnose, prognose en de strategische kloof

De prognose laat zien hoe omzet, winst of marge zich ontwikkelt bij ongewijzigd beleid. Daartegenover staat de gewenste ontwikkeling bij gewijzigd beleid. Het verschil is de strategische kloof. Ontwikkelt de winst zich naar wens, dan hoeft het beleid niet te veranderen. Is de kloof te groot, dan ontwikkelt de organisatie een strategie om hem te dichten.

Kritische kanttekening uit de les: een bedachte strategie (intended strategy) loopt in de praktijk vaak anders, omdat de omgeving verandert en er een gewijzigde strategie ontstaat (emerging strategy). Critici zeggen daarom dat er weinig te plannen valt.

Strategievorming: vijf modellen

Een analyse is pas waardevol als ze leidt tot keuzes. Je kent vijf modellen en past ze in het werkcollege toe op je opdrachtgever.

1. Concurrentiestrategieën van Porter: gericht op iets beter doen dan de concurrent, het concurrentievoordeel. Twee keuzes: lage kosten of differentiatie, op de brede markt of een smal segment.

StrategieConcurrentievoordeelBereikVoorbeeld uit de les
KostenleiderschapLage kostenBreedAldi; easyJet die staanplaatsen onderzoekt om tarieven laag te houden
DifferentiatieOnderscheidend aanbodBreedAH Excellent
KostenfocusLage kostenSmal segmentEen lokale hengelsportwinkel
DifferentiatiefocusOnderscheidend aanbodSmal segmentFerrari

2. Groeistrategieën van Ansoff: combinaties van huidige of nieuwe producten op huidige of nieuwe markten. Het percentage is het gemiddelde slagingspercentage volgens de dia.

StrategieProductMarktSlagingskansVoorbeeld uit de les
MarktpenetratieHuidigHuidig50%McDonald's met upselling en acties; klanten van concurrenten winnen of het product vaker laten gebruiken
ProductontwikkelingNieuwHuidig33%Mora met een nieuwe snack
MarktontwikkelingHuidigNieuw20%Amerikaanse snoepfabrikanten die de Europese markt veroveren
DiversificatieNieuwNieuw5%FrieslandCampina met eiwitrijke sportvoeding; een sigarettenfabrikant die een parfumlijn gaat voeren

Diversificatie kan gerelateerd zijn, binnen de eigen bedrijfskolom (verticaal achterwaarts, verticaal voorwaarts of horizontaal), of ongerelateerd, ver buiten de eigen bedrijfskolom (ATAG koopt Batavus). Naast de vier groeirichtingen kan een onderneming ook kiezen om zich terug te trekken of haar huidige positie te verdedigen.

De bedrijfskolom is de keten van oerproducent tot consument, bijvoorbeeld druiventeler, wijnmaker, bottelaar, groothandel, slijterij, consument. Integratie is groei door overname van schakels; differentiatie in de bedrijfskolom is je richten op de kernactiviteiten door voorwaarts of achterwaarts activiteiten af te stoten.

3. Marktposities van Kotler

MarktpositieKenmerkenStrategieënVoorbeelden
MarktleiderGrootste marktaandeel, bepaalt trends en standaardenMarktvergroting, marktaandeel verdedigen (innovatie, scherpe prijzen), marktaandeel uitbreiden (nieuwe markten, overnames)Volkswagen, Toyota
MarktuitdagerNummer twee of drie, wil marktaandeel van de leider afsnoepen met innovatie, prijs of marketingFrontale aanval, flankaanval (zwakke plekken van de leider), omsingeling (veel kleine aanvallen)Tesla, BYD
MarktvolgerTevreden met de positie, volgt innovaties van leiders en uitdagers met minder risico en lagere R&D-kostenVervalser, kloner, imitator, aanpasserKia, Dacia
NichespelerRicht zich op een specifieke doelgroep of behoefte die grote bedrijven laten liggen; wordt daarin de expertDoelgroep-, product- of kwaliteit-prijsspecialisatieFerrari, Porsche

4. Waardestrategieën van Treacy en Wiersema: over toegevoegde waarde en onderscheidend vermogen. Een organisatie kiest welke van de drie dominant is.

WaardestrategieKernKenmerken
Operational excellence (best performance)De kernactiviteiten zo goed en goedkoop mogelijk uitvoeren door optimaal ingerichte interne processenHoge betrouwbaarheid, beperkt assortiment, lage kosten
Product leadership (best product)Constant het product verbeteren (R&D)Technologische innovatie, superieur merkimago, snelle ontwikkeling (time-to-market)
Customer intimacy (best service)De relatie met de klant staat centraal (klantenpartnerschap)Hoge klanttevredenheid, optimale dienstverlening, integratie met klantsystemen

5. Blauwe en rode oceaan (Chan Kim en Mauborgne). In de rode oceaan concurreren bedrijven in een bestaande markt binnen dezelfde grenzen om hetzelfde segment; dat is volgens de les onvoldoende om langdurig succesvol te zijn. In de blauwe oceaan creëer je een nieuwe markt of een segment zonder concurrentie en trek je nieuwe vraag aan, bijvoorbeeld door innovatie die kosten verlaagt.

Zo pas je een strategiemodel toe op een casus: noem het model en de strategie, leg in één zin uit wat die strategie inhoudt, en wijs het feit in de casus aan waaruit dat blijkt. Zonder casusfeit heb je alleen herkend, niet toegepast.
Twee klassieke verwarringen. Differentiatie bij Porter (je onderscheiden van concurrenten) is iets anders dan differentiatie in de bedrijfskolom (activiteiten afstoten). En de concurrentiestrategieën van Porter zijn een keuze, het vijfkrachtenmodel van Porter is een analyse van de meso-omgeving.
🏗️

Structure: arbeidsverdeling, organogram en Mintzberg

Les 2.2, werkcollege 3.1, oefening BEEHAPPY
OrganisatiestructuurLaat zien hoe binnen de organisatie de functies zijn verdeeld, wie welke bevoegdheden en verantwoordelijkheden heeft en hoe de coördinatie plaatsvindt.
  • Verdeling van functies en taken (arbeidsverdeling).
  • Verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
  • Wijze van coördinatie en communicatie.

Waarom een FM'er dit moet weten: de facilitaire afdeling is zelf onderdeel van de structuur. De facility manager moet weten welke taken bij FM horen en welke bij bijvoorbeeld ICT of HR, welke beslissingen FM zelfstandig mag nemen en wanneer goedkeuring nodig is, en via welke lijnen meldingen, aanvragen en storingen lopen.

Structure follows strategy

Bij de inrichting van een organisatie houd je altijd rekening met waarom iets moet gebeuren: de strategie. Structuur is een middel om de doelen te bereiken. Ze ontstaat uit de afstemming tussen organisatie en omgeving (externe invloeden) en moet passen bij de interne omgeving: medewerkers, machines en hulpmiddelen (interne invloeden).

Motieven voor arbeidsverdeling

MotiefBetekenisVoorbeeld Waalboog (ouderenzorg)
BestuursmotiefDe organisatie moet bestuurbaar blijvenTeamleiders en coördinatoren onder de facilitair manager: behapbaar maken om aan te sturen
KostenmotiefDe organisatiewijze moet betaalbaar zijn en blijvenAfdelingen samenvoegen, bijvoorbeeld gastvrouw en receptie
Sociaal of gedragskundig motiefMogelijkheden tot ontplooiing; het werk moet aantrekkelijk blijvenMedewerkers interne zaken met meerdere taken en doorgroeimogelijkheden
Maatschappelijk motiefRekening houden met normen, waarden en wetten in de maatschappijRegels uit de Arbowet
Alle vier de motieven spelen altijd een rol, nooit maar één. De keuze voor een structuur is een afweging tussen bestuurbaarheid, kosten, de mens en de maatschappij.

Verticale en horizontale arbeidsverdeling

Verticaal: werk verdelen van boven naar beneden, over hiërarchische niveaus (vertegenwoordiger boven juniorvertegenwoordiger). Begrippen: hiërarchie, delegeren, centralisatie, decentralisatie, empowerment, platte en steile organisaties. Weinig verticale arbeidsverdeling betekent een platte organisatie.

Horizontaal: werk verdelen van links naar rechts op hetzelfde niveau (een juniorvertegenwoordiger voor Audi en Porsche naast een voor Volkswagen). Binnen horizontale verdeling onderscheid je interne differentiatie en interne specialisatie.

IndelingGroeperen naarSoortVoorbeeld
F-indelingFunctie: werk dat naar zijn aard bij elkaar of bij een deelproces hoortInterne differentiatieInkoop, productie, marketing, personeel, financiën
P-indelingProduct of productgroep: verschillende disciplines samen voor één productInterne specialisatieUnilever: Foods, Home and Personal Care; huid- en gezichtsverzorging
G-indelingGeografisch gebiedInterne specialisatieAzië, Europa, Amerika
M-indelingMarkt of afnemersgroepInterne specialisatieBEEHAPPY: afdeling profit en afdeling non-profit

Grote organisaties combineren indelingen. Voorbeeld uit de les: een raad van bestuur met divisies (wasmiddelen, cosmetica, reinigingsproducten), daaronder een g-indeling (Azië, Europa, Amerika), daaronder een p-indeling (huid- en gezichtsverzorging) en daaronder een f-indeling (inkoop tot en met financiën).

Werkstructurering: taken verdelen om motivatie te behouden

Afkomstig uit de gedragskundige stroming (Herzberg): hoe houd je medewerkers gemotiveerd in eentonig werk?

VormWat er gebeurtNiveau van de taak
TaakverruimingEr komt een taak bij (taak A wordt A en B)Zelfde niveau
TaakroulatieMedewerkers nemen op gezette tijden elkaars taken overZelfde niveau, wisselend
TaakverrijkingDe taak wordt aangevuld met werk van een hoger niveau (A wordt A+)Hoger niveau

Organogram, spanwijdte en spandiepte

Een organogram geeft de opbouw van de structuur in hoofdlijnen weer: welke afdelingen welke taken hebben, hoe de gezagsopbouw is, welke afdelingen ondersteunend zijn en hoe de onderlinge relaties liggen. Je tekent functies en afdelingen, geen individuen.

BegripBetekenisVoorbeeld
Spanwijdte (span of control)Aantal medewerkers dat direct onder één leidinggevende valtEen directeur met hoofd inkoop, hoofd productie en hoofd verkoop heeft een spanwijdte van 3; een filiaalleider met twintig medewerkers een van 20
Spandiepte (depth of control)Alle lagen en medewerkers die onder een leidinggevende vallenDe directeur: de drie hoofden plus alle medewerkers onder hen

Lijn en staf

BegripBetekenis
LijnVerticale en horizontale verdeling van leidende en uitvoerende taken over functionarissen op verschillende niveaus. Hier vinden het primaire proces en de besturing ervan plaats.
StafStaat ten dienste van de lijn en heeft alleen adviesbevoegdheid (ondersteunende processen), zoals juridische zaken, personeelszaken, een business controller of beleidsadviseur.
Functionele stafUitzondering: een staf die op haar vakgebied dwingende aanwijzingen mag geven zonder gezagsverhouding. Dat heet een functionele relatie.
LijnorganisatieAlleen lijn: directeur, afdelingen, uitvoerenden.
Lijn-staforganisatieLijnorganisatie met adviserende stafafdelingen naast de directie, bijvoorbeeld HRM.
MatrixorganisatieCombinatie van een lijn- en een projectorganisatie.

Voorbeeld uit de les: Servicebedrijf Radboud

Onder de directeur van het servicebedrijf staan als staf een managementassistent, een business controller en een beleidsadviseur. In de lijn staan een adviesgroep en vier productgroepen, zoals inkoop en supply chain, logistiek en services, en vastgoed en infrastructuur.

Centralisatie of decentralisatie

Meer centralisatie alsMeer decentralisatie als
De omgeving stabiel isHet bedrijf complex is
Lagere managers minder ervaren zijn in beslissenLagere managers ervaren zijn in beslissen
Lagere managers geen stem willenLagere managers een stem willen
De beslissingen erg belangrijk zijnDe beslissingen relatief onbelangrijk zijn
Het bedrijf in een crisis zitDe bedrijfscultuur open is en inspraak aanmoedigt
Het bedrijf groot isHet bedrijf geografisch gespreid is
Uitvoering afhangt van vastberadenheid van managersUitvoering afhangt van flexibiliteit van managers

Uit de quiz: een mechanistische organisatie kent eerder centralisatie dan decentralisatie. De organieke en de personele structuur zijn onderdeel van de formele structuur.

De configuraties van Mintzberg

De configuraties van Mintzberg zijn verschillende manieren om de interne structuur van een organisatie in te richten, elk met een eigen structuur, machtsverdeling en manier van samenwerken. Ze zijn opgebouwd uit vijf basisonderdelen:

BasisonderdeelWat het is
Strategische topDe directie, die de koers bepaalt
MiddenkaderDe leidinggevenden tussen de top en de uitvoering
Uitvoerende (operationele) kernDe mensen die het primaire werk doen
TechnostructuurStaf die het werk voorbereidt en standaardiseert, zoals planning, training en control
Ondersteunende stafOndersteunende diensten, zoals secretariaat en boekhouding
ConfiguratieDominant onderdeelCoördinatieKenmerkenVoorbeeld
Eenvoudige structuur (ondernemersorganisatie)Strategische topDirect toezichtEén of twee ondernemers met alle touwtjes in handen, klantgericht, familiecultuurWinkel om de hoek, eenmanszaak
MachinebureaucratieTechnostructuurStandaardisatie van werkprocessenStabiele omgeving, piramide, gecentraliseerd, veel regels en procedures, managementfilter, politieke spelletjes; vaak oud en grootMcDonald's
Professionele bureaucratieOperationele kern (zelfstandig)Standaardisatie van vaardighedenGedecentraliseerd, hoogopgeleide professionals, uitgebreide ondersteunende staf, netwerkgedrag; valkuil is hokjesdenkenAdvocaten, notarissen, medici, onderwijs
DivisiestructuurMiddenkader (units of divisies)Sturing op resultaatHolding met business units met eigen budgetten en directies, haat-liefdeverhouding tussen holding en divisiesAKZO, Unilever, Philips
Adhocratie (innovatieorganisatie)Operationele kern, die bestaat uit wat elders ondersteunend is (R&D, marketing)Onderlinge afstemmingCreatief, zelfsturende professionals, vaak project- of matrixstructuur, selectief gedecentraliseerdReclamebureaus, projectontwikkelaars, Apple

Uitgewerkte oefening BEEHAPPY B.V.

  • Casus: 16 personen; directie Marcel en Annemarie; twee hbo'ers als hoofd van een afdeling profit en een afdeling non-profit, elk met 5 parttime studenten; een secretaresse en een boekhouder ter ondersteuning.
  • Indeling: m-indeling, naar markt (profit en non-profit).
  • Staffuncties: boekhouder en secretaresse (administratie).
  • Spandiepte: maar één laag diep; staffuncties tellen niet mee als hiërarchische laag.
  • Afdelingshoofd krijgt deels directietaken: taakverrijking, want er komt een taak van een hoger niveau bij.
  • Basisonderdelen: strategische top is de directie, middenkader ontbreekt, uitvoerende kern zijn de afdelingshoofden en studenten, technostructuur ontbreekt, ondersteunende staf zijn secretaresse en boekhouder.
  • Configuratie: eenvoudige structuur of ondernemersorganisatie (klein, simpele structuur, weinig personeel).
  • Coördinatiemechanisme: direct toezicht, want de organisatie is overzichtelijk genoeg om de touwtjes zelf in handen te houden.
Een Mintzberg-vraag beantwoord je volledig met vier punten: de configuratie, het dominante onderdeel, het coördinatiemechanisme en het casusfeit dat het onderbouwt. Alleen de naam van de configuratie noemen is herkennen, geen toepassen.
Veelgemaakte fouten: staffuncties meetellen bij de spandiepte, spanwijdte en spandiepte omdraaien, en taakverruiming (zelfde niveau) verwarren met taakverrijking (hoger niveau).
🔄

Systems: systemen, waardeketen en processen

Les 2.2 deel II, werkcollege 4.1
SysteemEen coherent geheel van elementen dat als één geheel fungeert. Twee kerneigenschappen: de elementen zijn wederkerig van elkaar afhankelijk, en het geheel is meer dan de som van de delen.
Een systeem bestaat uit processen, en een proces bestaat uit activiteiten. Deze volgorde kwam als quizvraag terug.

Systemen binnen FM (voorbeelden uit de les)

  • Facilitair inkoop- en leveringssysteem: behoeftebepaling, aanvraag, leveranciersselectie, bestellen, levering ontvangen en factuurafhandeling hangen van elkaar af en zorgen samen voor structuur, controle en continuïteit.
  • Ruimte- en werkplekbeheersysteem: ruimteplanning, reserveringen, bezettingsregistratie en aanpassingen van werkplekken beïnvloeden elkaar; samen zorgen ze voor optimaal gebruik van de ruimte.

Een organisatie is zelf een systeem met verschillende deelsystemen: inkoop, productie, verkoop en service lopen als het ware horizontaal, en facility management en personeelsmanagement lopen er dwars doorheen omdat ze alle andere ondersteunen.

Systeemdenken en het open systeem

Systeemdenken betekent dat je de organisatie ziet als een open systeem: een geheel van verbonden onderdelen dat voortdurend in wisselwerking staat met de omgeving. Je kijkt niet naar losse afdelingen, maar naar hoe ze samen waarde creëren en hoe een verandering in één deel doorwerkt in de rest.

Onderdeel open systeemVraagVoorbeelden uit het werkcollege
InputWat ontvangt de organisatie uit haar omgeving?Klanten of cliënten, medewerkers, informatie, materialen, geld, leveranciers
ThroughputWelke activiteiten vinden binnen de organisatie plaats?De processen van de organisatie
OutputWat levert de organisatie op?Producten, diensten, resultaten
FeedbackHoe weet de organisatie of ze succesvol is?Klanttevredenheid, klachten, audits, KPI's, financiële resultaten

Uit de quiz: alle medewerkers boven de 55 bij een bank in kaart brengen voor leeftijdsbewust personeelsbeleid is een voorbeeld van een aspectsysteem: je bekijkt de organisatie vanuit één aspect.

De waardeketen van Porter

LaagActiviteiten
Primaire activiteitenIngaande logistiek, productie (operaties), uitgaande logistiek, marketing en verkoop, service
Ondersteunende activiteitenInfrastructuur, human resources management, technologische ontwikkeling, inkoop

Facility management valt onder infrastructuur, een van de ondersteunende activiteiten: gebouwen en huisvesting, onderhoud van installaties, energie, werkplekinrichting, schoonmaak, veiligheid en ruimtebeheer. Toch werkt FM door in de primaire activiteiten:

Primaire activiteitInvloed van FM
Ingaande logistiekLaad- en losfaciliteiten en opslagruimte bepalen snelheid en efficiëntie van goederenstromen
OperatiesWerkplekinrichting, klimaat, licht en ergonomie hebben direct effect op productiviteit en kwaliteit
Uitgaande logistiekMagazijnindeling en transportfaciliteiten beïnvloeden levertijden
Marketing en verkoopRepresentatieve gebouwen en ontvangstruimtes beïnvloeden hoe klanten de organisatie zien
FM zit formeel in de ondersteunende laag, maar werkt in de praktijk als systeemversneller: het beïnvloedt hoe goed alle andere activiteiten in de waardeketen werken.

Processen en het ITO-model

ProcesEen gestructureerde verzameling activiteiten binnen een systeem, die plaatsvinden in een logische en samenhangende volgorde. Een proces zet input om in output. Een andere naam voor een flowchart is stroomdiagram.
ITOWatVoorbeeld inkoopproces (Van Weele)
InputMiddelen en voorwaarden die nodig zijn: mensen (kennis, vaardigheden), middelen (geld, materialen, faciliteiten, technologie), informatie en voorwaarden (beleid, cultuur, structuur)Inkopers en gebruikers, budget en ICT-systemen, specificaties en marktinformatie, inkoopbeleid en wetgeving
ThroughputDe activiteiten waarin input wordt omgezet in outputBehoeftebepaling, specificeren, leveranciers selecteren, contracteren, bestellen en leveren, factureren en betalen, evalueren en relatiemanagement
OutputProducten of diensten, resultaten en waarde voor klanten en belanghebbendenTijdige beschikbaarheid van de juiste goederen en diensten, kostenbesparing, leverbetrouwbaarheid

Drie soorten processen

SoortFunctiePlaats in de waardeketen
Bestuurlijke processenSturing (doel bepalen) en beheersing: richting geven, controleren, verbeterenStaan niet als aparte laag in het model, vallen vooral onder infrastructuur (strategisch management, planning en control)
Primaire processenDragen direct bij aan de totstandkoming van het product of de dienstPrimaire activiteiten
Secundaire (ondersteunende) processenOndersteunen het primaire proces zodat dat goed kan werkenOndersteunende activiteiten

Primair of secundair hangt af van de organisatie

Het beveiligen van gebouwen is voor een beveiligingsbedrijf een primair proces: dat is wat het levert. Voor de HAN is beveiliging een secundair proces, want het primaire proces daar is onderwijs. Kijk dus altijd eerst naar het product of de dienst van de organisatie in de casus.

Processen beschrijven, besturen en verbeteren

  • Beschrijven: in kaart brengen hoe een proces werkt: stappen, betrokken personen, middelen, input en output.
  • Besturen: het proces beheersen en monitoren: verloopt het volgens afspraak en worden de resultaten gehaald?
  • Verbeteren: op basis van evaluaties, analyses en feedback verbeterpunten vaststellen en doorvoeren. Dit komt terug in het bedrijfsproject.
In het werkcollege moest je laten zien hoe Systems een andere S beïnvloedt. Denk aan dat soort koppelingen op het tentamen: een nieuw meldingensysteem verandert bijvoorbeeld de benodigde vaardigheden (skills) en de manier van werken van medewerkers (staff). Laat bij een ITO-vraag ook altijd zien welke processen input leveren aan jouw proces en welke de output ontvangen.
👥

Staff: personeelsbeleid en HRM

Les 4.2 deel 1, werkcollege 5.1
StaffDe personeelsfunctie in het 7S-model: het aantrekken, ontwikkelen, inzetten en behouden van medewerkers. Het gaat niet om het aantal medewerkers, maar om het hele domein van human resource management (HRM): instroom, doorstroom en uitstroom.

Personeel is een kritische succesfactor: kennis, vaardigheden en motivatie van medewerkers hebben direct invloed op prestaties en concurrentiekracht. Volgens de toelichting bij de dia kunnen organisaties die hun HRM-werkwijzen substantieel verbeteren hun marktwaarde met wel 30% verhogen.

Waarom Staff steeds belangrijker wordt

  • Menselijk kapitaal als onderscheid: vroeger onderscheidden organisaties zich met kapitaal en machines, nu met kennis, creativiteit en probleemoplossend vermogen van mensen.
  • Impact van goed HRM: hogere productiviteit, meer betrokkenheid en minder verloop; tevreden medewerkers hangen samen met tevreden klanten.
  • Risico's van slecht personeelsbeleid: kennisverlies, hoge wervingskosten en een slechte reputatie op de arbeidsmarkt.
Externe ontwikkelingGevolg voor HRM
DemografischVergrijzing en hogere levensverwachting: langer doorwerken en minder instroom van jong talent
TechnologischDigitalisering en automatisering veranderen functies en vragen om bij- en omscholing
Sociaal-cultureelNieuwe werkwaarden: flexibiliteit, werk-privébalans, meer vrouwen in leidinggevende functies, individualisme
Krappe arbeidsmarktVraag naar personeel groter dan aanbod: creativiteit nodig in werven en behouden

De drie B's

BDoelVoorbeelden van maatregelen
BindenMedewerkers aantrekken en een eerste verbondenheid creërenSterk werkgeversmerk, aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden
BoeienBetrokkenheid en motivatie behoudenInteressant werk, ontwikkelmogelijkheden, goed leiderschap
BehoudenOngewenst verloop voorkomenVervangen is duur en kost kennis en ervaring; dus investeren in behoud van ervaren medewerkers

De drie B's lopen in elkaar over. Een organisatie kan goed zijn in binden maar slecht in behouden; daarom beoordeel je ze apart.

Personeelsbeleid en personeelsbeheer

Personeelsbeleid: strategisch en extern gericht. Kijkt vooruit naar markt- en technologische ontwikkelingen. Voorbeeld: een installatiebedrijf dat medewerkers tijdig omschoolt voor zonne-energie en warmtepompen.

Personeelsbeheer: operationeel en intern gericht. Vertaalt het beleid naar dagelijkse activiteiten, zoals trainingen, beoordelingsgesprekken en personeelsplanning.

Samen vormen ze HRM. Sluiten beleid en uitvoering niet op elkaar aan, dan worden strategische doelen niet gehaald.

HRM-model van Ulrich: vier rollen van HR

Operationele focusStrategische focus
MensenEmployee champion: focus op behoeften en zorg voor medewerkers, coaching, persoonlijke ontwikkeling, effectieve teamsChange agent: organisatieontwikkeling, managen van verandering en cultuurveranderingstrajecten
ProcessenAdministratieve expert: HR-infrastructuur (systemen, processen, procedures), beheersen van administratieve processen zoals ziekteverzuimStrategische partner: HR-activiteiten afstemmen op de organisatiedoelen, strategisch HRM, performanceverbetering

Vraag bij een analyse: is HR vooral administratief bezig, of wordt het ingezet als strategische partner? Dat zegt veel over hoe volwassen de S van Staff is.

Het IDU-model

FaseOnderdelenToelichting uit de les
InstroomWerving, selectie, aanstellingIntern werven stimuleert doorgroei en bespaart kosten, maar geeft weinig nieuw talent en soms jaloezie. Extern werven via vacatures, sociale media, referral recruitment of headhunters, vooral voor hogere functies. Selectiecriteria combineren IQ (cognitief) en EQ (sociaal en emotioneel). Daarna onboarding: introduceren, socialiseren en inwerken.
DoorstroomBeloning, beoordeling, loopbaanontwikkeling, competentiemanagementBeloning via primaire, secundaire en tertiaire arbeidsvoorwaarden, steeds vaker ook variabel. Beoordelings- en functioneringsgesprekken. Loopbaanontwikkeling biedt perspectief. Competentiemanagement laat vaardigheden aansluiten op functie-eisen en stimuleert een lerende organisatie.
UitstroomVrijwillig en gedwongen vertrekVrijwillig, bijvoorbeeld een nieuwe baan of pensioen; gedwongen op initiatief van werkgever of werknemer, met verschillende juridische vormen. Exitgesprekken geven inzicht in redenen van vertrek.
ArbeidsvoorwaardeBetekenisVoorbeeld
PrimairHet basisloonSalaris
SecundairVoorzieningen die per onderneming of in de cao zijn vastgesteldAfspraken uit de cao van de organisatie
TertiairVoorzieningen voor speciale categorieën personeelAuto van de zaak

Bij beoordelingsgesprekken kan de feedback op drie manieren: eendimensionaal (feedback van één leidinggevende of de werkgever), 180 graden (de medewerker geeft zelf ook zijn mening over zijn functioneren) of 360 graden (twee of meer personen geven hun mening over het functioneren).

Samenhang met andere S'en

  • Strategy: missies besteden steeds meer aandacht aan ontwikkeling van werknemers en een prettig werkklimaat; de strategie bepaalt het carrièreperspectief.
  • Systems: werknemers krijgen steeds meer te zeggen over de keuze van systemen.
  • Structure: de structuur beïnvloedt werving en selectie (steile organisaties werven meer specialisten) en beloning (de top verdient meer dan de operatie).
  • Shared values: de beloningsstructuur hangt samen met de cultuur; een zakelijke cultuur beloont eerder op prestatie.
  • Skills: de benodigde kennis en vaardigheden moet je niet alleen werven, maar ook behouden.
Bij een casusvraag over Staff: ordenen met het IDU-model (in welke fase zit het probleem?) en beoordelen met de drie B's (lukt binden, boeien, behouden?). Koppel elke maatregel die je voorstelt aan een concreet casusfeit, zoals hoog verloop of het ontbreken van onboarding.
🎯

Style: leiderschap, conflict, besluitvorming en motivatie

Les 4.2 deel 2, werkcollege 6.1
StyleDe stijl die een organisatie in brede zin hanteert, maar vooral de stijl van leidinggeven. Leiderschap draait om de mate waarin een leidinggevende medewerkers probeert te inspireren en te betrekken bij besluitvorming en uitvoering.

Klassieke leiderschapsstijlen en McGregor

StijlKenmerkenMensbeeld
AutocratischStrikt top-down; sturen met opdrachten en aanwijzingen; gehoorzaamheid beloond, afwijking bestraftX-theorie
DemocratischBeslissingen gezamenlijk op basis van gelijkwaardigheid; komt vaak voor in non-profit; risico op lange processen en besluiteloosheidY-theorie
ParticipatiefModern, gericht op commitment; de leider inspireert, laat meedenken en voorkomt spanningenY-theorie

X-theorie (negatief mensbeeld): mensen werken niet graag uit zichzelf, zijn lui en ontlopen verantwoordelijkheid. Gevolg: strikte controle, directe aansturing en straf en beloning.

Y-theorie (positief mensbeeld): werken is een natuurlijke behoefte, mensen willen verantwoordelijkheid en zijn creatief. Persoonlijke groei en erkenning motiveren. Past bij participatief leiderschap.

Contingentiebenadering: de situatie bepaalt

De effectiviteit van leiderschap wordt in hoge mate bepaald door de omstandigheden, zoals de bedrijfscultuur, het karakter en opleidingsniveau van medewerkers, de taakeisen en externe invloeden. Er is niet één beste stijl. Drie modellen:

Situationeel leiderschap (Hersey en Blanchard): de leider past zijn stijl aan op de taakvolwassenheid van de medewerker (competentie en motivatie) voor een specifieke taak, van M1 (laag) tot M4 (hoog).

StijlSturingOndersteuningWanneer
S1 InstruerenVeelWeinigOnervaren medewerker (M1)
S2 Overtuigen (begeleiden, coachen)VeelVeelMedewerker die nog leert (M2)
S3 Overleggen (ondersteunen)WeinigVeelCompetente medewerker die vertrouwen of motivatie mist (M3)
S4 DelegerenWeinigWeinigCompetente en gemotiveerde medewerker (M4)

Kort: hoe zelfstandiger en bekwamer de medewerker, hoe minder sturing. Let op: in het schema op de dia heten S2 en S3 overtuigen en overleggen, in de toelichting begeleiden en ondersteunen.

Contingentietheorie van Fiedler: een leider heeft een vrij vaste stijl, taakgericht of relatiegericht. Of die werkt, hangt af van de situatie, bepaald door drie factoren: de relatie tussen leider en groep (goed of slecht), de taakstructuur (hoog of laag, routine of ongestructureerd) en de machtspositie van de leider (sterk of zwak).

Situationele controleVoorbeeldBeste stijl
Zeer gunstigGoede relatie, gestructureerde taak, sterke positieTaakgericht
TusseninGemengde situatiesRelatiegericht
Zeer ongunstigSlechte relatie, ongestructureerde taak, zwakke positieTaakgericht

Managerial Grid (Blake en Mouton): stijlen op twee assen, zorg voor de taak en zorg voor mensen, elk van 1 tot 9.

PositieNaamKenmerk
1.1Verschraald managementMinimale inspanning voor werk en mensen; de manager is nagenoeg onzichtbaar
1.9CountryclubmanagementVeel aandacht voor mensen en sfeer, ten koste van de productie
5.5MiddenwegAcceptabel evenwicht tussen presteren en moraal
9.1Autoritair managementMaximale focus op efficiëntie en resultaat; mensen zijn storende factoren
9.9Teamgericht managementSterke betrokkenheid bij gezamenlijke doelen: hoge productie en uitstekende relaties

Conflicthantering

Hoe een organisatie omgaat met meningsverschillen en hoe ze tot besluiten komt, hoort bij Style. Een manager besteedt volgens de dia gemiddeld 20% tot 30% van zijn tijd aan conflicthantering.

InterventieVormWat er gebeurt
Direct (bestaand conflict oplossen)MachtsgreepIemand die hiërarchisch boven de partijen staat, beslist
DirectArbitrageEen persoon of commissie doet een uitspraak
DirectMediationEen onafhankelijk persoon van buiten de organisatie helpt de partijen zelf tot een oplossing te komen
Indirect (conflicten voorkomen)Onduidelijkheden wegnemenTaken en bevoegdheden beter omschrijven, duidelijker aangeven hoe je je gedraagt
ConflictstijlNadruk eigen belangNadruk belang anderGevolg
VermijdenLaagLaagHet conflict blijft latent aanwezig
DominerenHoogLaagHarde opstelling, eigen oplossing voorop
ToegevenLaagHoogDe ander gelijk geven omdat je de ander belangrijk vindt
SamenwerkenHoogHoogWin-win; in het algemeen het meest effectief

Besluitvorming

  1. Probleemdefinitie: een nauwkeurige, objectieve beschrijving en scherpe afbakening van het probleem.
  2. Mogelijke oplossingen: systematisch meerdere alternatieven bedenken.
  3. Keuze: alternatieven afwegen en een definitief besluit nemen.

Dit is rationele besluitvorming, op basis van onderzoek. Bij niet-rationele besluitvorming wordt beslist op gevoel en intuïtie.

Motivatie

Tevredenheid is niet hetzelfde als productiviteit. De stijl van leidinggeven moet aansluiten bij wat medewerkers echt motiveert. Verschillende theoretici benadrukken een eigen drijfveer:

TheoreticusBelangrijkste drijfveer
AdlerMacht
WhiteBevrediging van nieuwsgierigheid
SchachterGenegenheid en sociale erkenning
McClellandGeldingsdrang en prestatiebehoefte

Maslow brengt deze samen in de behoeftepiramide. Mensen vervullen eerst hun basisbehoeften voordat ze zich op hogere richten. Van onder naar boven:

  1. Fysiologische behoeften: eten, drinken, slapen.
  2. Veiligheid: zekerheid, bescherming, stabiliteit.
  3. Sociale behoeften: vriendschap, erbij horen.
  4. Waardering: erkenning, respect, zelfvertrouwen.
  5. Zelfontplooiing: talenten ontwikkelen en je potentieel bereiken.

Samenhang met andere S'en

  • Staff: medewerkers zijn de doorslaggevende factor in het bedrijfsproces, en er is een sterke relatie tussen hun functioneren en de aansturing.
  • Structure: komt samen in het linking-pinmodel van Likert: de leidinggevende is de verbindende schakel tussen zijn eigen afdeling en de laag erboven, bottom-up en top-down.
  • Shared values: de stijl van leidinggeven heeft grote impact op de cultuur.
Bij een casusvraag over leiderschap noem je eerst wat je ziet (wie beslist, hoeveel vrijheid krijgen medewerkers), dan de stijl en het mensbeeld, en dan of die stijl past bij de situatie. Met Hersey en Blanchard onderbouw je dat met de taakvolwassenheid van de medewerkers in de casus: een nieuwe kracht vraagt om instrueren, een ervaren en gemotiveerde kracht om delegeren.
🛠️

Skills: sleutelvaardigheden, toegevoegde waarde en kwaliteit

Les 6.2 deel I, werkcollege 7.1
SkillsDe kennis, vaardigheden en houding, samen competenties genoemd, waarover de organisatie moet beschikken en blijven beschikken om nu en straks succesvol te zijn. Daarmee breng je toegevoegde waarde tot stand, in de eerste plaats voor afnemers: het product of de dienst in de gewenste kwaliteit.

Competenties die in elk geval genoemd worden: mondeling en schriftelijk communiceren, luisteren, presenteren, flexibel opstellen, onderzoekend vermogen, plannen en organiseren.

Skills gaat over de vaardigheid van de organisatie als geheel om toegevoegde waarde te leveren, niet over één medewerker. Het gaat vooral om de kerncompetenties of sleutelvaardigheden: waarin onderscheidt de organisatie zich, wat is haar unieke sleutelpositie?

Het kernproces kan bij twee organisaties hetzelfde zijn, terwijl de toegevoegde waarde (strategie) sterk verschilt, en daarmee de benodigde skills. In de les: vergelijk Albert Heijn met Lidl, of het CWZ, het Radboudumc en de Maartenskliniek.

Toegevoegde waarde

De toegevoegde waarde, en dus de kwaliteit, betreft niet alleen het eindproduct maar ook alle handelingen ervoor en eromheen: de kwaliteit van de leiderschapsstijl, de structuur, de processen, het personeelsmanagement. Je onderscheidt je van de concurrent met unique selling points (USP's).

Overlap in de USP-checkBetekenis
Wat de doelgroep wil + sterk punt van jouw organisatieKrachtige USP
Wat de doelgroep wil + sterk punt van jou én van de concurrentUSP toetsen: is het wel onderscheidend?
Wat de doelgroep wil + sterk punt van de concurrentProtectie: hier moet je je tegen beschermen
Sterk punt van jou en de concurrent, maar de doelgroep wil het nietVermijden
VraagAntwoord uit de les
Waarom toegevoegde waarde?Voor de continuïteit van de organisatie en om winst of kosten in de hand te houden
Voor wie?Interne en externe klanten en overige stakeholders, zoals financiers, distributieketen, brancheorganisaties, vakbonden, media en omwonenden
Hoofddashboardmeters voor een FM'erKlanttevredenheid, serviceniveau (kwaliteit) en kosten

Om het verschil tussen een dienst leveren en de impact ervan uit te leggen, gebruikt het Basisboek FM de golden circle van Sinek: begin met waarom (welk probleem los je op voor je opdrachtgever), dan hoe, dan wat. In het waarom zit de meerwaarde.

Twaalf toegevoegde waarden van FM (Drion en van Sprang)

Toegevoegde waardeVoorbeeld uit de figuur
Tevredenheid verhogenGastvrijheidsconcept, comfortabele werkomgeving, prettig binnenklimaat
Productiviteit ondersteunen of verhogenSlimme locatiekeuze, functies die samenwerken bij elkaar, ergonomisch meubilair
Kosten beheersen of verlagenScherpe m²-normering, energiebesparing, flexibele werkplekken, efficiënte inkoop
Risico's beheersenBeveiliging, bedrijfshulpverlening, Arbomaatregelen, verzekeringen
Maatschappelijk verantwoorde bedrijfsvoeringBijdragen aan de SDG's, goede arbeidsomstandigheden, scholing van facilitaire medewerkers
DuurzaamheidDuurzaam inkopen, lager energieverbruik, afvalscheiding
Imago ondersteunenUitstraling van gebouw en werkomgeving, kwaliteit van voorzieningen
Cultuur ondersteunenCultuurwaarden vertalen naar lay-out en inrichting, positief gedrag stimuleren (nudging)
Flexibiliteit vergrotenFlexibele wanden, uitbesteding, flexibele contracten
Innovatie en creativiteit ondersteunenInteractie tussen gebruikers stimuleren, ruimtes die creativiteit stimuleren
VitaliteitHealing environment en healthy office: planten, kleur, gezonde voeding, beweging
WaardestijgingToekomstwaarde van het gebouw door planmatig onderhoud en renovatie

Kwaliteit

Technische kwaliteit: de traditionele, bedrijfseconomische betekenis: degelijk, duurzaam en betrouwbaar.

Relatieve kwaliteit: verwachtingenmanagement: aansluiten bij de wensen van de klant en rekening houden met het aanbod van concurrenten.

Total Quality Management (TQM)Integrale kwaliteitszorg: alle activiteiten en beslissingen die tot doel hebben de na te streven productkwaliteit vast te stellen, te bereiken en te behouden, en de methoden en middelen daarvoor. De hele keten is zo sterk als de zwakste schakel.
  • Iedereen heeft een verantwoordelijkheid richting de uiteindelijke klant.
  • Kwaliteitszorg werkt preventief (voorwaarts) en curatief (terugwaarts).
  • In de hele keten, van verkoop tot inkoop, op elkaar afgestemd.
  • Geborgd: verankerd in de manier van denken en werken.
Traditionele kwaliteitszorgTotale kwaliteitszorg
Controleer op kwaliteitPlan voor kwaliteit
Kwaliteit is de verantwoordelijkheid van de kwaliteitsafdelingKwaliteit is de verantwoordelijkheid van iedereen
Sommige fouten zijn onvermijdelijkStreef naar nul fouten (zero defects)
Kwaliteit betekent inspectieKwaliteit betekent voldoen aan de normen
Kwaliteit betreft de tactiekKwaliteit betreft de strategie

PDCA-cyclus van Deming

FaseWat je doet
PlanDoel bepalen, het probleem en de oorzaken vaststellen, een plan van aanpak met SMART-doelen maken
DoDe acties uitvoeren, vaak eerst op kleine schaal als pilot
CheckResultaten meten en vergelijken met de doelen: is de verbetering gerealiseerd?
ActBijsturen als het resultaat achterblijft, of de nieuwe werkwijze tot standaard maken; daarna begint de cyclus opnieuw
Het verbeterproces is oneindig en continu: na Act begin je weer bij Plan.

INK-managementmodel

Het INK-model (Instituut Nederlandse Kwaliteit) is een integraal model voor evaluatie, ontwikkeling en sturing van profit- en non-profitorganisaties. Het is recent gemoderniseerd tot INK.next. Het model is een Rijnlands model: het zoekt de balans tussen de belangen van alle belanghebbenden.

DeelOnderdelenVraag
Vijf organisatiegebieden (intern)Leiderschap, medewerkers, strategie en beleid, middelen, processenWat doen we en hoe doen we het?
Vier resultaatgebieden (extern)Waardering door medewerkers, waardering door klanten en leveranciers, waardering door de maatschappij, eindresultatenWat levert het op?
Verbeteren en vernieuwenLeren en veranderen in de organisatieHoe worden we beter?

De kracht van het model: integrale benadering, verbinding tussen resultaat- en organisatiegebieden, verbinding tussen organisatie en belanghebbenden, en balans tussen verankeren en vernieuwen.

Balanced Scorecard, KSF en KPI

De Balanced Scorecard (BSC) helpt strategische doelstellingen te formuleren en te vertalen naar alle lagen. De top stelt een topcard vast; afdelingen leiden daar hun eigen doelen van af. Organisaties die hun doelen evenwichtig verdelen over financiën, processen en personeel, klant en markt én innovatie, presteren volgens de toelichting over een lange periode excellent; innovatie is vaak het ondergeschoven kindje.

PerspectiefInformatie overVoorbeeld KSF en KPI uit de les
KlantProfiel van de klant, hoe hij de organisatie ziet, loyaliteitKSF snelheid; KPI tijd van bestelling tot aflevering, streefwaarde bijvoorbeeld vier dagen
ProcessenEffectiviteit en efficiëntie van de interne processenKSF productiekwaliteit; KPI kosten per eenheid product
Innovatie (leren en groeien)Het innoverend en lerend vermogen; kan de organisatie in de toekomst de concurrentie aan?KSF time-to-market; KPI tijd om een productconcept te testen
FinancieelHet geldelijke resultaat: omzet, winst, cashflow, liquiditeit, beurskoersKSF groei; KPI marktaandeel
KSFKritische succesfactor: een doelstelling of doorslaggevend succesgebied. WAT: welke factoren of activiteiten zijn essentieel om je doel te bereiken?
KPIKey performance indicator (prestatie-indicator): de meetbare waarde, vaak een getal of percentage. HOEVEEL: het meetinstrument dat laat zien of je op koers ligt voor die KSF.

In de scorecard worden KPI's vergeleken met streefwaarden; de verkeerslichtmethode (rood, oranje, groen) laat zien hoe een afdeling ervoor staat. Een strategy map laat zien hoe doelen in de perspectieven op elkaar ingrijpen.

Kwaliteitssystemen

  • ISO: International Standardization Organisation (NEN-ISO).
  • EFQM: European Foundation for Quality Management.
  • Kaizen: Japanse filosofie waarin kwaliteit het continue referentiekader is: continu verbeteren via teamwork, discipline, arbeidsmoraal, betrokkenheid van iedereen en kwaliteitscirkels.
Bij een KSF/KPI-vraag maak je de KPI echt meetbaar: een eenheid of percentage en liefst een streefwaarde. 'Tevreden klanten' is een KSF of doel, geen KPI. 'Gemiddeld klanttevredenheidscijfer van de schoonmaak, gemeten per kwartaal, minimaal een vastgestelde score' is wel een KPI.
🤝

Shared values: cultuur en cultuurverandering

Les 6.2 deel II, werkcollege 7.1
Shared valuesGedeelde of gemeenschappelijke waarden: overtuigingen, normen en drijfveren die door een groep, organisatie of samenleving worden gedeeld. In een organisatie de kernwaarden, de visie en het DNA: de vaak ongeschreven regels over hoe collega's met elkaar omgaan en hoe er gehandeld wordt.
In het 7S-model staan shared values in het midden: het centrale fundament (de cultuur) dat alle andere onderdelen, zoals strategie, structuur en personeel, verbindt en stuurt.

Let op bij de quizstelling dat het gemeenschappelijke van een cultuur 'op papier staat geëxpliciteerd': volgens de dia gaat het bij shared values juist om de vaak ongeschreven regels en overtuigingen.

Cultuurniveaus volgens Schein

NiveauWat het isVoorbeeldenTe veranderen
ArtefactenZichtbare uitingenKledingstijl, omgangsvormen, taalgebruik, deur open of dicht, inrichting van het kantoor, vaste plekken in het restaurant, symbolen, slogans, rituelen, ceremoniesMakkelijk
Beleden waardenWat de organisatie uitdraagtResultaatgericht, vertrouwen, integriteit, flexibiliteit, klantgerichtMiddel
Onderliggende waardenBasisveronderstellingen die in de aard der dingen zitten, vaak bepaald door de oprichtersIs de mens goed of slecht? Hoe gaan we om met macht en waardering? Zijn we gericht op verleden, heden of toekomst? Proactief of afwachtend? Homogeen of divers?Moeilijk

Cultuurtypering volgens Harrison en Handy

Handy typeert cultuur op twee assen: machtsspreiding (hoe de macht over de organisatie verdeeld is) en samenwerkingsgraad (hoeveel er wordt samengewerkt). De vier typen zijn gekoppeld aan de configuraties van Mintzberg.

CultuurtypeMachtsspreidingSamenwerkingsgraadKenmerkenMintzberg
RolcultuurLaagLaagIedereen houdt zich aan zijn rol in de formele organisatie; veel regels en procedures; de functie bepaalt wat iemand kan, niet de persoonMachineorganisatie
PersonencultuurHoogLaagDe manager werkt mee in de uitvoering; maatschappen van vrije beroepenProfessionele organisatie
MachtscultuurLaagHoogGoede samenwerking, maar de top bepaalt waaraan; weinig behoefte aan regelsOndernemersorganisatie
TaakcultuurHoogHoogZelfstandige professionals werken samen aan complexe taken; vaak platte, innovatieve organisaties zoals reclame- en ingenieursbureausInnovatieve organisatie

Factoren die volgens Handy de cultuur bepalen: de omgeving, de medewerkers, de aard van de leiding en de geschiedenis, de omvang, de beschikbare hulpmiddelen en kennis, en de doelstelling.

Quizvragen uit de les (antwoord afgeleid uit het model)

  • UMC Utrecht met specialisten, lage samenwerkingsgraad en hoge machtsspreiding: personencultuur.
  • De machtscultuur vind je vooral in kleinere bedrijven met een directeur-eigenaar.
  • De assen machtsspreiding en samenwerkingsgraad horen bij Handy, niet bij Hofstede of Schein.

Hofstede

Hofstede ziet cultuur als de collectieve mentale programmering die de ene groep van de andere onderscheidt. In het ui-diagram zitten de lagen symbolen, helden en rituelen (de praktijken) om de kern van waarden heen.

CultuurdimensieVanTot
MachtsafstandKleinGroot
IndividualismeIndividualistischCollectivistisch
MasculiniteitMasculienFeminien
OnzekerheidsvermijdingLaagHoog
TijdsoriëntatieKortetermijngerichtLangetermijngericht

In de toelichting worden vier dimensies genoemd die per land, regio of organisatie verschillen (de eerste vier); de illustratie toont er vijf. Hofstede typeert landsculturen op machtsafstand en onzekerheidsvermijding:

TypeMachtsafstandOnzekerheidsvermijdingVoorbeeldlanden uit de figuur
DorpsmarktKleinKleinNederland, Denemarken, Zweden, VK, VS
FamilieGrootKleinSingapore, Hongkong, India, Indonesië
Goed geoliede machineKleinGrootDuitsland, Zwitserland, Finland, Oostenrijk
PiramideGrootGrootFrankrijk, België, Japan, Spanje, Italië

Voor organisaties gebruikt Hofstede zes tegenstellingen: procesgericht tegenover resultaatgericht, mensgericht tegenover werkgericht, organisatieclub tegenover vak, open tegenover gesloten, los tegenover strak en regels tegenover klanten.

Deal en Kennedy

Centraal staan het risico dat de bedrijfsvoering meebrengt en de snelheid waarmee de organisatie feedback krijgt over de kwaliteit van haar aanbod.

Veel risicoWeinig risico
Snelle feedbackMachocultuur: grote investeringen, snel weten of het geld oplevert. Bijvoorbeeld voetbalclubs, filmproducentenHard-werken-en-spelencultuur: het werk moet plezier geven, klantgericht, fouten worden snel gecorrigeerd. Bijvoorbeeld handel en hotels
Langzame feedbackAlles-op-een-kaartcultuur: grote investeringen en veel techniek, het duurt lang voordat ze terugverdiend zijn. Bijvoorbeeld vliegtuig- en oliemaatschappijenProcedurecultuur: regels, procedures en punctualiteit staan centraal. Bijvoorbeeld ministeries, verzekeraars, banken

Cultuurverandering

  • Cultuurverandering is een verandering van waarden en normen, niet alleen van rituelen en symbolen.
  • De noodzaak tot veranderen moet gevoeld worden.
  • Je start met een situatieanalyse: wat is de huidige en wat is de gewenste cultuur?
  • Het is een langdurig proces: omgaan met weerstand, de fasen in het veranderingsproces van Kotter en cultuurvaststelling en -verandering volgens Cameron en Quinn.

Cameron en Quinn onderscheiden vier cultuurtypen op de assen flexibiliteit tegenover stabiliteit en intern tegenover extern: familie, adhocratie, markt en hiërarchie. In een diagram zet je de heersende cultuur (nu) af tegen de gewenste cultuur.

Bij een cultuurvraag in een casus: noem per Schein-niveau minstens één concreet casusvoorbeeld (een uniform is een artefact, een slogan op de website een beleden waarde). Bij Handy benoem je beide assen expliciet (machtsspreiding hoog of laag, samenwerkingsgraad hoog of laag) en daarna pas het type. En vergeet niet dat het werkcollege ook de koppeling met Mintzberg vraagt.
🔗

Het 7S-model in samenhang

Les 1.1, 2.2, 4.2, 6.2

De kracht van het 7S-model zit in de verbindingslijnen. Op het tentamen en in het praktijkproject wordt verwacht dat je laat zien hoe de S'en elkaar beïnvloeden. Dit zijn de verbanden die in de dia's expliciet genoemd worden:

VerbandWat de dia's zeggen
Strategy en StructureStructure follows strategy: de inrichting volgt uit wat de organisatie wil bereiken.
Strategy en SkillsHet kernproces kan gelijk zijn, maar de toegevoegde waarde (strategie) bepaalt welke skills nodig zijn.
Staff en StrategyMissies besteden aandacht aan ontwikkeling van werknemers; de strategie bepaalt het carrièreperspectief.
Staff en StructureSteile organisaties werven meer specialisten; de positie in de structuur bepaalt mede de beloning.
Staff en SystemsWerknemers krijgen steeds meer te zeggen over de keuze van systemen.
Staff en Shared valuesDe beloningsstructuur hangt samen met de cultuur; een zakelijke cultuur beloont op prestatie.
Staff en SkillsKennis en vaardigheden moet je werven én behouden.
Style en StaffSterke relatie tussen het functioneren van medewerkers en de stijl van leidinggeven.
Style en StructureLinking-pinmodel van Likert: de leidinggevende verbindt zijn afdeling met de laag erboven.
Style en Shared valuesDe stijl van leidinggeven heeft grote impact op de cultuur.
Staff en Shared valuesDe samenstelling van het personeel bepaalt mede de cultuur, bijvoorbeeld veel hoogopgeleiden op een hogeschool.
Shared values en StructureDe cultuurtypen van Handy zijn gekoppeld aan de configuraties van Mintzberg.
Systems en de andere S'enIn het werkcollege onderzoek je hoe een verandering in systemen een andere S raakt.
Gebruik bij een samenhangvraag dit patroon: S1 verandert (casusfeit), daardoor moet S2 mee veranderen (welk model, welk gevolg), en als dat niet gebeurt ontstaat er dit probleem. Dat laat zien dat je de lijnen in het model begrijpt.
⚖️

Ondernemingsrecht les 1: algemene aspecten en de eenmanszaak

Ondernemingsrecht les 1 (week 3)

Leerdoel: je kunt de algemene regels van het ondernemingsrecht op hoofdlijnen toepassen (rechtspersoon of niet, het handelsregister, de ondernemingsraad, handelsnaam en merk) en je kunt bepalen bij welke situatie de eenmanszaak het beste past. Stof: hoofdstuk 16 en 17 van het studieboek.

Waar staat het ondernemingsrecht?

Niet in één wet, maar in diverse wetten en verdragen: het Burgerlijk Wetboek (BW), het Wetboek van Koophandel (WvK), de Handelsregisterwet (Hrw), de Handelsnaamwet (Hnw), het Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE), de Wet op de ondernemingsraden (Wor), de Wet op de economische delicten (WED) en de Wet controle op rechtspersonen (Wcor).

Rechtspersoon of niet?

Een organisatie is een rechtspersoon of niet (zie art. 2:3 BW). Dat bepaalt de aansprakelijkheid: is de eigenaar aansprakelijk of de organisatie zelf? De keuze voor een rechtsvorm hangt af van diverse factoren, en meerdere vakgebieden hebben invloed op de interne structuur van een organisatie: bedrijfskunde is de integratie van die vakgebieden.

Handelsnaam, franchising en merk

  • Handelsnaam: een juridisch beschermde naam, bijvoorbeeld Nike. Je kunt een handelsnaam alleen verkopen als je ook de onderneming verkoopt die hem gebruikt (art. 2 Hnw).
  • Franchising is de uitzondering: Bakker Bart, McDonald's, Subway, Albert Heijn.
  • Merk: geregeld in het BVIE. Heeft een onderscheidend karakter voor producten of diensten en een financieel en commercieel belang. Er zijn woord-, beeld-, kleur- en vormmerken, en combinaties.

Handelsregister en administratieplicht

  • Het handelsregister is een openbaar register bij de KvK voor informatievoorziening en rechtszekerheid: wie de gegevens gebruikt, mag ervan uitgaan dat ze juist zijn. Er staan onder meer de rechtsvorm, de bedrijfsactiviteiten en de vertegenwoordigingsbevoegdheid in.
  • Iedere organisatie is inschrijfplichtig. Niet inschrijven kan een boete opleveren op grond van de WED. Inschrijving is wel geen oprichtingseis.
  • Elke onderneming moet een administratie bijhouden en bewaren. Rechtspersonen hebben een speciale administratieplicht (Wet op de jaarrekening, art. 2:360 BW): jaarrekening, jaarverslag, accountantsonderzoek, publicatie van de jaarstukken, en eventueel een procedure over de jaarrekening bij de Ondernemingskamer of een strafrechtelijke procedure.

De ondernemingsraad

OnderwerpRegel uit de dia's
DoelInvloed van het personeel op directie en beleid
WanneerGetalscriterium 50; de Wor geldt voor alle ondernemingen, in de private en de publieke sector
KiesrechtActief en passief kiesrecht
Adviesrecht (art. 25 Wor)Bij bedrijfsorganisatorische of financieel-economische besluiten. Het advies is niet vrijblijvend.
Instemmingsrecht (art. 27 Wor)Bij sociaal beleid, zoals secundaire arbeidsvoorwaarden

Gevolg: een ondernemer kan niet zomaar beleid veranderen, vaak is medewerking van de OR nodig. In de les is daarbij gekeken naar het verschil tussen dwingend en aanvullend (regelend) recht: van dwingend recht mag je niet afwijken, aanvullend recht geldt tenzij er iets anders is bepaald.

WED en Wcor

WetDoelWat de overheid kan doen
WEDGelijke concurrentie; een economisch delict is een overtreding of misdrijfOnder meer een geldboete, stillegging van het bedrijf, strafrechtelijke vervolging
WcorFraude en financieel misbruik tegengaan; geldt voor rechtspersonenStrafrechtelijke vervolging en/of ontbinding van de rechtspersoon

De eenmanszaak

ThemaRegel
EigenaarEén persoon is eigenaar van de zaak. Werknemers in dienst nemen verandert daar niets aan.
RechtspersoonNee
OprichtingGeen wettelijke oprichtingsvoorschriften; na de oprichting inschrijven bij de KvK
AansprakelijkheidDe eigenaar is met zijn hele vermogen aansprakelijk voor de schulden van de zaak. Huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt in de dia als aandachtspunt genoemd
FaillissementGaat de eigenaar failliet, dan ook de eenmanszaak, en omgekeerd. Na het faillissement is hij niet schuldenvrij, tenzij er een akkoord is (afkoop van schulden)
VoortbestaanSterk persoonsgebonden; bij overlijden worden de erfgenamen eigenaar
FinancieringVooral leningen, maar ook crowdfunding en soms subsidies
BelastingDe eigenaar betaalt inkomstenbelasting
Zzp'erZelfstandige zonder personeel; vrije keuze van rechtsvorm, onder meer eenmanszaak of bv

Oefenvragen uit de les, met uitleg

  • Inschrijving in het handelsregister is bedoeld om de onderneming op de juiste wijze op te richten? Onjuist: inschrijving is geen oprichtingseis, maar wel verplicht.
  • Een eenmanszaak met twee werknemers: er is nog steeds sprake van een eenmanszaak, want er is nog steeds één eigenaar.
  • Een eenmanszaak met 53 werknemers: de Wor geldt voor alle ondernemingen, ook voor eenmanszaken; boven het getalscriterium van 50 hoort er in beginsel een OR te zijn. Of tijdelijke krachten met weinig uren meetellen, staat niet in de dia's: zoek dat op in de wettenbundel.
Bij de rechtvragen mag je de wettenbundel gebruiken. Een sterk antwoord noemt de regel, het artikel als je dat kent of kunt opzoeken, past de regel toe op de feiten in de casus en eindigt met een conclusie. Alleen 'ja' of 'nee' levert bij een open vraag weinig op.
🏢

Ondernemingsrecht les 2: vereniging, nv, bv en stichting

Ondernemingsrecht les 2 (week 5)

Leerdoel: je kunt van de behandelde ondernemingsvormen bepalen welke het beste past bij welke situatie of welk doel, en je kunt de regels op hoofdlijnen toepassen voor vier thema's: oprichting, organen, vertegenwoordiging en aansprakelijkheid. Stof: hoofdstuk 20 (par. 1 t/m 5), 22 (par. 1 t/m 4 en 7 t/m 8) en 23 (par. 1 t/m 4).

Privaatrechtelijke rechtspersonen (art. 2:3 BW): besloten vennootschap, naamloze vennootschap, stichting, vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij. De eerste vier worden op hoofdlijnen behandeld. Rechtspersonen zijn geregeld in boek 2 BW.

Hoofdregel bij alle rechtspersonen: de rechtspersoon is zelf aansprakelijk voor de schulden. Bestuurders zijn alleen in uitzonderingen persoonlijk aansprakelijk. Die uitzonderingen zijn precies wat er op een casusvraag getoetst wordt.

De vereniging

Een samenwerkingsverband met als doel een niet-commercieel doel voor haar leden te bereiken: omroep-, sport- en studentenverenigingen, de ANWB, branche- en beroepsverenigingen, vakbonden, politieke partijen.

  • Voordeel: samen een niet-commercieel doel nastreven.
  • Voordeel: geen belasting, tenzij de vereniging commercieel wordt.
  • Voordeel: geen persoonlijke aansprakelijkheid van oprichters en leden.
  • Voordeel: leden (contributie) en invloed via de algemene ledenvergadering.
  • Nadeel: niet commercieel.
  • Nadeel: winstuitkering aan leden is verboden.
  • Nadeel: de invloed van leden via de algemene ledenvergadering kan ook beperkend zijn.
Formele verenigingInformele vereniging
OprichtingNotariële akte met statutenZonder notariële akte: mondeling of schriftelijk
RechtsbevoegdheidVolledigBeperkt
Registergoederen (grond, gebouwen)Kan eigenaar wordenKan geen eigenaar worden
Erfgenaam zijnKanKan niet
Aansprakelijkheid bestuurHoofdregel: de vereniging zelfNiet ingeschreven: hele bestuur hoofdelijk naast de vereniging. Wel ingeschreven: bestuurders alleen als de vereniging niet kan betalen

Oprichting gebeurt door een meerzijdige rechtshandeling. Inschrijving in het handelsregister is geen oprichtingseis; wie niet inschrijft is strafbaar op grond van de WED en loopt aansprakelijkheidsrisico's.

Orgaan van de verenigingTaak
Raad van commissarissen of toezicht (vrijwillig)Meestal toezicht op het bestuur
Bestuur (vaak vrijwilligers)Dagelijkse gang van zaken, het doel nastreven, de vereniging vertegenwoordigen, overeenkomsten sluiten, volmachten verlenen
Algemene ledenvergadering (ALV)Leden stemmen, vaak eens per jaar, over onder meer benoeming en ontslag van bestuurders en commissarissen en statutenwijziging. Ieder lid één stem, meerderheid van de aanwezige leden, tenzij de statuten anders bepalen. Soms is er een ledenraad.

Er is vrijheid om taken over te hevelen van de ALV naar bestuur of RvC, of omgekeerd. Het bestuur vertegenwoordigt de vereniging in principe collectief (gezamenlijk), tenzij de statuten iets anders bepalen, en kan personeel of vrijwilligers een volmacht geven. Bij wanbeleid (art. 2:9 BW, geldt voor alle rechtspersonen) kan een bestuurder persoonlijk aansprakelijk zijn.

De nv en de bv

Ondernemingsvormen met meestal een commercieel doel: winst maken voor de aandeelhouders. Voorbeelden uit de les: Heineken, Ajax, Philips, Ahold Delhaize, ING, Unilever, Randstad, ASML.

  • Voordeel: een commercieel doel nastreven met veel vrijheid om te ondernemen.
  • Voordeel: geen persoonlijke aansprakelijkheid van oprichters, bestuurders en aandeelhouders.
  • Voordeel: geld ophalen via aandelen; winstuitkering aan aandeelhouders.
  • Voordeel: invloed van aandeelhouders via de AVA.
  • Nadeel: belastingplichtig.
  • Nadeel: administratieve verplichtingen.
  • Nadeel: de invloed van de AVA kan beperkend zijn.
  • Nadeel: vijandige overnames (nv).
NVBV
KarakterOpenbaar, soms aan de beursBesloten, bijvoorbeeld een familiebedrijf
AandelenVrijer verhandelbaarVaak minder vrij verhandelbaar (blokkeringsregeling)
Wettelijke regelsMeer dwingend rechtMinder dwingend recht
OprichtingMoeilijker, startkapitaal van 45.000 euroMakkelijker en sneller, geen startkapitaal
  • Oprichting: altijd via een notariële akte met de statuten. Vóór de oprichting kan al zaken worden gedaan namens de nv of bv in oprichting (i.o.): de handelende bestuurder is dan aansprakelijk, maar na oprichting kan de vennootschap de handeling bekrachtigen. Na oprichting volgt inschrijving in het handelsregister; dat is geen oprichtingseis, maar niet inschrijven is een economisch delict (WED) met gevolgen voor aansprakelijkheid.
  • Raad van commissarissen (meestal vrijwillig): toezicht, vaak ook advies, en bevoegd het bestuur te schorsen. Er is een monistisch en een dualistisch stelsel.
  • Bestuur (vaak werknemers): dagelijkse gang van zaken, vertegenwoordigen, overeenkomsten sluiten, volmachten verlenen. Een DGA is een directeur-grootaandeelhouder.
  • AVA: stemt over statutenwijziging, uitgifte van aandelen, benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders en commissarissen, dividend en fusies. Eén stem per aandeel, meerderheid van de aanwezigen tenzij wet of statuten anders bepalen.
  • Aandeelhouders zijn individueel geen orgaan, maar hebben wel stemrecht, recht op dividend en claimrecht (bij de bv op grond van de wet).

Vertegenwoordiging: het bestuur vertegenwoordigt de nv of bv; iedere bestuurder is individueel bevoegd, tenzij de statuten iets anders bepalen, zoals een twee- of meerhandtekeningenclausule. Volgens de dia's is de bevoegdheid niet in te perken door een grensbedrag (al gebeurt dat in de praktijk soms). De bevoegdheid staat ingeschreven in het handelsregister.

Uitzonderingen waarbij een bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan zijn: handelen namens de nv of bv i.o.; niet ingeschreven in het handelsregister (alle bestuurders hoofdelijk); onbehoorlijk bestuur; balansaansprakelijkheid; hoofdelijke aansprakelijkheid bij faillissement.

De stichting

Een rechtspersoon zonder leden, meestal met een maatschappelijk of ideëel doel: de HAN, voedselbanken, KWF Kankerbestrijding, pensioenfonds ABP, UNICEF Nederland. Soms ook in de profitsector, bijvoorbeeld bij KPN en AKZO.

  • Voordeel: een niet-commercieel doel nastreven.
  • Voordeel: geen belasting, tenzij de stichting commercieel wordt.
  • Voordeel: geen persoonlijke aansprakelijkheid van oprichters en bestuurders.
  • Geen leden: voordeel en nadeel tegelijk.
  • Nadeel: niet commercieel.
  • Nadeel: winstuitkeringen verboden.
  • Beschermingsconstructies worden genoemd als aandachtspunt.
  • Geen leden of aandeelhouders die het bestuur benoemen of controleren: dat kent risico's.
UitkeringsverbodToelichting
VerbodenUitkeringen aan oprichters of bestuurders en winstuitkeringen
Wel toegestaanBetalingen als tegenprestatie, zoals loon aan werknemers (mits niet bovenmatig), en uitkeringen met een sociale of ideële strekking, zoals een uitkering aan opvanghuizen of pensioenen bij een pensioenfonds
  • Oprichting: altijd via een notariële akte met statuten; daarna inschrijving in het handelsregister (geen oprichtingseis, wel WED en aansprakelijkheidsgevolgen).
  • Organen: een RvC (meestal vrijwillig) met een toezichthoudende en adviserende rol, eventueel via de statuten met meer bevoegdheden, en het bestuur voor de dagelijkse gang van zaken, vertegenwoordiging en strategie. Bestuurders worden vaak benoemd en ontslagen door het bestuur zelf (coöptatie, via de statuten), door de RvC (via de statuten) of door de rechtbank.
  • Vertegenwoordiging: vergelijkbaar met de vereniging: het bestuur is gezamenlijk bevoegd, tenzij de statuten iets anders bepalen, zoals individuele bevoegdheid of een meerhandtekeningenclausule. Volmacht aan personeel is mogelijk.
  • Aansprakelijkheid: hoofdregel de stichting zelf; uitzonderingen bij niet inschrijven (alle bestuurders hoofdelijk), onbehoorlijk bestuur (in de les het voorbeeld van het Rode Kruis) en hoofdelijke aansprakelijkheid bij faillissement.

Alle rechtsvormen naast elkaar

RechtsvormRechtspersoonDoelOprichtingOrganenVertegenwoordigingAansprakelijkheid
EenmanszaakNeeOndernemen, winst voor de eigenaarGeen wettelijke voorschriften, wel KvK-inschrijvingGeen; de eigenaar beslistDe eigenaarEigenaar met hele vermogen
VerenigingJaNiet-commercieel doel voor de ledenMeerzijdige rechtshandeling: notarieel (formeel) of mondeling/schriftelijk (informeel)Bestuur, ALV, eventueel RvCBestuur collectief, tenzij statuten andersVereniging; bij informele vereniging ook bestuurders (afhankelijk van inschrijving)
NVJaCommercieel, winst voor aandeelhoudersNotariële akte met statuten, startkapitaal 45.000 euroBestuur, AVA, eventueel RvCIedere bestuurder individueel, tenzij statuten andersNV; uitzonderingen voor bestuurders
BVJaCommercieel, winst voor aandeelhouders, beslotenNotariële akte met statuten, geen startkapitaalBestuur, AVA, eventueel RvCIedere bestuurder individueel, tenzij statuten andersBV; uitzonderingen voor bestuurders
StichtingJaMaatschappelijk of ideëel, geen ledenNotariële akte met statutenBestuur, eventueel RvC of RvTBestuur gezamenlijk, tenzij statuten andersStichting; uitzonderingen voor bestuurders

Oefenvragen uit de les, met uitleg

  • Bewoners willen een bewonersvereniging oprichten tegen het verbreden van hun straat. Hoe kan dat? Zowel mondeling als schriftelijk: een vereniging ontstaat door een meerzijdige rechtshandeling. Zonder notariële akte wordt het een informele vereniging.
  • BV Kooistra: drie bestuurders, volgens de statuten mag ieder de bv vertegenwoordigen tot 10.000 euro. Gert koopt alleen een partij skiboxen voor 15.000 euro. Volgens de dia's is de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur niet in te perken door een grensbedrag. De verkoper kan dus de bv aanspreken voor het volledige bedrag.
Bij een vraag 'welke rechtsvorm past het best' weeg je altijd minstens drie dingen: het doel (commercieel, voor leden of ideëel), de aansprakelijkheid die de oprichters willen lopen, en hoe zwaar de oprichting is (geen voorschriften, notariële akte, startkapitaal). Noem ook waarom de andere vormen minder goed passen.
Veelgemaakte fout: denken dat inschrijving in het handelsregister een oprichtingseis is. Dat is het bij geen enkele rechtsvorm. Niet inschrijven is wel een economisch delict en heeft gevolgen voor de aansprakelijkheid van bestuurders.