Inleiding: organisatie, organisatiekunde en het 7S-model
Les 1.1Facility management staat niet los van de rest van de organisatie. Een FM'er moet begrijpen hoe een organisatie in elkaar zit, waar ze naartoe wil en hoe de facilitaire afdeling daaraan bijdraagt. Bedrijfskunde is daarbij de integratie van vakgebieden, zoals ook in de eerste rechtles wordt benadrukt.
| Kenmerk | Wat het betekent | Voorbeeld uit de les |
|---|---|---|
| Samenwerkingsvorm | Mensen moeten zo goed mogelijk samenwerken; samen bereik je meer dan alleen. Dat heet het synergie-effect: het resultaat van het geheel is groter dan de optelsom van individuele prestaties. | Een autofabriek |
| Doelgericht | Een organisatie is altijd opgericht met een bepaald doel; de neuzen staan dezelfde kant op. | Commercieel: winst. Ziekenhuis: mensen behandelen. HAN: mensen opleiden tot professional. |
| Continuïteit | De leden willen de organisatie laten voortbestaan; een onderneming blijft investeren. Een organisatie kan worden opgeheven als het doel definitief bereikt is. | Het lokale organisatiecomité van de Olympische Spelen |
Organisatie, bedrijf en onderneming
| Begrip | Omschrijving |
|---|---|
| Organisatie | Doelgericht samenwerkingsverband dat blijvend is. De breedste categorie. |
| Bedrijf | Organisatie die goederen en/of diensten voortbrengt om die op een afzetmarkt te verkopen. |
| Onderneming | Bedrijf dat altijd gericht is op het maken van winst (profit). |
Vier stromingen in de organisatiekunde
Het denken over organiseren heeft zich in vier stromingen ontwikkeld. Elke stroming is een reactie op het probleem van de vorige.
| Stroming | Periode | Kern | Focus | Probleem |
|---|---|---|---|---|
| Industriële revolutie | 1760-1830 | De stoommachine maakt productie op grote schaal mogelijk, fabrieken ontstaan. De mens is vooral een onderdeel van het proces. | Zo veel mogelijk produceren | Weinig aandacht voor de mens, productiviteitsprobleem en behoefte aan structuur |
| Scientific Management | 1900-1935 | Reactie op inefficiëntie in fabrieken. Lopende band (Henry Ford), alles meetbaar en gestandaardiseerd, taakverdeling, tijdstudies, instructie en training. | Maximale efficiëntie | Mensen worden te mechanisch benaderd, werk wordt onaantrekkelijk en dat demotiveert |
| Human Relations-benadering | 1935-1955 | Reactie op de te technische aanpak. Aandacht voor motivatie en samenwerking; sociale relaties bepalen mede de prestaties; werknemers zijn meer dan uitvoerders. X- en Y-theorie van McGregor. | Het individu | Te veel aandacht voor het individu, te weinig voor structuur, de organisatie als geheel en de omgeving |
| Systeemtheorie | 1955-2000 | Brede kijk als antwoord op alles ervoor. De organisatie als samenhangend geheel; interne én externe factoren tellen mee (denk aan FM Trendwatcher). | Balans tussen mens, structuur en omgeving | Niet genoemd in de dia's |
Het economisch kringloopmodel
Organisaties opereren in een economische omgeving. Het kringloopmodel laat zien hoe geld en goederen rondgaan tussen vier groepen, met daarnaast import en export.
| Groep | Rol in de kringloop |
|---|---|
| Consumenten (huishoudens) | Leveren arbeid als productiefactor, ontvangen inkomen, geven geld uit aan goederen en diensten en sparen. |
| Producenten (bedrijven) | Maken en verkopen goederen en diensten, betalen loon en belastingen, sparen bij banken en ontvangen investeringen. |
| Banken | Nemen spaargeld aan, lenen aan consumenten en investeren in producenten; zo blijft geld stromen. |
| Overheid | Ontvangt belastingen, besteedt aan bijvoorbeeld zorg, onderwijs en infrastructuur (collectieve bestedingen) en herverdeelt via uitkeringen en subsidies. |
Andere belangrijke stakeholders zijn toeleveranciers, werkgeversorganisaties, vakbonden en concurrenten.
Het 7S-model van McKinsey
Hoe organisaties zijn ingericht om goed te presteren binnen die economische omgeving, bekijk je in dit vak met het 7S-model. Door de zeven aspecten in kaart te brengen en te analyseren, met oog voor hun samenhang, begrijp je beter hoe een organisatie functioneert en hoe ze kan verbeteren. De lijnen in het model zijn net zo belangrijk als de bolletjes: verandert één S, dan heeft dat meestal gevolgen voor andere S'en.
| S | Waar het over gaat | Week |
|---|---|---|
| Strategy | De koers en doelen van de organisatie in relatie tot haar omgeving | 1 |
| Structure | De verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden en de coördinatie | 2 |
| Systems | De systemen en processen waarmee het werk wordt gedaan | 2 |
| Staff | De personeelsfunctie: aantrekken, ontwikkelen en behouden van medewerkers | 4 |
| Style | De stijl van de organisatie, vooral de stijl van leidinggeven | 4 |
| Skills | De competenties en sleutelvaardigheden van de organisatie, toegevoegde waarde en kwaliteit | 6 |
| Shared values | Gedeelde waarden en cultuur: het centrale fundament dat alle andere S'en verbindt | 6 |
Strategy: van missie tot strategische keuze
Les 1.2, werkcollege 2.1Leerdoel van deze week: je kunt de strategie van een organisatie beschrijven en uitleggen hoe organisaties hun doelen en koers bepalen in relatie tot hun omgeving.
Planning
Planning is nu beslissen wat er in de toekomst moet gebeuren. Je kunt planning indelen naar niveau (onderneming, afdeling, product), tijdshorizon (kort, middellang, lang), mate van detail (strategisch, tactisch, operationeel) en functioneel gebied (huisvesting, catering, schoonmaak).
| Niveau | Termijn | Wie | Voorbeeld binnen FM |
|---|---|---|---|
| Strategisch (richten) | Lang | Directie | Verduurzaming van gebouwen of de vastgoedportefeuille |
| Tactisch (inrichten) | Middellang | MT en teamleiders | Een schoonmaakcontract voor 5 jaar afsluiten |
| Operationeel (verrichten) | Kort | Teams | De menu's in een ziekenhuis bepalen |
Een strategie bestaat uit meerdere tactische plannen; de tactiek is een detailuitwerking van de strategie.
Het strategieproces
Een ondernemingsplanning bestaat uit drie fasen: strategieontwikkeling (met analyses, diagnoses en prognoses), planontwikkeling (uitwerken van de gekozen strategische opties) en uitvoering, controle en bijsturing. In stappen:
- Missie, visie en ondernemingsdoelstellingen formuleren: dat geeft focus aan de analyse.
- Situatieanalyse van de micro-, meso- en macro-omgeving.
- SWOT-analyse met confrontatiematrix.
- Diagnose en prognose: hoe groot is de strategische kloof?
- Strategievorming: opties om de kloof te overbruggen en een keuze daaruit.
- Uitwerking van de gekozen strategische optie.
- Uitvoering, controle en bijsturing.
Missie, visie, kernwaarden en strategie
| Begrip | Vraag | Toelichting en voorbeeld |
|---|---|---|
| Missie | Waarom bestaan we? | Het brede doel van de organisatie, haar waarden en haar plaats in de wereld: de primaire en permanente opdracht. Coca-Cola: het verfrissen van de wereld. |
| Visie | Wat willen we zijn? | Een ambitieus, gedeeld beeld van de toekomst op lange termijn. Voorbeeld uit de dia: 'het creëren van een beter dagelijks leven voor zoveel mogelijk mensen'. |
| Kernwaarden | Waar geloven we in? | De waarden en normen van de organisatie. |
| Strategie | Wat moeten we doen? | De aanpak, uitgewerkt in doelstellingen en scenario's. |
Situatieanalyse: micro, meso en macro
Je gebruikt de situatieanalyse niet alleen om te beschrijven wat er speelt, maar vooral om keuzes te onderbouwen: inzicht krijgen, kansen en bedreigingen zien, en een strategische richting bepalen.
| Niveau | Wat onderzoek je | Hulpmiddel | Uitkomst |
|---|---|---|---|
| Micro (de organisatie zelf) | Sterktes en zwaktes: kwaliteit van personeel, financiële positie, product of dienst, marketing, processen, inkoop, productie, productportfolio. Het liefst vergeleken met concurrenten. | BCG-model | Strengths en weaknesses |
| Meso (directe omgeving) | Partijen waarmee de organisatie direct contact heeft en die invloed uitoefenen: afnemers, concurrenten, leveranciers, maar ook vermogensverschaffers, media, lokale overheden en publieke opinie. | Vijfkrachtenmodel van Porter | Positie in de markt; deels kansen en bedreigingen |
| Macro (indirecte omgeving) | Grote trends en ontwikkelingen waarop de organisatie weinig invloed heeft. | DESTEP | Opportunities en threats |
Het BCG-model (micro)
Het BCG-model (Boston Consulting Group) brengt de productportfolio in kaart op twee criteria: het relatieve marktaandeel en de groei van de markt.
| Kwadrant | Marktaandeel | Marktgroei | Betekenis | Voorbeeld Mars |
|---|---|---|---|---|
| Star | Hoog | Hoog | Belangrijke sterkte met groeipotentieel, vraagt nog investeringen | M&M's |
| Cash cow | Hoog | Laag | Zeer winstgevend, stabiele inkomstenstroom | Snickers |
| Question mark | Laag | Hoog | Onzeker: kan een succes worden of mislukken | BE-KIND |
| Dog | Laag | Laag | Levert weinig op, meestal een zwakte | Balisto |
Veel cash cows en stars wijzen op een sterke interne positie, veel dogs op inefficiëntie en slechte keuzes. Het model helpt ook bij beslissingen: investeren in kansrijke producten, winstgevende onderdelen behouden en zwakke afstoten.
Het vijfkrachtenmodel van Porter (meso)
- Rivaliteit tussen bestaande concurrenten: hoe hevig concurreren bedrijven op prijs, reclame en innovatie?
- Dreiging van nieuwe toetreders: hoe makkelijk kunnen nieuwe bedrijven de markt op (investeringen, vergunningen, kennis, certificeringen)?
- Onderhandelingsmacht van afnemers: hoeveel keuze hebben klanten en hoe makkelijk stappen ze over?
- Onderhandelingsmacht van leveranciers: hoeveel leveranciers zijn er en hoe afhankelijk ben je?
- Dreiging van substituten: zijn er alternatieven die hetzelfde probleem oplossen, zoals thee in plaats van koffie?
In het werkcollege geef je elke kracht een score van 1 (zwak) tot 5 (sterk) met een onderbouwing.
DESTEP (macro)
| Factor | Voorbeelden uit de dia's |
|---|---|
| Demografisch | Leeftijdsopbouw, groei en omvang, grootte van huishoudens, urbanisatie, vergrijzing |
| Economisch | Conjunctuur (bijvoorbeeld het bnp), koopkracht, import en export, werkloosheid, grondstofprijzen, loonniveau |
| Sociaal-cultureel | Levensstijl, vrijetijdsbesteding, opleidingsniveau, tweeverdieners, individualisering, thuiswerken |
| Technologisch | Informatievoorziening zoals internet, nieuwe producten, adoptie van technologie |
| Ecologisch | Klimaat, weer, milieutechnologie, zorg voor het landschap, energiegebruik |
| Politiek-juridisch | Wetgeving, mate van overheidsingrijpen in de economie, politieke invloeden |
SWOT-analyse en confrontatiematrix
Je brengt alles samen: de micro-analyse levert sterktes en zwaktes, de macro- en deels de meso-analyse levert kansen en bedreigingen. In de confrontatiematrix zet je kansen en bedreigingen af tegen sterktes en zwaktes. De SWOT staat vaak centraal als doelstellingen niet meer gehaald worden en de strategie moet veranderen.
Voorbeeld uit de les: SWOT van een hotel
- Sterktes: goede locatie, sterke reputatie en online reviews, professioneel en gastvrij personeel, extra services zoals wellness.
- Zwaktes: hoge operationele kosten, afhankelijkheid van seizoenstoerisme, verouderde technologie, lage bezetting buiten piekperiodes.
- Kansen: groei van toerisme en zakelijke reizen, samenwerking met reisorganisaties, duurzame initiatieven, vraag naar wellness.
- Bedreigingen: concurrentie van andere hotels en platforms zoals Airbnb, recessies, stijgende energie- en personeelskosten, negatieve reviews.
Diagnose, prognose en de strategische kloof
De prognose laat zien hoe omzet, winst of marge zich ontwikkelt bij ongewijzigd beleid. Daartegenover staat de gewenste ontwikkeling bij gewijzigd beleid. Het verschil is de strategische kloof. Ontwikkelt de winst zich naar wens, dan hoeft het beleid niet te veranderen. Is de kloof te groot, dan ontwikkelt de organisatie een strategie om hem te dichten.
Kritische kanttekening uit de les: een bedachte strategie (intended strategy) loopt in de praktijk vaak anders, omdat de omgeving verandert en er een gewijzigde strategie ontstaat (emerging strategy). Critici zeggen daarom dat er weinig te plannen valt.
Strategievorming: vijf modellen
Een analyse is pas waardevol als ze leidt tot keuzes. Je kent vijf modellen en past ze in het werkcollege toe op je opdrachtgever.
1. Concurrentiestrategieën van Porter: gericht op iets beter doen dan de concurrent, het concurrentievoordeel. Twee keuzes: lage kosten of differentiatie, op de brede markt of een smal segment.
| Strategie | Concurrentievoordeel | Bereik | Voorbeeld uit de les |
|---|---|---|---|
| Kostenleiderschap | Lage kosten | Breed | Aldi; easyJet die staanplaatsen onderzoekt om tarieven laag te houden |
| Differentiatie | Onderscheidend aanbod | Breed | AH Excellent |
| Kostenfocus | Lage kosten | Smal segment | Een lokale hengelsportwinkel |
| Differentiatiefocus | Onderscheidend aanbod | Smal segment | Ferrari |
2. Groeistrategieën van Ansoff: combinaties van huidige of nieuwe producten op huidige of nieuwe markten. Het percentage is het gemiddelde slagingspercentage volgens de dia.
| Strategie | Product | Markt | Slagingskans | Voorbeeld uit de les |
|---|---|---|---|---|
| Marktpenetratie | Huidig | Huidig | 50% | McDonald's met upselling en acties; klanten van concurrenten winnen of het product vaker laten gebruiken |
| Productontwikkeling | Nieuw | Huidig | 33% | Mora met een nieuwe snack |
| Marktontwikkeling | Huidig | Nieuw | 20% | Amerikaanse snoepfabrikanten die de Europese markt veroveren |
| Diversificatie | Nieuw | Nieuw | 5% | FrieslandCampina met eiwitrijke sportvoeding; een sigarettenfabrikant die een parfumlijn gaat voeren |
Diversificatie kan gerelateerd zijn, binnen de eigen bedrijfskolom (verticaal achterwaarts, verticaal voorwaarts of horizontaal), of ongerelateerd, ver buiten de eigen bedrijfskolom (ATAG koopt Batavus). Naast de vier groeirichtingen kan een onderneming ook kiezen om zich terug te trekken of haar huidige positie te verdedigen.
De bedrijfskolom is de keten van oerproducent tot consument, bijvoorbeeld druiventeler, wijnmaker, bottelaar, groothandel, slijterij, consument. Integratie is groei door overname van schakels; differentiatie in de bedrijfskolom is je richten op de kernactiviteiten door voorwaarts of achterwaarts activiteiten af te stoten.
3. Marktposities van Kotler
| Marktpositie | Kenmerken | Strategieën | Voorbeelden |
|---|---|---|---|
| Marktleider | Grootste marktaandeel, bepaalt trends en standaarden | Marktvergroting, marktaandeel verdedigen (innovatie, scherpe prijzen), marktaandeel uitbreiden (nieuwe markten, overnames) | Volkswagen, Toyota |
| Marktuitdager | Nummer twee of drie, wil marktaandeel van de leider afsnoepen met innovatie, prijs of marketing | Frontale aanval, flankaanval (zwakke plekken van de leider), omsingeling (veel kleine aanvallen) | Tesla, BYD |
| Marktvolger | Tevreden met de positie, volgt innovaties van leiders en uitdagers met minder risico en lagere R&D-kosten | Vervalser, kloner, imitator, aanpasser | Kia, Dacia |
| Nichespeler | Richt zich op een specifieke doelgroep of behoefte die grote bedrijven laten liggen; wordt daarin de expert | Doelgroep-, product- of kwaliteit-prijsspecialisatie | Ferrari, Porsche |
4. Waardestrategieën van Treacy en Wiersema: over toegevoegde waarde en onderscheidend vermogen. Een organisatie kiest welke van de drie dominant is.
| Waardestrategie | Kern | Kenmerken |
|---|---|---|
| Operational excellence (best performance) | De kernactiviteiten zo goed en goedkoop mogelijk uitvoeren door optimaal ingerichte interne processen | Hoge betrouwbaarheid, beperkt assortiment, lage kosten |
| Product leadership (best product) | Constant het product verbeteren (R&D) | Technologische innovatie, superieur merkimago, snelle ontwikkeling (time-to-market) |
| Customer intimacy (best service) | De relatie met de klant staat centraal (klantenpartnerschap) | Hoge klanttevredenheid, optimale dienstverlening, integratie met klantsystemen |
5. Blauwe en rode oceaan (Chan Kim en Mauborgne). In de rode oceaan concurreren bedrijven in een bestaande markt binnen dezelfde grenzen om hetzelfde segment; dat is volgens de les onvoldoende om langdurig succesvol te zijn. In de blauwe oceaan creëer je een nieuwe markt of een segment zonder concurrentie en trek je nieuwe vraag aan, bijvoorbeeld door innovatie die kosten verlaagt.
Structure: arbeidsverdeling, organogram en Mintzberg
Les 2.2, werkcollege 3.1, oefening BEEHAPPY- Verdeling van functies en taken (arbeidsverdeling).
- Verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
- Wijze van coördinatie en communicatie.
Waarom een FM'er dit moet weten: de facilitaire afdeling is zelf onderdeel van de structuur. De facility manager moet weten welke taken bij FM horen en welke bij bijvoorbeeld ICT of HR, welke beslissingen FM zelfstandig mag nemen en wanneer goedkeuring nodig is, en via welke lijnen meldingen, aanvragen en storingen lopen.
Structure follows strategy
Bij de inrichting van een organisatie houd je altijd rekening met waarom iets moet gebeuren: de strategie. Structuur is een middel om de doelen te bereiken. Ze ontstaat uit de afstemming tussen organisatie en omgeving (externe invloeden) en moet passen bij de interne omgeving: medewerkers, machines en hulpmiddelen (interne invloeden).
Motieven voor arbeidsverdeling
| Motief | Betekenis | Voorbeeld Waalboog (ouderenzorg) |
|---|---|---|
| Bestuursmotief | De organisatie moet bestuurbaar blijven | Teamleiders en coördinatoren onder de facilitair manager: behapbaar maken om aan te sturen |
| Kostenmotief | De organisatiewijze moet betaalbaar zijn en blijven | Afdelingen samenvoegen, bijvoorbeeld gastvrouw en receptie |
| Sociaal of gedragskundig motief | Mogelijkheden tot ontplooiing; het werk moet aantrekkelijk blijven | Medewerkers interne zaken met meerdere taken en doorgroeimogelijkheden |
| Maatschappelijk motief | Rekening houden met normen, waarden en wetten in de maatschappij | Regels uit de Arbowet |
Verticale en horizontale arbeidsverdeling
Verticaal: werk verdelen van boven naar beneden, over hiërarchische niveaus (vertegenwoordiger boven juniorvertegenwoordiger). Begrippen: hiërarchie, delegeren, centralisatie, decentralisatie, empowerment, platte en steile organisaties. Weinig verticale arbeidsverdeling betekent een platte organisatie.
Horizontaal: werk verdelen van links naar rechts op hetzelfde niveau (een juniorvertegenwoordiger voor Audi en Porsche naast een voor Volkswagen). Binnen horizontale verdeling onderscheid je interne differentiatie en interne specialisatie.
| Indeling | Groeperen naar | Soort | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| F-indeling | Functie: werk dat naar zijn aard bij elkaar of bij een deelproces hoort | Interne differentiatie | Inkoop, productie, marketing, personeel, financiën |
| P-indeling | Product of productgroep: verschillende disciplines samen voor één product | Interne specialisatie | Unilever: Foods, Home and Personal Care; huid- en gezichtsverzorging |
| G-indeling | Geografisch gebied | Interne specialisatie | Azië, Europa, Amerika |
| M-indeling | Markt of afnemersgroep | Interne specialisatie | BEEHAPPY: afdeling profit en afdeling non-profit |
Grote organisaties combineren indelingen. Voorbeeld uit de les: een raad van bestuur met divisies (wasmiddelen, cosmetica, reinigingsproducten), daaronder een g-indeling (Azië, Europa, Amerika), daaronder een p-indeling (huid- en gezichtsverzorging) en daaronder een f-indeling (inkoop tot en met financiën).
Werkstructurering: taken verdelen om motivatie te behouden
Afkomstig uit de gedragskundige stroming (Herzberg): hoe houd je medewerkers gemotiveerd in eentonig werk?
| Vorm | Wat er gebeurt | Niveau van de taak |
|---|---|---|
| Taakverruiming | Er komt een taak bij (taak A wordt A en B) | Zelfde niveau |
| Taakroulatie | Medewerkers nemen op gezette tijden elkaars taken over | Zelfde niveau, wisselend |
| Taakverrijking | De taak wordt aangevuld met werk van een hoger niveau (A wordt A+) | Hoger niveau |
Organogram, spanwijdte en spandiepte
Een organogram geeft de opbouw van de structuur in hoofdlijnen weer: welke afdelingen welke taken hebben, hoe de gezagsopbouw is, welke afdelingen ondersteunend zijn en hoe de onderlinge relaties liggen. Je tekent functies en afdelingen, geen individuen.
| Begrip | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Spanwijdte (span of control) | Aantal medewerkers dat direct onder één leidinggevende valt | Een directeur met hoofd inkoop, hoofd productie en hoofd verkoop heeft een spanwijdte van 3; een filiaalleider met twintig medewerkers een van 20 |
| Spandiepte (depth of control) | Alle lagen en medewerkers die onder een leidinggevende vallen | De directeur: de drie hoofden plus alle medewerkers onder hen |
Lijn en staf
| Begrip | Betekenis |
|---|---|
| Lijn | Verticale en horizontale verdeling van leidende en uitvoerende taken over functionarissen op verschillende niveaus. Hier vinden het primaire proces en de besturing ervan plaats. |
| Staf | Staat ten dienste van de lijn en heeft alleen adviesbevoegdheid (ondersteunende processen), zoals juridische zaken, personeelszaken, een business controller of beleidsadviseur. |
| Functionele staf | Uitzondering: een staf die op haar vakgebied dwingende aanwijzingen mag geven zonder gezagsverhouding. Dat heet een functionele relatie. |
| Lijnorganisatie | Alleen lijn: directeur, afdelingen, uitvoerenden. |
| Lijn-staforganisatie | Lijnorganisatie met adviserende stafafdelingen naast de directie, bijvoorbeeld HRM. |
| Matrixorganisatie | Combinatie van een lijn- en een projectorganisatie. |
Voorbeeld uit de les: Servicebedrijf Radboud
Onder de directeur van het servicebedrijf staan als staf een managementassistent, een business controller en een beleidsadviseur. In de lijn staan een adviesgroep en vier productgroepen, zoals inkoop en supply chain, logistiek en services, en vastgoed en infrastructuur.
Centralisatie of decentralisatie
| Meer centralisatie als | Meer decentralisatie als |
|---|---|
| De omgeving stabiel is | Het bedrijf complex is |
| Lagere managers minder ervaren zijn in beslissen | Lagere managers ervaren zijn in beslissen |
| Lagere managers geen stem willen | Lagere managers een stem willen |
| De beslissingen erg belangrijk zijn | De beslissingen relatief onbelangrijk zijn |
| Het bedrijf in een crisis zit | De bedrijfscultuur open is en inspraak aanmoedigt |
| Het bedrijf groot is | Het bedrijf geografisch gespreid is |
| Uitvoering afhangt van vastberadenheid van managers | Uitvoering afhangt van flexibiliteit van managers |
Uit de quiz: een mechanistische organisatie kent eerder centralisatie dan decentralisatie. De organieke en de personele structuur zijn onderdeel van de formele structuur.
De configuraties van Mintzberg
De configuraties van Mintzberg zijn verschillende manieren om de interne structuur van een organisatie in te richten, elk met een eigen structuur, machtsverdeling en manier van samenwerken. Ze zijn opgebouwd uit vijf basisonderdelen:
| Basisonderdeel | Wat het is |
|---|---|
| Strategische top | De directie, die de koers bepaalt |
| Middenkader | De leidinggevenden tussen de top en de uitvoering |
| Uitvoerende (operationele) kern | De mensen die het primaire werk doen |
| Technostructuur | Staf die het werk voorbereidt en standaardiseert, zoals planning, training en control |
| Ondersteunende staf | Ondersteunende diensten, zoals secretariaat en boekhouding |
| Configuratie | Dominant onderdeel | Coördinatie | Kenmerken | Voorbeeld |
|---|---|---|---|---|
| Eenvoudige structuur (ondernemersorganisatie) | Strategische top | Direct toezicht | Eén of twee ondernemers met alle touwtjes in handen, klantgericht, familiecultuur | Winkel om de hoek, eenmanszaak |
| Machinebureaucratie | Technostructuur | Standaardisatie van werkprocessen | Stabiele omgeving, piramide, gecentraliseerd, veel regels en procedures, managementfilter, politieke spelletjes; vaak oud en groot | McDonald's |
| Professionele bureaucratie | Operationele kern (zelfstandig) | Standaardisatie van vaardigheden | Gedecentraliseerd, hoogopgeleide professionals, uitgebreide ondersteunende staf, netwerkgedrag; valkuil is hokjesdenken | Advocaten, notarissen, medici, onderwijs |
| Divisiestructuur | Middenkader (units of divisies) | Sturing op resultaat | Holding met business units met eigen budgetten en directies, haat-liefdeverhouding tussen holding en divisies | AKZO, Unilever, Philips |
| Adhocratie (innovatieorganisatie) | Operationele kern, die bestaat uit wat elders ondersteunend is (R&D, marketing) | Onderlinge afstemming | Creatief, zelfsturende professionals, vaak project- of matrixstructuur, selectief gedecentraliseerd | Reclamebureaus, projectontwikkelaars, Apple |
Uitgewerkte oefening BEEHAPPY B.V.
- Casus: 16 personen; directie Marcel en Annemarie; twee hbo'ers als hoofd van een afdeling profit en een afdeling non-profit, elk met 5 parttime studenten; een secretaresse en een boekhouder ter ondersteuning.
- Indeling: m-indeling, naar markt (profit en non-profit).
- Staffuncties: boekhouder en secretaresse (administratie).
- Spandiepte: maar één laag diep; staffuncties tellen niet mee als hiërarchische laag.
- Afdelingshoofd krijgt deels directietaken: taakverrijking, want er komt een taak van een hoger niveau bij.
- Basisonderdelen: strategische top is de directie, middenkader ontbreekt, uitvoerende kern zijn de afdelingshoofden en studenten, technostructuur ontbreekt, ondersteunende staf zijn secretaresse en boekhouder.
- Configuratie: eenvoudige structuur of ondernemersorganisatie (klein, simpele structuur, weinig personeel).
- Coördinatiemechanisme: direct toezicht, want de organisatie is overzichtelijk genoeg om de touwtjes zelf in handen te houden.
Systems: systemen, waardeketen en processen
Les 2.2 deel II, werkcollege 4.1Systemen binnen FM (voorbeelden uit de les)
- Facilitair inkoop- en leveringssysteem: behoeftebepaling, aanvraag, leveranciersselectie, bestellen, levering ontvangen en factuurafhandeling hangen van elkaar af en zorgen samen voor structuur, controle en continuïteit.
- Ruimte- en werkplekbeheersysteem: ruimteplanning, reserveringen, bezettingsregistratie en aanpassingen van werkplekken beïnvloeden elkaar; samen zorgen ze voor optimaal gebruik van de ruimte.
Een organisatie is zelf een systeem met verschillende deelsystemen: inkoop, productie, verkoop en service lopen als het ware horizontaal, en facility management en personeelsmanagement lopen er dwars doorheen omdat ze alle andere ondersteunen.
Systeemdenken en het open systeem
Systeemdenken betekent dat je de organisatie ziet als een open systeem: een geheel van verbonden onderdelen dat voortdurend in wisselwerking staat met de omgeving. Je kijkt niet naar losse afdelingen, maar naar hoe ze samen waarde creëren en hoe een verandering in één deel doorwerkt in de rest.
| Onderdeel open systeem | Vraag | Voorbeelden uit het werkcollege |
|---|---|---|
| Input | Wat ontvangt de organisatie uit haar omgeving? | Klanten of cliënten, medewerkers, informatie, materialen, geld, leveranciers |
| Throughput | Welke activiteiten vinden binnen de organisatie plaats? | De processen van de organisatie |
| Output | Wat levert de organisatie op? | Producten, diensten, resultaten |
| Feedback | Hoe weet de organisatie of ze succesvol is? | Klanttevredenheid, klachten, audits, KPI's, financiële resultaten |
Uit de quiz: alle medewerkers boven de 55 bij een bank in kaart brengen voor leeftijdsbewust personeelsbeleid is een voorbeeld van een aspectsysteem: je bekijkt de organisatie vanuit één aspect.
De waardeketen van Porter
| Laag | Activiteiten |
|---|---|
| Primaire activiteiten | Ingaande logistiek, productie (operaties), uitgaande logistiek, marketing en verkoop, service |
| Ondersteunende activiteiten | Infrastructuur, human resources management, technologische ontwikkeling, inkoop |
Facility management valt onder infrastructuur, een van de ondersteunende activiteiten: gebouwen en huisvesting, onderhoud van installaties, energie, werkplekinrichting, schoonmaak, veiligheid en ruimtebeheer. Toch werkt FM door in de primaire activiteiten:
| Primaire activiteit | Invloed van FM |
|---|---|
| Ingaande logistiek | Laad- en losfaciliteiten en opslagruimte bepalen snelheid en efficiëntie van goederenstromen |
| Operaties | Werkplekinrichting, klimaat, licht en ergonomie hebben direct effect op productiviteit en kwaliteit |
| Uitgaande logistiek | Magazijnindeling en transportfaciliteiten beïnvloeden levertijden |
| Marketing en verkoop | Representatieve gebouwen en ontvangstruimtes beïnvloeden hoe klanten de organisatie zien |
Processen en het ITO-model
| ITO | Wat | Voorbeeld inkoopproces (Van Weele) |
|---|---|---|
| Input | Middelen en voorwaarden die nodig zijn: mensen (kennis, vaardigheden), middelen (geld, materialen, faciliteiten, technologie), informatie en voorwaarden (beleid, cultuur, structuur) | Inkopers en gebruikers, budget en ICT-systemen, specificaties en marktinformatie, inkoopbeleid en wetgeving |
| Throughput | De activiteiten waarin input wordt omgezet in output | Behoeftebepaling, specificeren, leveranciers selecteren, contracteren, bestellen en leveren, factureren en betalen, evalueren en relatiemanagement |
| Output | Producten of diensten, resultaten en waarde voor klanten en belanghebbenden | Tijdige beschikbaarheid van de juiste goederen en diensten, kostenbesparing, leverbetrouwbaarheid |
Drie soorten processen
| Soort | Functie | Plaats in de waardeketen |
|---|---|---|
| Bestuurlijke processen | Sturing (doel bepalen) en beheersing: richting geven, controleren, verbeteren | Staan niet als aparte laag in het model, vallen vooral onder infrastructuur (strategisch management, planning en control) |
| Primaire processen | Dragen direct bij aan de totstandkoming van het product of de dienst | Primaire activiteiten |
| Secundaire (ondersteunende) processen | Ondersteunen het primaire proces zodat dat goed kan werken | Ondersteunende activiteiten |
Primair of secundair hangt af van de organisatie
Het beveiligen van gebouwen is voor een beveiligingsbedrijf een primair proces: dat is wat het levert. Voor de HAN is beveiliging een secundair proces, want het primaire proces daar is onderwijs. Kijk dus altijd eerst naar het product of de dienst van de organisatie in de casus.
Processen beschrijven, besturen en verbeteren
- Beschrijven: in kaart brengen hoe een proces werkt: stappen, betrokken personen, middelen, input en output.
- Besturen: het proces beheersen en monitoren: verloopt het volgens afspraak en worden de resultaten gehaald?
- Verbeteren: op basis van evaluaties, analyses en feedback verbeterpunten vaststellen en doorvoeren. Dit komt terug in het bedrijfsproject.
Staff: personeelsbeleid en HRM
Les 4.2 deel 1, werkcollege 5.1Personeel is een kritische succesfactor: kennis, vaardigheden en motivatie van medewerkers hebben direct invloed op prestaties en concurrentiekracht. Volgens de toelichting bij de dia kunnen organisaties die hun HRM-werkwijzen substantieel verbeteren hun marktwaarde met wel 30% verhogen.
Waarom Staff steeds belangrijker wordt
- Menselijk kapitaal als onderscheid: vroeger onderscheidden organisaties zich met kapitaal en machines, nu met kennis, creativiteit en probleemoplossend vermogen van mensen.
- Impact van goed HRM: hogere productiviteit, meer betrokkenheid en minder verloop; tevreden medewerkers hangen samen met tevreden klanten.
- Risico's van slecht personeelsbeleid: kennisverlies, hoge wervingskosten en een slechte reputatie op de arbeidsmarkt.
| Externe ontwikkeling | Gevolg voor HRM |
|---|---|
| Demografisch | Vergrijzing en hogere levensverwachting: langer doorwerken en minder instroom van jong talent |
| Technologisch | Digitalisering en automatisering veranderen functies en vragen om bij- en omscholing |
| Sociaal-cultureel | Nieuwe werkwaarden: flexibiliteit, werk-privébalans, meer vrouwen in leidinggevende functies, individualisme |
| Krappe arbeidsmarkt | Vraag naar personeel groter dan aanbod: creativiteit nodig in werven en behouden |
De drie B's
| B | Doel | Voorbeelden van maatregelen |
|---|---|---|
| Binden | Medewerkers aantrekken en een eerste verbondenheid creëren | Sterk werkgeversmerk, aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden |
| Boeien | Betrokkenheid en motivatie behouden | Interessant werk, ontwikkelmogelijkheden, goed leiderschap |
| Behouden | Ongewenst verloop voorkomen | Vervangen is duur en kost kennis en ervaring; dus investeren in behoud van ervaren medewerkers |
De drie B's lopen in elkaar over. Een organisatie kan goed zijn in binden maar slecht in behouden; daarom beoordeel je ze apart.
Personeelsbeleid en personeelsbeheer
Personeelsbeleid: strategisch en extern gericht. Kijkt vooruit naar markt- en technologische ontwikkelingen. Voorbeeld: een installatiebedrijf dat medewerkers tijdig omschoolt voor zonne-energie en warmtepompen.
Personeelsbeheer: operationeel en intern gericht. Vertaalt het beleid naar dagelijkse activiteiten, zoals trainingen, beoordelingsgesprekken en personeelsplanning.
Samen vormen ze HRM. Sluiten beleid en uitvoering niet op elkaar aan, dan worden strategische doelen niet gehaald.
HRM-model van Ulrich: vier rollen van HR
| Operationele focus | Strategische focus | |
|---|---|---|
| Mensen | Employee champion: focus op behoeften en zorg voor medewerkers, coaching, persoonlijke ontwikkeling, effectieve teams | Change agent: organisatieontwikkeling, managen van verandering en cultuurveranderingstrajecten |
| Processen | Administratieve expert: HR-infrastructuur (systemen, processen, procedures), beheersen van administratieve processen zoals ziekteverzuim | Strategische partner: HR-activiteiten afstemmen op de organisatiedoelen, strategisch HRM, performanceverbetering |
Vraag bij een analyse: is HR vooral administratief bezig, of wordt het ingezet als strategische partner? Dat zegt veel over hoe volwassen de S van Staff is.
Het IDU-model
| Fase | Onderdelen | Toelichting uit de les |
|---|---|---|
| Instroom | Werving, selectie, aanstelling | Intern werven stimuleert doorgroei en bespaart kosten, maar geeft weinig nieuw talent en soms jaloezie. Extern werven via vacatures, sociale media, referral recruitment of headhunters, vooral voor hogere functies. Selectiecriteria combineren IQ (cognitief) en EQ (sociaal en emotioneel). Daarna onboarding: introduceren, socialiseren en inwerken. |
| Doorstroom | Beloning, beoordeling, loopbaanontwikkeling, competentiemanagement | Beloning via primaire, secundaire en tertiaire arbeidsvoorwaarden, steeds vaker ook variabel. Beoordelings- en functioneringsgesprekken. Loopbaanontwikkeling biedt perspectief. Competentiemanagement laat vaardigheden aansluiten op functie-eisen en stimuleert een lerende organisatie. |
| Uitstroom | Vrijwillig en gedwongen vertrek | Vrijwillig, bijvoorbeeld een nieuwe baan of pensioen; gedwongen op initiatief van werkgever of werknemer, met verschillende juridische vormen. Exitgesprekken geven inzicht in redenen van vertrek. |
| Arbeidsvoorwaarde | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Primair | Het basisloon | Salaris |
| Secundair | Voorzieningen die per onderneming of in de cao zijn vastgesteld | Afspraken uit de cao van de organisatie |
| Tertiair | Voorzieningen voor speciale categorieën personeel | Auto van de zaak |
Bij beoordelingsgesprekken kan de feedback op drie manieren: eendimensionaal (feedback van één leidinggevende of de werkgever), 180 graden (de medewerker geeft zelf ook zijn mening over zijn functioneren) of 360 graden (twee of meer personen geven hun mening over het functioneren).
Samenhang met andere S'en
- Strategy: missies besteden steeds meer aandacht aan ontwikkeling van werknemers en een prettig werkklimaat; de strategie bepaalt het carrièreperspectief.
- Systems: werknemers krijgen steeds meer te zeggen over de keuze van systemen.
- Structure: de structuur beïnvloedt werving en selectie (steile organisaties werven meer specialisten) en beloning (de top verdient meer dan de operatie).
- Shared values: de beloningsstructuur hangt samen met de cultuur; een zakelijke cultuur beloont eerder op prestatie.
- Skills: de benodigde kennis en vaardigheden moet je niet alleen werven, maar ook behouden.
Style: leiderschap, conflict, besluitvorming en motivatie
Les 4.2 deel 2, werkcollege 6.1Klassieke leiderschapsstijlen en McGregor
| Stijl | Kenmerken | Mensbeeld |
|---|---|---|
| Autocratisch | Strikt top-down; sturen met opdrachten en aanwijzingen; gehoorzaamheid beloond, afwijking bestraft | X-theorie |
| Democratisch | Beslissingen gezamenlijk op basis van gelijkwaardigheid; komt vaak voor in non-profit; risico op lange processen en besluiteloosheid | Y-theorie |
| Participatief | Modern, gericht op commitment; de leider inspireert, laat meedenken en voorkomt spanningen | Y-theorie |
X-theorie (negatief mensbeeld): mensen werken niet graag uit zichzelf, zijn lui en ontlopen verantwoordelijkheid. Gevolg: strikte controle, directe aansturing en straf en beloning.
Y-theorie (positief mensbeeld): werken is een natuurlijke behoefte, mensen willen verantwoordelijkheid en zijn creatief. Persoonlijke groei en erkenning motiveren. Past bij participatief leiderschap.
Contingentiebenadering: de situatie bepaalt
De effectiviteit van leiderschap wordt in hoge mate bepaald door de omstandigheden, zoals de bedrijfscultuur, het karakter en opleidingsniveau van medewerkers, de taakeisen en externe invloeden. Er is niet één beste stijl. Drie modellen:
Situationeel leiderschap (Hersey en Blanchard): de leider past zijn stijl aan op de taakvolwassenheid van de medewerker (competentie en motivatie) voor een specifieke taak, van M1 (laag) tot M4 (hoog).
| Stijl | Sturing | Ondersteuning | Wanneer |
|---|---|---|---|
| S1 Instrueren | Veel | Weinig | Onervaren medewerker (M1) |
| S2 Overtuigen (begeleiden, coachen) | Veel | Veel | Medewerker die nog leert (M2) |
| S3 Overleggen (ondersteunen) | Weinig | Veel | Competente medewerker die vertrouwen of motivatie mist (M3) |
| S4 Delegeren | Weinig | Weinig | Competente en gemotiveerde medewerker (M4) |
Kort: hoe zelfstandiger en bekwamer de medewerker, hoe minder sturing. Let op: in het schema op de dia heten S2 en S3 overtuigen en overleggen, in de toelichting begeleiden en ondersteunen.
Contingentietheorie van Fiedler: een leider heeft een vrij vaste stijl, taakgericht of relatiegericht. Of die werkt, hangt af van de situatie, bepaald door drie factoren: de relatie tussen leider en groep (goed of slecht), de taakstructuur (hoog of laag, routine of ongestructureerd) en de machtspositie van de leider (sterk of zwak).
| Situationele controle | Voorbeeld | Beste stijl |
|---|---|---|
| Zeer gunstig | Goede relatie, gestructureerde taak, sterke positie | Taakgericht |
| Tussenin | Gemengde situaties | Relatiegericht |
| Zeer ongunstig | Slechte relatie, ongestructureerde taak, zwakke positie | Taakgericht |
Managerial Grid (Blake en Mouton): stijlen op twee assen, zorg voor de taak en zorg voor mensen, elk van 1 tot 9.
| Positie | Naam | Kenmerk |
|---|---|---|
| 1.1 | Verschraald management | Minimale inspanning voor werk en mensen; de manager is nagenoeg onzichtbaar |
| 1.9 | Countryclubmanagement | Veel aandacht voor mensen en sfeer, ten koste van de productie |
| 5.5 | Middenweg | Acceptabel evenwicht tussen presteren en moraal |
| 9.1 | Autoritair management | Maximale focus op efficiëntie en resultaat; mensen zijn storende factoren |
| 9.9 | Teamgericht management | Sterke betrokkenheid bij gezamenlijke doelen: hoge productie en uitstekende relaties |
Conflicthantering
Hoe een organisatie omgaat met meningsverschillen en hoe ze tot besluiten komt, hoort bij Style. Een manager besteedt volgens de dia gemiddeld 20% tot 30% van zijn tijd aan conflicthantering.
| Interventie | Vorm | Wat er gebeurt |
|---|---|---|
| Direct (bestaand conflict oplossen) | Machtsgreep | Iemand die hiërarchisch boven de partijen staat, beslist |
| Direct | Arbitrage | Een persoon of commissie doet een uitspraak |
| Direct | Mediation | Een onafhankelijk persoon van buiten de organisatie helpt de partijen zelf tot een oplossing te komen |
| Indirect (conflicten voorkomen) | Onduidelijkheden wegnemen | Taken en bevoegdheden beter omschrijven, duidelijker aangeven hoe je je gedraagt |
| Conflictstijl | Nadruk eigen belang | Nadruk belang ander | Gevolg |
|---|---|---|---|
| Vermijden | Laag | Laag | Het conflict blijft latent aanwezig |
| Domineren | Hoog | Laag | Harde opstelling, eigen oplossing voorop |
| Toegeven | Laag | Hoog | De ander gelijk geven omdat je de ander belangrijk vindt |
| Samenwerken | Hoog | Hoog | Win-win; in het algemeen het meest effectief |
Besluitvorming
- Probleemdefinitie: een nauwkeurige, objectieve beschrijving en scherpe afbakening van het probleem.
- Mogelijke oplossingen: systematisch meerdere alternatieven bedenken.
- Keuze: alternatieven afwegen en een definitief besluit nemen.
Dit is rationele besluitvorming, op basis van onderzoek. Bij niet-rationele besluitvorming wordt beslist op gevoel en intuïtie.
Motivatie
Tevredenheid is niet hetzelfde als productiviteit. De stijl van leidinggeven moet aansluiten bij wat medewerkers echt motiveert. Verschillende theoretici benadrukken een eigen drijfveer:
| Theoreticus | Belangrijkste drijfveer |
|---|---|
| Adler | Macht |
| White | Bevrediging van nieuwsgierigheid |
| Schachter | Genegenheid en sociale erkenning |
| McClelland | Geldingsdrang en prestatiebehoefte |
Maslow brengt deze samen in de behoeftepiramide. Mensen vervullen eerst hun basisbehoeften voordat ze zich op hogere richten. Van onder naar boven:
- Fysiologische behoeften: eten, drinken, slapen.
- Veiligheid: zekerheid, bescherming, stabiliteit.
- Sociale behoeften: vriendschap, erbij horen.
- Waardering: erkenning, respect, zelfvertrouwen.
- Zelfontplooiing: talenten ontwikkelen en je potentieel bereiken.
Samenhang met andere S'en
- Staff: medewerkers zijn de doorslaggevende factor in het bedrijfsproces, en er is een sterke relatie tussen hun functioneren en de aansturing.
- Structure: komt samen in het linking-pinmodel van Likert: de leidinggevende is de verbindende schakel tussen zijn eigen afdeling en de laag erboven, bottom-up en top-down.
- Shared values: de stijl van leidinggeven heeft grote impact op de cultuur.
Skills: sleutelvaardigheden, toegevoegde waarde en kwaliteit
Les 6.2 deel I, werkcollege 7.1Competenties die in elk geval genoemd worden: mondeling en schriftelijk communiceren, luisteren, presenteren, flexibel opstellen, onderzoekend vermogen, plannen en organiseren.
Het kernproces kan bij twee organisaties hetzelfde zijn, terwijl de toegevoegde waarde (strategie) sterk verschilt, en daarmee de benodigde skills. In de les: vergelijk Albert Heijn met Lidl, of het CWZ, het Radboudumc en de Maartenskliniek.
Toegevoegde waarde
De toegevoegde waarde, en dus de kwaliteit, betreft niet alleen het eindproduct maar ook alle handelingen ervoor en eromheen: de kwaliteit van de leiderschapsstijl, de structuur, de processen, het personeelsmanagement. Je onderscheidt je van de concurrent met unique selling points (USP's).
| Overlap in de USP-check | Betekenis |
|---|---|
| Wat de doelgroep wil + sterk punt van jouw organisatie | Krachtige USP |
| Wat de doelgroep wil + sterk punt van jou én van de concurrent | USP toetsen: is het wel onderscheidend? |
| Wat de doelgroep wil + sterk punt van de concurrent | Protectie: hier moet je je tegen beschermen |
| Sterk punt van jou en de concurrent, maar de doelgroep wil het niet | Vermijden |
| Vraag | Antwoord uit de les |
|---|---|
| Waarom toegevoegde waarde? | Voor de continuïteit van de organisatie en om winst of kosten in de hand te houden |
| Voor wie? | Interne en externe klanten en overige stakeholders, zoals financiers, distributieketen, brancheorganisaties, vakbonden, media en omwonenden |
| Hoofddashboardmeters voor een FM'er | Klanttevredenheid, serviceniveau (kwaliteit) en kosten |
Om het verschil tussen een dienst leveren en de impact ervan uit te leggen, gebruikt het Basisboek FM de golden circle van Sinek: begin met waarom (welk probleem los je op voor je opdrachtgever), dan hoe, dan wat. In het waarom zit de meerwaarde.
Twaalf toegevoegde waarden van FM (Drion en van Sprang)
| Toegevoegde waarde | Voorbeeld uit de figuur |
|---|---|
| Tevredenheid verhogen | Gastvrijheidsconcept, comfortabele werkomgeving, prettig binnenklimaat |
| Productiviteit ondersteunen of verhogen | Slimme locatiekeuze, functies die samenwerken bij elkaar, ergonomisch meubilair |
| Kosten beheersen of verlagen | Scherpe m²-normering, energiebesparing, flexibele werkplekken, efficiënte inkoop |
| Risico's beheersen | Beveiliging, bedrijfshulpverlening, Arbomaatregelen, verzekeringen |
| Maatschappelijk verantwoorde bedrijfsvoering | Bijdragen aan de SDG's, goede arbeidsomstandigheden, scholing van facilitaire medewerkers |
| Duurzaamheid | Duurzaam inkopen, lager energieverbruik, afvalscheiding |
| Imago ondersteunen | Uitstraling van gebouw en werkomgeving, kwaliteit van voorzieningen |
| Cultuur ondersteunen | Cultuurwaarden vertalen naar lay-out en inrichting, positief gedrag stimuleren (nudging) |
| Flexibiliteit vergroten | Flexibele wanden, uitbesteding, flexibele contracten |
| Innovatie en creativiteit ondersteunen | Interactie tussen gebruikers stimuleren, ruimtes die creativiteit stimuleren |
| Vitaliteit | Healing environment en healthy office: planten, kleur, gezonde voeding, beweging |
| Waardestijging | Toekomstwaarde van het gebouw door planmatig onderhoud en renovatie |
Kwaliteit
Technische kwaliteit: de traditionele, bedrijfseconomische betekenis: degelijk, duurzaam en betrouwbaar.
Relatieve kwaliteit: verwachtingenmanagement: aansluiten bij de wensen van de klant en rekening houden met het aanbod van concurrenten.
- Iedereen heeft een verantwoordelijkheid richting de uiteindelijke klant.
- Kwaliteitszorg werkt preventief (voorwaarts) en curatief (terugwaarts).
- In de hele keten, van verkoop tot inkoop, op elkaar afgestemd.
- Geborgd: verankerd in de manier van denken en werken.
| Traditionele kwaliteitszorg | Totale kwaliteitszorg |
|---|---|
| Controleer op kwaliteit | Plan voor kwaliteit |
| Kwaliteit is de verantwoordelijkheid van de kwaliteitsafdeling | Kwaliteit is de verantwoordelijkheid van iedereen |
| Sommige fouten zijn onvermijdelijk | Streef naar nul fouten (zero defects) |
| Kwaliteit betekent inspectie | Kwaliteit betekent voldoen aan de normen |
| Kwaliteit betreft de tactiek | Kwaliteit betreft de strategie |
PDCA-cyclus van Deming
| Fase | Wat je doet |
|---|---|
| Plan | Doel bepalen, het probleem en de oorzaken vaststellen, een plan van aanpak met SMART-doelen maken |
| Do | De acties uitvoeren, vaak eerst op kleine schaal als pilot |
| Check | Resultaten meten en vergelijken met de doelen: is de verbetering gerealiseerd? |
| Act | Bijsturen als het resultaat achterblijft, of de nieuwe werkwijze tot standaard maken; daarna begint de cyclus opnieuw |
INK-managementmodel
Het INK-model (Instituut Nederlandse Kwaliteit) is een integraal model voor evaluatie, ontwikkeling en sturing van profit- en non-profitorganisaties. Het is recent gemoderniseerd tot INK.next. Het model is een Rijnlands model: het zoekt de balans tussen de belangen van alle belanghebbenden.
| Deel | Onderdelen | Vraag |
|---|---|---|
| Vijf organisatiegebieden (intern) | Leiderschap, medewerkers, strategie en beleid, middelen, processen | Wat doen we en hoe doen we het? |
| Vier resultaatgebieden (extern) | Waardering door medewerkers, waardering door klanten en leveranciers, waardering door de maatschappij, eindresultaten | Wat levert het op? |
| Verbeteren en vernieuwen | Leren en veranderen in de organisatie | Hoe worden we beter? |
De kracht van het model: integrale benadering, verbinding tussen resultaat- en organisatiegebieden, verbinding tussen organisatie en belanghebbenden, en balans tussen verankeren en vernieuwen.
Balanced Scorecard, KSF en KPI
De Balanced Scorecard (BSC) helpt strategische doelstellingen te formuleren en te vertalen naar alle lagen. De top stelt een topcard vast; afdelingen leiden daar hun eigen doelen van af. Organisaties die hun doelen evenwichtig verdelen over financiën, processen en personeel, klant en markt én innovatie, presteren volgens de toelichting over een lange periode excellent; innovatie is vaak het ondergeschoven kindje.
| Perspectief | Informatie over | Voorbeeld KSF en KPI uit de les |
|---|---|---|
| Klant | Profiel van de klant, hoe hij de organisatie ziet, loyaliteit | KSF snelheid; KPI tijd van bestelling tot aflevering, streefwaarde bijvoorbeeld vier dagen |
| Processen | Effectiviteit en efficiëntie van de interne processen | KSF productiekwaliteit; KPI kosten per eenheid product |
| Innovatie (leren en groeien) | Het innoverend en lerend vermogen; kan de organisatie in de toekomst de concurrentie aan? | KSF time-to-market; KPI tijd om een productconcept te testen |
| Financieel | Het geldelijke resultaat: omzet, winst, cashflow, liquiditeit, beurskoers | KSF groei; KPI marktaandeel |
In de scorecard worden KPI's vergeleken met streefwaarden; de verkeerslichtmethode (rood, oranje, groen) laat zien hoe een afdeling ervoor staat. Een strategy map laat zien hoe doelen in de perspectieven op elkaar ingrijpen.
Kwaliteitssystemen
- ISO: International Standardization Organisation (NEN-ISO).
- EFQM: European Foundation for Quality Management.
- Kaizen: Japanse filosofie waarin kwaliteit het continue referentiekader is: continu verbeteren via teamwork, discipline, arbeidsmoraal, betrokkenheid van iedereen en kwaliteitscirkels.
Shared values: cultuur en cultuurverandering
Les 6.2 deel II, werkcollege 7.1Let op bij de quizstelling dat het gemeenschappelijke van een cultuur 'op papier staat geëxpliciteerd': volgens de dia gaat het bij shared values juist om de vaak ongeschreven regels en overtuigingen.
Cultuurniveaus volgens Schein
| Niveau | Wat het is | Voorbeelden | Te veranderen |
|---|---|---|---|
| Artefacten | Zichtbare uitingen | Kledingstijl, omgangsvormen, taalgebruik, deur open of dicht, inrichting van het kantoor, vaste plekken in het restaurant, symbolen, slogans, rituelen, ceremonies | Makkelijk |
| Beleden waarden | Wat de organisatie uitdraagt | Resultaatgericht, vertrouwen, integriteit, flexibiliteit, klantgericht | Middel |
| Onderliggende waarden | Basisveronderstellingen die in de aard der dingen zitten, vaak bepaald door de oprichters | Is de mens goed of slecht? Hoe gaan we om met macht en waardering? Zijn we gericht op verleden, heden of toekomst? Proactief of afwachtend? Homogeen of divers? | Moeilijk |
Cultuurtypering volgens Harrison en Handy
Handy typeert cultuur op twee assen: machtsspreiding (hoe de macht over de organisatie verdeeld is) en samenwerkingsgraad (hoeveel er wordt samengewerkt). De vier typen zijn gekoppeld aan de configuraties van Mintzberg.
| Cultuurtype | Machtsspreiding | Samenwerkingsgraad | Kenmerken | Mintzberg |
|---|---|---|---|---|
| Rolcultuur | Laag | Laag | Iedereen houdt zich aan zijn rol in de formele organisatie; veel regels en procedures; de functie bepaalt wat iemand kan, niet de persoon | Machineorganisatie |
| Personencultuur | Hoog | Laag | De manager werkt mee in de uitvoering; maatschappen van vrije beroepen | Professionele organisatie |
| Machtscultuur | Laag | Hoog | Goede samenwerking, maar de top bepaalt waaraan; weinig behoefte aan regels | Ondernemersorganisatie |
| Taakcultuur | Hoog | Hoog | Zelfstandige professionals werken samen aan complexe taken; vaak platte, innovatieve organisaties zoals reclame- en ingenieursbureaus | Innovatieve organisatie |
Factoren die volgens Handy de cultuur bepalen: de omgeving, de medewerkers, de aard van de leiding en de geschiedenis, de omvang, de beschikbare hulpmiddelen en kennis, en de doelstelling.
Quizvragen uit de les (antwoord afgeleid uit het model)
- UMC Utrecht met specialisten, lage samenwerkingsgraad en hoge machtsspreiding: personencultuur.
- De machtscultuur vind je vooral in kleinere bedrijven met een directeur-eigenaar.
- De assen machtsspreiding en samenwerkingsgraad horen bij Handy, niet bij Hofstede of Schein.
Hofstede
Hofstede ziet cultuur als de collectieve mentale programmering die de ene groep van de andere onderscheidt. In het ui-diagram zitten de lagen symbolen, helden en rituelen (de praktijken) om de kern van waarden heen.
| Cultuurdimensie | Van | Tot |
|---|---|---|
| Machtsafstand | Klein | Groot |
| Individualisme | Individualistisch | Collectivistisch |
| Masculiniteit | Masculien | Feminien |
| Onzekerheidsvermijding | Laag | Hoog |
| Tijdsoriëntatie | Kortetermijngericht | Langetermijngericht |
In de toelichting worden vier dimensies genoemd die per land, regio of organisatie verschillen (de eerste vier); de illustratie toont er vijf. Hofstede typeert landsculturen op machtsafstand en onzekerheidsvermijding:
| Type | Machtsafstand | Onzekerheidsvermijding | Voorbeeldlanden uit de figuur |
|---|---|---|---|
| Dorpsmarkt | Klein | Klein | Nederland, Denemarken, Zweden, VK, VS |
| Familie | Groot | Klein | Singapore, Hongkong, India, Indonesië |
| Goed geoliede machine | Klein | Groot | Duitsland, Zwitserland, Finland, Oostenrijk |
| Piramide | Groot | Groot | Frankrijk, België, Japan, Spanje, Italië |
Voor organisaties gebruikt Hofstede zes tegenstellingen: procesgericht tegenover resultaatgericht, mensgericht tegenover werkgericht, organisatieclub tegenover vak, open tegenover gesloten, los tegenover strak en regels tegenover klanten.
Deal en Kennedy
Centraal staan het risico dat de bedrijfsvoering meebrengt en de snelheid waarmee de organisatie feedback krijgt over de kwaliteit van haar aanbod.
| Veel risico | Weinig risico | |
|---|---|---|
| Snelle feedback | Machocultuur: grote investeringen, snel weten of het geld oplevert. Bijvoorbeeld voetbalclubs, filmproducenten | Hard-werken-en-spelencultuur: het werk moet plezier geven, klantgericht, fouten worden snel gecorrigeerd. Bijvoorbeeld handel en hotels |
| Langzame feedback | Alles-op-een-kaartcultuur: grote investeringen en veel techniek, het duurt lang voordat ze terugverdiend zijn. Bijvoorbeeld vliegtuig- en oliemaatschappijen | Procedurecultuur: regels, procedures en punctualiteit staan centraal. Bijvoorbeeld ministeries, verzekeraars, banken |
Cultuurverandering
- Cultuurverandering is een verandering van waarden en normen, niet alleen van rituelen en symbolen.
- De noodzaak tot veranderen moet gevoeld worden.
- Je start met een situatieanalyse: wat is de huidige en wat is de gewenste cultuur?
- Het is een langdurig proces: omgaan met weerstand, de fasen in het veranderingsproces van Kotter en cultuurvaststelling en -verandering volgens Cameron en Quinn.
Cameron en Quinn onderscheiden vier cultuurtypen op de assen flexibiliteit tegenover stabiliteit en intern tegenover extern: familie, adhocratie, markt en hiërarchie. In een diagram zet je de heersende cultuur (nu) af tegen de gewenste cultuur.
Het 7S-model in samenhang
Les 1.1, 2.2, 4.2, 6.2De kracht van het 7S-model zit in de verbindingslijnen. Op het tentamen en in het praktijkproject wordt verwacht dat je laat zien hoe de S'en elkaar beïnvloeden. Dit zijn de verbanden die in de dia's expliciet genoemd worden:
| Verband | Wat de dia's zeggen |
|---|---|
| Strategy en Structure | Structure follows strategy: de inrichting volgt uit wat de organisatie wil bereiken. |
| Strategy en Skills | Het kernproces kan gelijk zijn, maar de toegevoegde waarde (strategie) bepaalt welke skills nodig zijn. |
| Staff en Strategy | Missies besteden aandacht aan ontwikkeling van werknemers; de strategie bepaalt het carrièreperspectief. |
| Staff en Structure | Steile organisaties werven meer specialisten; de positie in de structuur bepaalt mede de beloning. |
| Staff en Systems | Werknemers krijgen steeds meer te zeggen over de keuze van systemen. |
| Staff en Shared values | De beloningsstructuur hangt samen met de cultuur; een zakelijke cultuur beloont op prestatie. |
| Staff en Skills | Kennis en vaardigheden moet je werven én behouden. |
| Style en Staff | Sterke relatie tussen het functioneren van medewerkers en de stijl van leidinggeven. |
| Style en Structure | Linking-pinmodel van Likert: de leidinggevende verbindt zijn afdeling met de laag erboven. |
| Style en Shared values | De stijl van leidinggeven heeft grote impact op de cultuur. |
| Staff en Shared values | De samenstelling van het personeel bepaalt mede de cultuur, bijvoorbeeld veel hoogopgeleiden op een hogeschool. |
| Shared values en Structure | De cultuurtypen van Handy zijn gekoppeld aan de configuraties van Mintzberg. |
| Systems en de andere S'en | In het werkcollege onderzoek je hoe een verandering in systemen een andere S raakt. |
Ondernemingsrecht les 1: algemene aspecten en de eenmanszaak
Ondernemingsrecht les 1 (week 3)Leerdoel: je kunt de algemene regels van het ondernemingsrecht op hoofdlijnen toepassen (rechtspersoon of niet, het handelsregister, de ondernemingsraad, handelsnaam en merk) en je kunt bepalen bij welke situatie de eenmanszaak het beste past. Stof: hoofdstuk 16 en 17 van het studieboek.
Waar staat het ondernemingsrecht?
Niet in één wet, maar in diverse wetten en verdragen: het Burgerlijk Wetboek (BW), het Wetboek van Koophandel (WvK), de Handelsregisterwet (Hrw), de Handelsnaamwet (Hnw), het Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE), de Wet op de ondernemingsraden (Wor), de Wet op de economische delicten (WED) en de Wet controle op rechtspersonen (Wcor).
Rechtspersoon of niet?
Een organisatie is een rechtspersoon of niet (zie art. 2:3 BW). Dat bepaalt de aansprakelijkheid: is de eigenaar aansprakelijk of de organisatie zelf? De keuze voor een rechtsvorm hangt af van diverse factoren, en meerdere vakgebieden hebben invloed op de interne structuur van een organisatie: bedrijfskunde is de integratie van die vakgebieden.
Handelsnaam, franchising en merk
- Handelsnaam: een juridisch beschermde naam, bijvoorbeeld Nike. Je kunt een handelsnaam alleen verkopen als je ook de onderneming verkoopt die hem gebruikt (art. 2 Hnw).
- Franchising is de uitzondering: Bakker Bart, McDonald's, Subway, Albert Heijn.
- Merk: geregeld in het BVIE. Heeft een onderscheidend karakter voor producten of diensten en een financieel en commercieel belang. Er zijn woord-, beeld-, kleur- en vormmerken, en combinaties.
Handelsregister en administratieplicht
- Het handelsregister is een openbaar register bij de KvK voor informatievoorziening en rechtszekerheid: wie de gegevens gebruikt, mag ervan uitgaan dat ze juist zijn. Er staan onder meer de rechtsvorm, de bedrijfsactiviteiten en de vertegenwoordigingsbevoegdheid in.
- Iedere organisatie is inschrijfplichtig. Niet inschrijven kan een boete opleveren op grond van de WED. Inschrijving is wel geen oprichtingseis.
- Elke onderneming moet een administratie bijhouden en bewaren. Rechtspersonen hebben een speciale administratieplicht (Wet op de jaarrekening, art. 2:360 BW): jaarrekening, jaarverslag, accountantsonderzoek, publicatie van de jaarstukken, en eventueel een procedure over de jaarrekening bij de Ondernemingskamer of een strafrechtelijke procedure.
De ondernemingsraad
| Onderwerp | Regel uit de dia's |
|---|---|
| Doel | Invloed van het personeel op directie en beleid |
| Wanneer | Getalscriterium 50; de Wor geldt voor alle ondernemingen, in de private en de publieke sector |
| Kiesrecht | Actief en passief kiesrecht |
| Adviesrecht (art. 25 Wor) | Bij bedrijfsorganisatorische of financieel-economische besluiten. Het advies is niet vrijblijvend. |
| Instemmingsrecht (art. 27 Wor) | Bij sociaal beleid, zoals secundaire arbeidsvoorwaarden |
Gevolg: een ondernemer kan niet zomaar beleid veranderen, vaak is medewerking van de OR nodig. In de les is daarbij gekeken naar het verschil tussen dwingend en aanvullend (regelend) recht: van dwingend recht mag je niet afwijken, aanvullend recht geldt tenzij er iets anders is bepaald.
WED en Wcor
| Wet | Doel | Wat de overheid kan doen |
|---|---|---|
| WED | Gelijke concurrentie; een economisch delict is een overtreding of misdrijf | Onder meer een geldboete, stillegging van het bedrijf, strafrechtelijke vervolging |
| Wcor | Fraude en financieel misbruik tegengaan; geldt voor rechtspersonen | Strafrechtelijke vervolging en/of ontbinding van de rechtspersoon |
De eenmanszaak
| Thema | Regel |
|---|---|
| Eigenaar | Eén persoon is eigenaar van de zaak. Werknemers in dienst nemen verandert daar niets aan. |
| Rechtspersoon | Nee |
| Oprichting | Geen wettelijke oprichtingsvoorschriften; na de oprichting inschrijven bij de KvK |
| Aansprakelijkheid | De eigenaar is met zijn hele vermogen aansprakelijk voor de schulden van de zaak. Huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt in de dia als aandachtspunt genoemd |
| Faillissement | Gaat de eigenaar failliet, dan ook de eenmanszaak, en omgekeerd. Na het faillissement is hij niet schuldenvrij, tenzij er een akkoord is (afkoop van schulden) |
| Voortbestaan | Sterk persoonsgebonden; bij overlijden worden de erfgenamen eigenaar |
| Financiering | Vooral leningen, maar ook crowdfunding en soms subsidies |
| Belasting | De eigenaar betaalt inkomstenbelasting |
| Zzp'er | Zelfstandige zonder personeel; vrije keuze van rechtsvorm, onder meer eenmanszaak of bv |
Oefenvragen uit de les, met uitleg
- Inschrijving in het handelsregister is bedoeld om de onderneming op de juiste wijze op te richten? Onjuist: inschrijving is geen oprichtingseis, maar wel verplicht.
- Een eenmanszaak met twee werknemers: er is nog steeds sprake van een eenmanszaak, want er is nog steeds één eigenaar.
- Een eenmanszaak met 53 werknemers: de Wor geldt voor alle ondernemingen, ook voor eenmanszaken; boven het getalscriterium van 50 hoort er in beginsel een OR te zijn. Of tijdelijke krachten met weinig uren meetellen, staat niet in de dia's: zoek dat op in de wettenbundel.
Ondernemingsrecht les 2: vereniging, nv, bv en stichting
Ondernemingsrecht les 2 (week 5)Leerdoel: je kunt van de behandelde ondernemingsvormen bepalen welke het beste past bij welke situatie of welk doel, en je kunt de regels op hoofdlijnen toepassen voor vier thema's: oprichting, organen, vertegenwoordiging en aansprakelijkheid. Stof: hoofdstuk 20 (par. 1 t/m 5), 22 (par. 1 t/m 4 en 7 t/m 8) en 23 (par. 1 t/m 4).
Privaatrechtelijke rechtspersonen (art. 2:3 BW): besloten vennootschap, naamloze vennootschap, stichting, vereniging, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij. De eerste vier worden op hoofdlijnen behandeld. Rechtspersonen zijn geregeld in boek 2 BW.
De vereniging
Een samenwerkingsverband met als doel een niet-commercieel doel voor haar leden te bereiken: omroep-, sport- en studentenverenigingen, de ANWB, branche- en beroepsverenigingen, vakbonden, politieke partijen.
- Voordeel: samen een niet-commercieel doel nastreven.
- Voordeel: geen belasting, tenzij de vereniging commercieel wordt.
- Voordeel: geen persoonlijke aansprakelijkheid van oprichters en leden.
- Voordeel: leden (contributie) en invloed via de algemene ledenvergadering.
- Nadeel: niet commercieel.
- Nadeel: winstuitkering aan leden is verboden.
- Nadeel: de invloed van leden via de algemene ledenvergadering kan ook beperkend zijn.
| Formele vereniging | Informele vereniging | |
|---|---|---|
| Oprichting | Notariële akte met statuten | Zonder notariële akte: mondeling of schriftelijk |
| Rechtsbevoegdheid | Volledig | Beperkt |
| Registergoederen (grond, gebouwen) | Kan eigenaar worden | Kan geen eigenaar worden |
| Erfgenaam zijn | Kan | Kan niet |
| Aansprakelijkheid bestuur | Hoofdregel: de vereniging zelf | Niet ingeschreven: hele bestuur hoofdelijk naast de vereniging. Wel ingeschreven: bestuurders alleen als de vereniging niet kan betalen |
Oprichting gebeurt door een meerzijdige rechtshandeling. Inschrijving in het handelsregister is geen oprichtingseis; wie niet inschrijft is strafbaar op grond van de WED en loopt aansprakelijkheidsrisico's.
| Orgaan van de vereniging | Taak |
|---|---|
| Raad van commissarissen of toezicht (vrijwillig) | Meestal toezicht op het bestuur |
| Bestuur (vaak vrijwilligers) | Dagelijkse gang van zaken, het doel nastreven, de vereniging vertegenwoordigen, overeenkomsten sluiten, volmachten verlenen |
| Algemene ledenvergadering (ALV) | Leden stemmen, vaak eens per jaar, over onder meer benoeming en ontslag van bestuurders en commissarissen en statutenwijziging. Ieder lid één stem, meerderheid van de aanwezige leden, tenzij de statuten anders bepalen. Soms is er een ledenraad. |
Er is vrijheid om taken over te hevelen van de ALV naar bestuur of RvC, of omgekeerd. Het bestuur vertegenwoordigt de vereniging in principe collectief (gezamenlijk), tenzij de statuten iets anders bepalen, en kan personeel of vrijwilligers een volmacht geven. Bij wanbeleid (art. 2:9 BW, geldt voor alle rechtspersonen) kan een bestuurder persoonlijk aansprakelijk zijn.
De nv en de bv
Ondernemingsvormen met meestal een commercieel doel: winst maken voor de aandeelhouders. Voorbeelden uit de les: Heineken, Ajax, Philips, Ahold Delhaize, ING, Unilever, Randstad, ASML.
- Voordeel: een commercieel doel nastreven met veel vrijheid om te ondernemen.
- Voordeel: geen persoonlijke aansprakelijkheid van oprichters, bestuurders en aandeelhouders.
- Voordeel: geld ophalen via aandelen; winstuitkering aan aandeelhouders.
- Voordeel: invloed van aandeelhouders via de AVA.
- Nadeel: belastingplichtig.
- Nadeel: administratieve verplichtingen.
- Nadeel: de invloed van de AVA kan beperkend zijn.
- Nadeel: vijandige overnames (nv).
| NV | BV | |
|---|---|---|
| Karakter | Openbaar, soms aan de beurs | Besloten, bijvoorbeeld een familiebedrijf |
| Aandelen | Vrijer verhandelbaar | Vaak minder vrij verhandelbaar (blokkeringsregeling) |
| Wettelijke regels | Meer dwingend recht | Minder dwingend recht |
| Oprichting | Moeilijker, startkapitaal van 45.000 euro | Makkelijker en sneller, geen startkapitaal |
- Oprichting: altijd via een notariële akte met de statuten. Vóór de oprichting kan al zaken worden gedaan namens de nv of bv in oprichting (i.o.): de handelende bestuurder is dan aansprakelijk, maar na oprichting kan de vennootschap de handeling bekrachtigen. Na oprichting volgt inschrijving in het handelsregister; dat is geen oprichtingseis, maar niet inschrijven is een economisch delict (WED) met gevolgen voor aansprakelijkheid.
- Raad van commissarissen (meestal vrijwillig): toezicht, vaak ook advies, en bevoegd het bestuur te schorsen. Er is een monistisch en een dualistisch stelsel.
- Bestuur (vaak werknemers): dagelijkse gang van zaken, vertegenwoordigen, overeenkomsten sluiten, volmachten verlenen. Een DGA is een directeur-grootaandeelhouder.
- AVA: stemt over statutenwijziging, uitgifte van aandelen, benoeming, schorsing en ontslag van bestuurders en commissarissen, dividend en fusies. Eén stem per aandeel, meerderheid van de aanwezigen tenzij wet of statuten anders bepalen.
- Aandeelhouders zijn individueel geen orgaan, maar hebben wel stemrecht, recht op dividend en claimrecht (bij de bv op grond van de wet).
Vertegenwoordiging: het bestuur vertegenwoordigt de nv of bv; iedere bestuurder is individueel bevoegd, tenzij de statuten iets anders bepalen, zoals een twee- of meerhandtekeningenclausule. Volgens de dia's is de bevoegdheid niet in te perken door een grensbedrag (al gebeurt dat in de praktijk soms). De bevoegdheid staat ingeschreven in het handelsregister.
Uitzonderingen waarbij een bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan zijn: handelen namens de nv of bv i.o.; niet ingeschreven in het handelsregister (alle bestuurders hoofdelijk); onbehoorlijk bestuur; balansaansprakelijkheid; hoofdelijke aansprakelijkheid bij faillissement.
De stichting
Een rechtspersoon zonder leden, meestal met een maatschappelijk of ideëel doel: de HAN, voedselbanken, KWF Kankerbestrijding, pensioenfonds ABP, UNICEF Nederland. Soms ook in de profitsector, bijvoorbeeld bij KPN en AKZO.
- Voordeel: een niet-commercieel doel nastreven.
- Voordeel: geen belasting, tenzij de stichting commercieel wordt.
- Voordeel: geen persoonlijke aansprakelijkheid van oprichters en bestuurders.
- Geen leden: voordeel en nadeel tegelijk.
- Nadeel: niet commercieel.
- Nadeel: winstuitkeringen verboden.
- Beschermingsconstructies worden genoemd als aandachtspunt.
- Geen leden of aandeelhouders die het bestuur benoemen of controleren: dat kent risico's.
| Uitkeringsverbod | Toelichting |
|---|---|
| Verboden | Uitkeringen aan oprichters of bestuurders en winstuitkeringen |
| Wel toegestaan | Betalingen als tegenprestatie, zoals loon aan werknemers (mits niet bovenmatig), en uitkeringen met een sociale of ideële strekking, zoals een uitkering aan opvanghuizen of pensioenen bij een pensioenfonds |
- Oprichting: altijd via een notariële akte met statuten; daarna inschrijving in het handelsregister (geen oprichtingseis, wel WED en aansprakelijkheidsgevolgen).
- Organen: een RvC (meestal vrijwillig) met een toezichthoudende en adviserende rol, eventueel via de statuten met meer bevoegdheden, en het bestuur voor de dagelijkse gang van zaken, vertegenwoordiging en strategie. Bestuurders worden vaak benoemd en ontslagen door het bestuur zelf (coöptatie, via de statuten), door de RvC (via de statuten) of door de rechtbank.
- Vertegenwoordiging: vergelijkbaar met de vereniging: het bestuur is gezamenlijk bevoegd, tenzij de statuten iets anders bepalen, zoals individuele bevoegdheid of een meerhandtekeningenclausule. Volmacht aan personeel is mogelijk.
- Aansprakelijkheid: hoofdregel de stichting zelf; uitzonderingen bij niet inschrijven (alle bestuurders hoofdelijk), onbehoorlijk bestuur (in de les het voorbeeld van het Rode Kruis) en hoofdelijke aansprakelijkheid bij faillissement.
Alle rechtsvormen naast elkaar
| Rechtsvorm | Rechtspersoon | Doel | Oprichting | Organen | Vertegenwoordiging | Aansprakelijkheid |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Eenmanszaak | Nee | Ondernemen, winst voor de eigenaar | Geen wettelijke voorschriften, wel KvK-inschrijving | Geen; de eigenaar beslist | De eigenaar | Eigenaar met hele vermogen |
| Vereniging | Ja | Niet-commercieel doel voor de leden | Meerzijdige rechtshandeling: notarieel (formeel) of mondeling/schriftelijk (informeel) | Bestuur, ALV, eventueel RvC | Bestuur collectief, tenzij statuten anders | Vereniging; bij informele vereniging ook bestuurders (afhankelijk van inschrijving) |
| NV | Ja | Commercieel, winst voor aandeelhouders | Notariële akte met statuten, startkapitaal 45.000 euro | Bestuur, AVA, eventueel RvC | Iedere bestuurder individueel, tenzij statuten anders | NV; uitzonderingen voor bestuurders |
| BV | Ja | Commercieel, winst voor aandeelhouders, besloten | Notariële akte met statuten, geen startkapitaal | Bestuur, AVA, eventueel RvC | Iedere bestuurder individueel, tenzij statuten anders | BV; uitzonderingen voor bestuurders |
| Stichting | Ja | Maatschappelijk of ideëel, geen leden | Notariële akte met statuten | Bestuur, eventueel RvC of RvT | Bestuur gezamenlijk, tenzij statuten anders | Stichting; uitzonderingen voor bestuurders |
Oefenvragen uit de les, met uitleg
- Bewoners willen een bewonersvereniging oprichten tegen het verbreden van hun straat. Hoe kan dat? Zowel mondeling als schriftelijk: een vereniging ontstaat door een meerzijdige rechtshandeling. Zonder notariële akte wordt het een informele vereniging.
- BV Kooistra: drie bestuurders, volgens de statuten mag ieder de bv vertegenwoordigen tot 10.000 euro. Gert koopt alleen een partij skiboxen voor 15.000 euro. Volgens de dia's is de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het bestuur niet in te perken door een grensbedrag. De verkoper kan dus de bv aanspreken voor het volledige bedrag.